Ga direct naar de hoofdinhoud

Uit dit boek van 408 pagina's over de geschiedenis der Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Kampen (uitg. J.H. Kok N.V. te Kampen (1955)), die helaas het Samen op Weg-proces, leidend tot de Protestantse Kerk van Nederland, niet heeft overleefd, vermeld ik op deze webpagina enkel iets wat ik van belang acht voor mijn onderwerp, de kerkscheuring in 1944. 

p. 315:  

'Toch heet Schilder ook een vriendelijk man. Die hem van nabij gekend hebben noemen hem 'een eenvoudig en vriendelijk man van grote hoffelijkheid en hoofse manieren' (W.C.F. Scheps). Voor wie hem niet kenden leek het vaak anders. En het wás soms anders: hij kon ook onbehouwen uitvallen. 'Trouwens, ook voor wie hem van dichterbij gekend hebben, bleef er altijd iets, dat niet geheel transparant was. Schilder achter zijn schrijfbureau was vaak niet meer te herkennen van Schilder in de omgang. Schilder op de preekstoel was vaak een zo geheel andere figuur dan Schilder onder de stoel. Meerdere van zijn beste vrienden, van zijn vurigste vereerders, hebben bij herhaling verklaard, dat ook zij dit niet geheel konden verstaan' (Scheps)". (ik wel: achter zijn bureau en op de kansel voer een andere, wat minder frisse geest (let op de kleine g) in hem, R.B.)  

pp. 326-327:

'Ook op kerkelijk terrein pakten zich sombere wolken samen. Merkwaardig en veelzeggend is de ontwikkeling van de kerkelijke pers. Men beschikte in die dagen aanvankelijk over 'De Bazuin', 'De Heraut' en 'De Reformatie'. Toen laatstgenoemd blad op 24 September 1920 begon te verschijnen, vormden Prof. Dr. W.J.J. Buytendijk, Dr. K. Dijk, Dr. V. Hepp en Dr. B. Wielenga de redactie. Sedert 3 October 1924 redigeerden Dr. V. Hepp, Ds. K. Schilder, Drs. C. Tazelaar en Dr. J. Waterink dit blad.   

In het nummer van 26 September 1930, verschijnt onverwacht een bericht aan de lezers: 'Met dit nummer beëindig ik mijn werkzaamheid aan 'De Reformatie'. Eerlang hoop ik mijn persarbeid op andere wijze voort te zetten en de thans onderbroken artikelen, voorzover ze dan nog aktueel zijn, voort te zetten. Hepp.'

Een bericht in het nummer van 12 April 1935 luidt kortweg: 'Met ingang van heden hebben de H.H. Dr. C. Tazelaar en Prof. Dr. J. Waterink opgehouden lid van de Redactie te zijn'. Nadien lezen we aan de kop van het blad: 'Onder redactie van Prof. Dr. K. Schilder'.' 

pp. 327-328:

'Een soms scherpe polemiek werd gevoerd over onderwerpen als de algemene genade, de pluriformiteit van de Kerk, de twee naturen van Christus, het genadeverbond en de onsterfelijkheid der ziel. (we zien hier een groot deel van de latere, zgn. 'leergeschillen' die een (bij)rol zouden spelen bij de kerkscheuring van 1944, R.B.).

In verband met het vierde Eeuwfeest van Calvijn's Institutie verleende de Vrije Prot. Theol. Faculteit te Parijs aan Dr. H.H. Kuyper en Mr. V.H. Rutgers het ere-doctoraat in de Theologie. Prof. Schilder stelde toen de vraag, of dit niet de gedachte wettigde, dat Prof. Dr. H.H. Kuyper van mening veranderd was ter zake van wat hij in 1914 schreef tegen het promotierecht van de Theol. School. Een hooglopende discussie was hiervan het gevolg. (hier blijkt wel uit wat voor een onbroederlijke, gevoelloze autist K.S. was; had dan op zijn minst gezwegen, R.B.).

