Dr. F. W. Grosheide
Leerverschillen in de Gereformeerde Kerken
Amsterdam - S. J. P. Bakker
juli 1941
Hierna volgt een selectie van mij (R.B.) van gedeelten uit bovenstaande brochure. In vet staat mijn eventuele commentaar.
pp. 3-4:
Inleiding
'De Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland, gehouden te Amsterdam in 1936, nam in haar zitting van 23 September, blijkens Art.212 van haar Acta, het volgende besluit:
De Synode,
gelet op het feit, dat er in onze Kerken opvattingen worden voorgedragen, welke van de tot nu toe gangbare leeringen afwijken,
en dat eenerzijds de voorstanders dezer opvattingen verzekeren, dat ze geheel conform (dat is overeenkomstig, F.W.G.) Schrift en belijdenis zijn, terwijl anderzijds door menigeen in onze Kerken de vraag is gesteld, of deze opvattingen wel in overeenstemming zijn met Schrift en belijdenis;
van oordeel, dat zulk een onzekerheid niet mag worden bestendigd;
besluit:
(...)
2 deze deputaten op te dragen:
a de bedoelde opvattingen, welke betrekking hebben op de onderwerpen (in alphabetische orde): Algemeene Genade, Genadeverbond, Onsterfelijkheid der ziel, Pluriformiteit der Kerk, Vereeniging van de beide naturen van Christus, Zelfonderzoek, naar haar zakelijke beteekenis te onderzoeken en te toetsen aan Schrift en belijdenis;
b daarvan op de volgende Synode rapport uit te brengen'.
De volgende Synode was die van Sneek-Utrecht in 1941. Die heeft de zaak nog niet kunnen afhandelen, ten dele t.g.v. de zeer buitengewone oorlogsomstandigheden.
pp. 6-7:
'het (...) verdient (aanbeveling) van leerverschillen of leergeschillen te spreken. (...) Want de
stukken, die de Synode heeft opgenoemd, behooren tot de leer, zij worden in de belijdenisgeschriften genoemd of althans ondersteld. (...) dat alles betreft toch de leer onzer Kerken en niet meeningen of opvattingen van dezen of genen. Daarom geven we er de voorkeur aan het woord leerverschil te gebruiken.'
Helaas wordt soms de twist ons opgedrongen. Zoals in dit geval van de kerkscheuring van 1944. En eerder, in 1926, door ds. Geelkerken. De kerk hier op aarde in deze bedeling is helaas een strijdende kerk.
pp. 9-12:
Twist in de kerk?
'De apostel Paulus heeft in zijn eersten brief aan de Kerk te Korinthe een merkwaardig woord geschreven. Ge vindt het in hoofdstuk 11 vers 19: Want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar worden onder u'.
(...) In de nieuwe vertaling (...) lezen we: Want scheuringen moeten er wel onder u zijn, zal het blijken, wie onder u den toets kunnen doorstaan. (...)
Paulus (...) zegt: (...) Scheuring, in den zin van verschil van meening, mag, moet er in de gemeente zijn, dat komt aan haar welstand ten goede. Dan leert men zien, wie de besten zijn. Maar dit verschil van meening mag nooit leiden tot, gepaard gaan met de ongerechtigheden, waarover ik u bestraf.
Deze dingen zijn voor ons onderwerp van zeer veel belang. (...)
we zijn (...) zondige menschen. Wij zijn van nature verduisterd in het verstand en daardoor zien we de dingen verkeerd (...) soms ook opzettelijk, om eigen meening in de Schrift te vinden, om anderen te bestrijden en onszelf naar voren te brengen. (...) Daarom is noodig, dat we (...) samen de waarheid zoeken, de waarheid vinden en belijden (...) dat eischt onderlinge bespreking, verdeeldheid, scheuring zoo men wil.