Het daverde eenvoudig van de polemiek. Dr. Colijn sprak eens de wens uit, dat de geleerden hun discussies maar weer in het Latijn moesten voeren. Op voorstel van Ds. W. van 't sant en de broeders Besselaar en Grashoff zond de Kerkeraad van 's-Gravenhage-West een missive inzake ongewenste persdebatten aan Curatoren van de Theol. School en aan de deputaten voor het verband met de Theol. Faculteit van de Vrije Universiteit. 'In deze hoogst ernstige tijden en te midden van de wassende gevaren voor de zuiverheid van de belijdenis en de godzaligheid van den wandel, acht de Kerkeraad het ten zeerste gewenscht, dat de geestelijke leidslieden in Kerk en volk, in zelfverloochenende liefde hartelijk samenwerken, mijdende alle krakeelingen' (Hand. Cur. Juli 1935). Aan Curatoren werd dringend verzocht alles te doen wat de eenheid kon bevorderen. De Kerkeraden van Gramsbergen en Harderwijk zonden een schrijven van dezelfde strekking.

De daad van de Haagse Kerkeraad zette bij sommigen nogal kwaad bloed. Prof. Schilder en zijn collega Greijdanus maakten hun afkeuring duidelijk kenbaar. anderen gingen daarin met hen mee. (het is hieruit wel duidelijk van welke kant de ellende kwam, want wie kan het nou bona fide oneens zijn met die missive?, R.B.)

(...)

De Classis Bolsward verzocht de Synode van Amsterdam,1936, het kwaad van de onbroederlijke polemiek te beteugelen. (...) een voorstel (...) van de meerderheid der Commissie (werd) aanvaard en besloten:

'er bij hen, die meenen polemiek jegens medebroederen te moeten voeren of anderszins de gemeente in de pers voor te lichten, in den naam van Hem, die ons zoo uitnemend heeft liefgehad en zich tot den dood heeft vernederd, op aan te dringen, dat zij in hun schrijven zoozeer de broederlijke liefde laten uitschijnen, dat niemand daaraan met reden kan twijfelen; in al hun perswerk blijken ullen geven van biddend onderzoek en grondige studie, met namen ook van het verleden en de waarheid boven alles dienende, in alles de geboden bescheidenheid, teederheid, voorzichtigheid en zelfbeheersching zullen betrachten' (Art.151).

Naar aanleiding van een voorstel van Dr. A.D.R. Polman en Ds. W.H. van der Vegt besloot de Synode voorts: tenminste zeven deputaten te benoemen en hun op te dragen, de opvattingen, die betrekking hadden op de Algemene Genade, Genadeverbond, Onsterfelijkheid der ziel, Pluriformiteit der Kerk, Vereniging van de beide naturen van Christus en het Zelfonderzoek naar haar zakelijke betekenis te onderzoeken en te toetsen aan Schrift en belijdenis en daarover op de volgende Synode te rapporteren en te adviseren (art. 212). (...) 

De Synode van Sneek, 1939, moest tot haar leedwezen constateren, dat er aan de aansporing van haar voorgangster (Art.151) niet was voldaan, ze sprak daarover haar afkeuring uit en richtte zich met een herderlijk schrijven tot de Kerken. Het was een sombere tijd. De brochurereeks 'Dreigende deformatie', van Prof. Hepp, die in 1936 begon te verschijnen, maakte de toestand al niet beter'. 

pp. 339-345:

'Smartelijker dan wat de oorlog over Kerk en School bracht, was in diezelfde tijd de scheuring, die de Kerken en vooral ook haar Theol. Hogeschool teisterde. 'Het leed door den tyran ons aangedaan was voorbijgaand, maar de smart over het schisma, dat zulk een deiepe scheur in onze School en haar kring teweegbracht, vervult onze harten tot op den huidigen dag met verslagenheid en bekommering'. Zo spraken Curatoren in hun rapport van 1946. Terecht mochten zij zo spreken, daar vooral de Theol. Hogeschool het kind van de rekening werd. 