De gemeente des Heeren is één in Christus haar Hoofd. Ze is één in de belijdenis, dat Jezus Christus is de Zoon van God, onze Heiland en Zaligmaker. Zij staat als vaste eenheid tegenover een wereld, die in het booze ligt en die Christus niet kent. Ze is vrij van de wereld, ze is de schare der verlosten, die haar burgerschap in de hemelen heeft. Maar dat alles beteekent niet eenvormigheid. Er mag, er moet verschil van meening zijn. Dat is zelfs, als we later zullen zien, tot eer van God, tot heil van Zijn kerk. Mits slechts de broederlijke liefde bewaard blijve! (nou, aan die broederlijke liefde heeft het eenzijdig bij K. Schilder c.s. ontbroken. Eenzijdig!). (...) Laat er verscheidenheid, verschil van meening, afwisseling zijn in de Kerk. Het is naar het Woord Gods, zoolang we slechts samen avondmaal kunnen vieren'.
pp. 13-17:
De leer der Kerk
'Niemand kan ontkennen, dat er waarheid zit in wat we hier schreven. Maar evenmin kan iemand ontkennen, dat we hier slechts één zijde zien. Er is ook een andere. En die is, dat verwaarlozing van de leer tot steeds erger dwaling leidt. Want er is een kracht der dwaling (vet R.B.). Eerst gaat het om een vrij onbeteekenend lijkend punt. Maar al spoedig worden er gevolgtrekkingen uit gemaakt. En dan loopt het van kwaad tot erger. Want op den duur gaat de verkeerde leer ook invloed oefenen op het leven. En (...) de zonde treedt aan den dag. (...) Wij pleiten (...) voor een zuivere leer (...) omdat ons zoo door Christus is geboden. Heel belangrijk is, wat er gebeurd is in de deelen van Caesarea Filippi, gelijk ons dat beschreven wordt in Matth. 16. Daar wordt (...) door onzen Heiland de Kerk van de nieuwe bedeeling, de Christelijke Kerk, gesticht. (...)
Nu is voor ons doel van beteekenis om te zien, hoe deze stichting der Christelijke Kerk door Jezus is opgezet. Jezus vraagt: Wie zeggen de menschen, dat Ik, de Zoon des menschen, ben? (...) En Simon Petrus antwoordende, zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. En Jezus antwoordende zeide tot hem: Zalig zijt gij, Simon, bar Jona, want vleesch en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is. En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus en op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.
Dit Schriftwoord is voor ons onderwerp van zeer veel beteekenis. Laten wij het in het kort aldus mogen samenvatten: Onze Heiland verklaart, dat Hij Zijn gemeente, Zijn Kerk bouwen wil op de belijdenis, dat Hij is de Christus, de Zoon des levenden Gods.
De Kerk rust op een belijdenis, een bepaalde, welomschreven belijdenis, moet daarop rusten naar den wil van Christus. Daarom mag de belijdenis ons niet onverschillig zijn. Er moet een belijdenis zijn en zij moet in eere worden gehouden. Maar wie belijdenis zegt, zegt leer. Eigenlijk is er tusschen die beide geen verschil. De belijdenis geeft de leer der Kerk.
Het is goed dit nog even nader toe te lichten.
Van Jezus en Zijn apostelen lezen we voortdurend in het Nieuwe Testament, dat zij de schare leerden, onderricht gaven. Heel de prediking wil ook leer, onderricht zijn. Daarmede geeft de Schrift te kennen, dat den menschen een bepaalde geloofsinhoud werd bijgebracht. Het was niet onverschillig, wat de menschen geloofden. Integendeel, ze hadden datgene en alleen datgene te aanvaarden, wat hun door Jezus en Zijn zendboden werd bijgebracht, de leer van Jezus.
Wanneer nu de Kerk antwoord geeft op die prediking, komt ze tot belijden. Zij verklaart inderdaad te aanvaarden, wat zij heeft gehoord. Het aanvaarden moet leiden tot belijden. (...)
Wanneer Jezus Christus Zijn Kerk bouwt op de belijdenis, dat Hij is de Messias, de Zoon van God, heeft de gemeente dat uit te spreken, dat voor haar deel te belijden. Daardoor spreekt ze uit gemeente van Christus te zijn. Ze ziet zoo haar eigen plaats in het leven der menschen en scheidt zich af van een wereld, die Jezus verwerpt.
Zoo is de belijdenis, de leer der Kerk, in de eerste plaats, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God. Maar daartoe kan de leer niet beperkt blijven. Ook dat zien we reeds in het Nieuwe Testament. Er komt allerlei dwaling op in de Kerk. Hoe hebben de apostelen in hun brieven tegen de dwaalleer gewaarschuwd! En hoe deden ze daarbij dan uitkomen, dat zulk een dwaalleer een vreeselijke zonde was voor God! Zoo dringen ze aan op zuiverheid in het belijden, zuiverheid in de leer.