(...)

Van alle kanten werd er, gedurende de zittingen van de voortgezette Synode, op aangedrongen, de 'leergeschillen' niet in behandeling te nemen. Prof. Schilder, aan wie een schrijfverbod (door de Duitse bezetter, R.B.) was opgelegd (dit betrof alleen maar politieke onderwerpen, niet kerkelijke!, R.B.), wilde, dat de Synode voor deze zaak niet zou worden samengeroepen, zolang één lid van de Commissie verhinderd werd iets te laten drukken. Dit argument was niet onbelangrijk, hoewel de kracht ervan teloor gaat door het feit, dat later een 'relaas van Prof. Schilder zelf over de Synodes van Sneek-Utrecht' gepubliceerd werd in: 'Zijn deze dingen alzoo? - En hij zeide ... Hoort toe', van : Prof. Dr. S. Greijdanus (1944) (dit bevestigt wat ik zo juist opmerkte, dat KS wel degelijk over theologische onderwerpen mocht schrijven, R.B.)'. 

De Synode besloot op Maandag 27 Mei 1942 tot behandeling van de meningsverschillen over te gaan. Prof. Greijdanus verklaarde toen, dat hij om der consciëntie wil niet aan die behandeling zou deelnemen (merkwaardig, R.B.). Hij verliet de vergadering. Ook Prof. schilder trok zich terug. (mijn veronderstelling; ze vreesden, dat de synode, met hen erbij, eruit zou komen; ze wilden perse een breuk, R.B.). Een aan beiden gezonden telegrafische oproep bracht hen niet van hun eigenzinnig standpunt af. De Synode ging de zaken in comité behandelen. 

Op Dinsdag 2 Juni 1942 werd opnieuw gepoogd, de weerbarstige Professoren Greijdanus en Schilder tot medewerking te bewegen. Ze werden door de Synode opgeroepen 'ten spoedigste in haar midden te komen en aan de beraadslagingen deel te nemen'. Een Commissie van drie personen zou deze oproep aan de beide Hoogleraren persoonlijk ter hand stellen en bij hen aandringen. Dit is ook geschied, maar zonder resultaat.

Het werk ging inmiddels door. Op Maandag 8 Juni 1942 werden de conclusies over de Algemene Genade, Genadeverbond en zelfonderzoek, de Onsterfelijkheid der ziel en de Vereniging van de beide naturen van Christus met algemene stemmen aanvaard. Over de Pluriformiteit der Kerk werd nog geen uitspraak gedaan. 

Toen de 'voorgeschiedenis' aan de orde zou komen, werd daarvan aan de Professoren Schilder en Vollenhoven (niet Greijdanus?, R.B.) telefonisch mededeling gedaan. Ze antwoordden, dat ze aan de behandeling daarvan geen deel zouden nemen. Op Dinsdag (moet dit niet Donderdag zijn, R.B.) 11 Juni 1942 was de zaak afgedaan. De praeses wees op het grote belang van het verrichte werk, waarbij hij aan deputaten, aan Commissie I en vooral aan Prof. J. Ridderbos dank bracht voor hun veelvuldige arbeid. Diezelfde dag werd besloten een Toelichting bij de genomen besluiten op te stellen. 

In de zitting van 1 September 1942 werd een nieuw strijdpunt naar voren gebracht. Er waren een tweetal brieven van Prof. Schilder en één van Prof. Greijdanus ter tafel, waarin zij de wettigheid van de Synode bestreden'. (niet alleen uit hun wegblijven bij voormelde vergaderingen, maar ook hieruit, nu de Synode er leerinhoudelijk uit is, blijkt wel zeer duidelijk dat het Schilder en Greijdanus er helemaal niet om ging een oplossing van de leergeschillen te vinden, maar om een kerkscheuring te krijgen, R.B.). 

Nadat een Commissie over deze brieven gerapporteerd had, nam de Synode in de zitting van 6 October 1942 het besluit, van beide Hoogleraren de categorische verklaring te eisen, dat zij zich de facto ('de facto' wil zeggen: ook al zijn ze het er niet mee eens; onderbouwd gravamen ertegen kunnen zij bij de volgende synode indienen; zo zit het gereformeerde kerkrecht, waarmee ook zij ingestemd hebben, nu eenmaal in elkaar, R.B.) aan de besluiten van de Synode zouden conformeren en aan de uitvoering ervan meewerken. Deze verklaring is niet gekomen. 

Prof. Schilder, die sinds 11 Juli 1942 was ondergedoken, deelde aan de Synode mee, dat hij de vergadering niet kon bijwonen en dat hij zijn bezwaar tegen het behandelen van punten, die op het agendum der Synode niet voorkwamen, elders zou indienen. Zijn brief werd voor kennisgeving aangenomen. Schilder's bezwaar was vooral gericht tegen de benoeming, op 1 September 1942, van de opvolger van Prof. Greijdanus (Dr. H.N. Ridderbos),welke benoeming volgens hem door de volgende Synode gedaan had moeten worden. In een brief, geschreven 'Op reis, October 1942' maakte Schilder zijn opvattingen kenbaar bij de Kerkeraad van Kampen, die hij verzocht langs 'de kerkelijke weg bezwaren uit te spreken en ook bij de kerken der Classis en der provincie in bespreking te geven, bezwaren tegen de eigenmachtige uitbreiding van hun agendum door de synodeleden van Sneek'. 

Op de vergadering van 24 November 1942 was er weer een brief van de Professoren Greijdanus en Schilder ter tafel, geadresseerd, niet aan de Synode, maar aan de Moderamenleden Ds. Meyster, Ds. Milo. Dr. Hoek en Dr. Kraan. Een Commissie rapporteerde daarover, evenals over de brief aan de Kerkeraad van Kampen. De Synode besloot aan Prof. Greijdanus schriftelijk mee te delen, dat ze uit goede bron vernomen had, dat uit zijn houding de erkenning de facto van de hoogleraarsbenoeming kon worden afgeleid en dat zij daarom, mede met het oog op zijn langdurige staat van dienst, de zaak zou laten rusten, in het vertrouwen, dat zij voorts geen moeilijkheden zou opleveren. Aan Prof. Schilder werd een uitnodiging gezonden tot samenspreking met een Commissie, te houden voor 10 December 1942. Ook zou gesproken worden met de Kerkeraad van Kampen.

Op 27 Januari 1943 moest de Commissie rapporteren, dat Prof. Schilder op de uitnodiging geantwoord had, dat hij daaraan niet kon voldoen. Dit voerde tot het besluit om dan schriftelijk met hem te handelen en hem daarbij onder het oog te brengen, dat zijn brief aan de Kerkeraad van Kampen in strijd was met de eisen van het Kerkverband en door hem behoorde teruggenomen te worden. Ook Prof. Greijdanus ontving in een tweetal brieven bescheid van de synode.

Zo stonden de zaken, toen de voortgezette Synode van Sneek op Donderdag 29 April 1943 gesloten werd. De halsstarrige houding, met name van Prof. Schilder, beloofde weinig goeds. Hij ontpopte zich steeds meer als een doordrijver van zijn eigenzinnig en onjuist standpunt (hij lijkt mij dan ook, zoals gezegd, een autist, R.B.).   

Terwijl de oorlog en de steeds banger wordende bezetting aanvankelijk nog voortduurden, vergaderde met tussenpozen de Synode van Utrecht, van 22 Juni 1943 tot 14 Augustus 1945. Prof. Greijdanus bleek thans bereid, zo nodig, ter vergadering te komen. Prof. Schilder, aanvankelijk nog ondergedoken, deelde mee, dat hij niet aanwezig kon zijn. 