De dwaalleer lokte echter meer uit dan een waarschuwing. Het was noodzakelijk, dat de Kerk tegenover de dwaling de waarheid handhaafde. En zoo is de belijdenis meer en meer uitgebreid. Waarschijnlijk is het aldus gegaan, dat degenen, die den doop zochten, alvorens zij het sacrament ontvingen, beleden, dat zij geloofden in God den Vader, en in Zijn Zoon Jezus Christus, en in den Heiligen Geest. Reeds die belijdenis was breeder, dan hetgeen Jezus tot Petrus sprak en keerde zich tegen de ketterij. Maar alras bleek ook het enkel belijden van de doopsformule niet voldoende: nieuw ingekomen dwalingen moesten worden afgewezen. Zoo is uit de doopsformule het zoogenaamde apostolische symbool of de twaalf artikelen des geloofs ontstaan.
En later heeft die belijdenis zich al meer uitgebreid en moeten uitbreiden. In de dagen der Hervorming en betrekkelijk kort daarna zijn de belijdenisschriften der Gereformeerde Kerken in Nederland ontstaan, de 37 Artikelen, de Heidelbergsche Catechismus en de artikelen tegen de Remonstranten. (...)
In deze belijdenisgeschriften vinden we nu de leer der Kerk. De leer, die de Kerk trouw moet bewaren en die ze verdedigen moet tegen nieuwe of oude dwalingen'.
Het karakter van de leer
pp. 17-20:
'Om het leerverschil te verstaan, om te zien, wanneer het ongeoorloofd is en wanneer het moet bestaan naar 1 kor. 11:19,is het noodzakelijk eerst nog nader in te gaan op het karakter, dat de leer der Kerk draagt.
Hoe komt de Kerk aan haar leer? Het is niet moeilijk die vraag te beantwoorden. De Kerk ontleent haar leer aan de Schrift en alleen aan de Schrift. (...)
De leer, de belijdenis is ten slotte mensenwerk. (...) En menschen, hoe uitnemend ook, blijven altijd beperkt, zondig. Dat is door de Gereformeerden op verschillende wijzen uitgedrukt. Men zeide bv.: de Heilige Schrift is als Gods woord onfeilbaar, zij kan niet feilen, hier is van vergissing of dwaling geen sprake; de belijdenisschriften daarentegen zijn slechts feilloos, dat wil zeggen, wij kunnen er geen fouten, geen vergissingen in vinden, maar daarom kunnen er nog wel in zijn en blijft het mogelijk, dat een later geslacht ze weet aan te wijzen. En dan zal de Kerk de belijdenisschriften tenslotte moeten veranderen, maar aan Gods Woord mag men nooit of te nimmer raken. (...) de belijdenis is steeds appellabel aan de Schrift. (...) aan de leer der Kerk, zelfs aan haar belijdenisschriften, (mag) nooit Goddelijk gezag, nooit het gezag dat dee Schrift heeft, (...) worden toegekend. (...) We ontleenen de leer der Kerk aan de Schrift. De Kerk stelt in haar kerkelijke vergaderingen haar belijdenis vast. Zij doet dat niet dan na ernstig, grondig onderzoek. Meestal gaat het op de volgende wijze. Er wordt een nieuw gevoelen geuit in het midden van de Kerk. Er zijn er, die zich daartegen te weer stellen en die er in slagen om aan te toonen, dat dit nieuwe gevoelen niet in overeenstemming is met het Woord van God. In denzelfden tijd of daarna komt de zaak op de kerkelijke vergaderingen. Die behandelen het punt, ze maken daarbij gebruik van wat er reeds over is ten beste gegeven en ze nemen de beste godgeleerden in den arm om de zaak te onderzoeken en indien noodig nieuwe verklaringen onder woorden te brengen. Het staat dus in den regel zóó, dat het opkomen van de dwaling de Kerk dwingt tot nieuw belijden, tot het uitbreiden van de leer'. (dit hele proces heeft ook plaatsgevonden tussen 1905 en 1942, m.n. in de jaren dertig; gezien het hier en daar ontstane nieuwe gevoelen, waarvan werd aangetoond dat dit de grenzen van Schrift en belijdenis overschreed!, moest de synode in 1942 iets, wat in 1905 nog onbepaald was gelaten, nader bepalen. Ze deed dit dus niet uit zichzelf, maar werd hiertoe gedwongen door die reformatorische absolutistische beweging der 'nadere reformatie', waartegen V. Hepp ook zijn brochurereeks richtte; het is goed om te beseffen dat de synode niet zomaar vanuit het niets kwam met de Toelichting op de Leeruitspraak van 1905 en daarna met het Prae-advies en met de bindend-verklaring. Er werd trouwens in 1905 uitdrukkelijk verklaard, dat met die leeruitspraak niet het laatste woord was gezegd, maar dat er altijd ruimte moest blijven voor ontwikkeling, voor voortgaande reformatie. Dus dat in 1942 de synode kwam, hiertoe geëntameerd door de absolutisten van de jaren dertig, met de Toelichting op de leeruitspraken van 1905 en met het Prae-advies, was allerminst strijdig met het gevoelen van de synodeleden in 1905!).