(...)

De strijd begon scherper vormen aan te nemen. Steeds duidelijker bleek, dat Prof. Schilder zich tegenover de Synode stelde. We herinneren hier aan zijn brief aan haar d.d. 13 December 1943, die hij ook aan de Kerken deed toekomen en die in een schrijven van de Synode aan de Kerken, d.d. 25 Februari 1944 bestreden en veroordeeld werd. Van wat Prof. Schilder deed wordt in dat schrijven o.m. gezegd:

'Dit optreden moet zoo scherp mogelijk worden afgekeurd; het is in wezen 'muiterij in kerken', en er zou, indien deze weg ook in de toekomst vrijelijk bewandeld wordt, geen kerkelijk samenleven meer mogelijk zijn'.

Aan het einde lezen we:

'Wanneer een hoogleeraar aan de Hoogeschool der Kerken zich op deze wijze tegenover de synode stelt en zich niet ontziet de kerkeraden tot verzet aan te sporen, mag de synode niet zwijgen en moet zij u wel ten ernstigste waarschuwen tegen het groote gevaar, dat ons kerkelijk leven bedreigt'. 

In haar zitting van 25 Februari 1944 besloot de Synode aan Prof. Schilder een termijn te stellen, eindigende op 9 Maart, des avonds 11 uur, om zijn leedwezen over de deoor hem aangenomen houding uit te spreken en zich alsnog te conformeren aan de besluiten van de Synode van Sneek-Utrecht. Hem werden deze vijf vragen voorgelegd:

1. Of gij hartelijk leedwezen uitspreekt over de door u aangenomen houding tegenover de Synode?

2. Of gij u conformeert aan de besluiten van de Synode Sneek-Utrecht in haar voortgezette zittingen sedert September 1942 genomen?

3. Of gij erkent, dat uw adviezen, aan de kerk van Kampen in uw schrijven van October 1942 gegeven, hadden moeten zijn nagelaten?

4. Of gij belooft, niets te zullen leren, wat met de leeruitspraken van de Synode van Sneek-Utrecht niet tenvolle in overeenstemming is?

5. Of gij belooft, dat gij op geenerlei wijze tegen die leeruitspraken in de kerken actie zult voeren?

Kort daarop kwamen twee brieven van Prof. Schilder bij de Synode binnen. De eerste was gedateerd 8 Maart en de tweede 9 Maart 1944. De eerste bevatte het verzoek om gelegenheid tot schriftelijk verweer. De tweede hield een antwoord in op bovenvermelde vragen. Op elk daarvan werd door Prof. Schilder breedvoerig ingegaan, waarna hij dan telkens liet volgen: 'Op grond van deze en andere overwegingen is mijn antwoord op de gestelde vraag: neen'.

Een door drie deputaten met hem gehouden samenspreking bracht geen verandering in zijn houding. Als gevolg hiervan kwam het op 23 Maart 1944 tot zijn schorsing als Hoogleraar en emeritus-predikant, zulks op grond van de zonde van scheurmaking. (Acta Synode Utrecht, 1943-1945,art. 392).

Dit was de eerste maal in de geschiedenis van de Theol. Hogeschool, dat de tuchtmaatregel van schorsing op een Hoogleraar moest (cursief R.B.) worden toegepast. Het is begrijpelijk, dat hierdoor ontroering en beroering in de Kerken ontstond. De reactie was verschillend: sommigen, zoals vooral Prof. Greijdanus, stelden zich aan de zijde van Prof. Schilder, anderen aan die van de Synode.

Van meer dan één kant werd gepoogd de geschorste Hoogleraar tot andere gedachten te brengen. De Curatoren hielden op 31 Maart 1944 een buitengewone vergadering, waarin zij besloten een broederlijk schrijven tot Prof. Schilder te richten. De predikanten H.de Moor, te Boskoop en J. Weggemans, te Leiden, deden eveneens pogingen om hem te behouden, doordat ze op 4 April 1944 aan alle predikanten een aan Prof. Schilder te zenden schrijven verzonden met het verzoek om adhaesie.

De Synode zelf liet zich al evenmin onbetuigd. Ze gaf op 1 Juni 1944 haar Moderamen opdracht om een samenspreking met Prof. Schilder te houden. Drie weken na dit besluit tot samenspreking bleek uit de voorlezing van de met Schilder gevoerde correspondentie, dat deze 'om redenen, voor hemzelf en anderen dwingende' geen samenspreking kon arrangeren. De Synode besloot toen - het was 22 Juni 1944 - de schorsing met een maand te verlengen, en het Moderamen op te dragen nogmaals een woord van ernstig vermaan tot Prof. Schilder te richten.

Het is toen toch nog tot een samenspreking gekomen, op 30 Juni 1944. Aan het begin van de bijeenkomst waren van de kant van Schilder drie getuigen en een stenografe aanwezig! De deputaten van de Synode brachten terecht daartegen ernstige bezwaren in, waarna deze vier zijn vertrokken. Prof. schilder bleef ik de samenspreking op zijn eigenzinnig standpunt staan: toenadering zou slechts mogelijk zijn als de schorsing werd opgeheven.

(...)

Vele verzoeken om opheffing van de schorsing van Prof. Schilder werden door de Synode gemotiveerd afgewezen. Er verschenen, vooral van de zijde der 'bezwaarden', allerlei brochures en vlugschriften, waarvan enige zeer beledigend waren voor de Synode. Iemand schreef aan de Synode: 'dat niet de Heilige Geest, Die in de waarheid leidt, maar 'de overste dezer wereld' Uw onzichtbare voorzitter is geweest. Hebt Gij zijn verschijning achter de Voorzitterstafel misschien niet of te laat bemerkt?'. Prof. Greijdanus vergeleek de Synode met het Joodse Sanhedrin. 

Het werd nu een snelle afloop als der wateren. In een Synodale brief aan de Kerken, 10 Juni1944, was ook Prof. Greijdanus, op grond van zijn schriftelijke actie, in staat van beschuldiging gesteld. Op Dinsdag 1 Augustus 1944 ging de Synode ertoe over, hem te schorsen als emeritus-Hoogleraar en als emeritus-predikant (Art. 518). Een diep-tragisch gebeuren.

Op Donderdag 3 Augustus 1944 werd verder over Prof. Schilder gehandeld. De Synode besloot 'prof. dr. K. Schilder ontslag te verleenen als hoogleeraar aan de Theologische Hoogeschool en voorts op grond van art. LXXIX en LXXX K.O. hem te ontzetten uit zijn ambtelijke bediening als emeritus-dienaar des Woords van de gereformeerde kerk van Rotterdam-Delfshaven'. (Art. 526). Het pleit was beslecht. Prof. Schilder had opgehouden Hoogleraar te zijn aan de Theol. Hogeschool te Kampen.

Acht dagen later, op 11 Augustus 1944, had de vergadering van 'overtuigd bezwaarden' plaats te 's-Gravenhage. De tot nu toe ondergedoken Prof. Schilder was daar zelf tegenwoordig en las er de zgn. 'Acte van Vrijmaking en Wederkeer' voor, die door de vergadering werd aanvaard. Prof. Dr. J. Ridderbos concludeerde t.a.v. die Acte: 'Ik vind de 'Acte van vrijmaking of wederkeer' een vreeselijk stuk'. (Kerkscheuring, blz. 30). Dat is het ook en Prof. Schilder heeft heel wat durven bestaan!

De scheuring in onze Kerken was thans een voldongen feit'.      

       

       

 

    

 

        

        

 

 

Maak jouw eigen website met JouwWeb