Het ontstaan van leerverschillen
pp. 25-31:
'Als nieuwe theorieën (lees: Darwins evolutietheorie, R.B.) opgang maken, dan hebben ze ook invloed op de leden der gemeente van Jezus Christus. (...)
We spraken van nieuwe theorieën. Waar komen die vandaan? Heel vaak van het ongeloof. Zeker, er is ook een gezonde ontwikkeling in de Kerk des Heeren, maar die plaatst zich steeds op den grondslag van het woord Gods en sluit zich daarom steeds bij het in de Kerk bestaande aan, omdat dit ook Gods Woord tot richtsnoer koos. Buiten de Kerk is het anders. Daar komt de mensch met nieuwe gedachten zonder met de Schrift te rekenen. (...)
Het natuur-onderzoek heeft, naar meer dan één oordeelt, geleerd, dat veel, dat in de Schrift staat, onmogelijk juist kan zijn. De Schrift zelf moet gezien worden, naar anderen oordeelen, als de boeken der oude volken en heeft geen Goddelijk gezag (...) In het algemeen kunnen we zeggen, dat tengevolge van de feiten, die we zoo juist noemden, niet het leerverschil, maar de dwaling ontstaat. Het is goed het onderscheid tussen die twee in het oog te houden. Wanneer we niet uitgaan van de Schrift, wanneer we het menschelijke binnen de Kerk laten en dat invloed laten oefenen in de Kerk, laten heerschen over de Schrift of stellen tegenover de Schrift, ontstaat de dwaling, de ketterij. Dan komt er afwijking van de belijdenis. (...) De dwaling kan alleen maar veroordeeld worden. Hier geldt: er is geen gemeenschap tusschen Christus en Belial. Van verzoening kan geen sprake zijn.
We beschrijven nu een derden toestand, ook een toestand van leven en beweging, doch van goede beweging. (...)
En we mogen met dank met dank aan God zeggen, dat de Heere de Nederlandsche Gereformeerde Kerken in de laatste periode dezen weg heeft doen gaan. (...) Maar wat geschiedt er nu? Door al dien arbeid ontstaat zeer gemakkelijk het leerverschil. Hier spreken we niet van dwaling, al merken we nu reeds op, dat het leerverschil kan blijken te leiden tot afwijking van de leer en dus tot dwaling. (...) Door het voortgaande onderzoek kan (...) blijken, dat het gewenscht is de belijdenis uit te breiden. Dat zal vooral dan het geval zijn, als nieuwe dwalingen zijn opgekomen, die misschien wel in kiem, maar niet met zoovele woorden door de bestaande belijdenis worden veroordeeld. Wanneer zulke dwalingen ook ingang vinden in de gemeente of wanneer ze van zeer verre strekking zijn, kan het noodig zijn, dat de Kerker zich met nadruk over uitspreekt en ook daartoe kan het nieuwe onderzoek in staat stellen.
Wij stellen uitdrukkelijk vast, dat het opkomen van leerverschillen op de zoo juist beschreven wijze, dus verschillen, die ontstaan, doordat de één vooruit wil, de ander meent bij het oude te moeten blijven of althans te kunnen blijven, uitgaat van goede trouw. Er is geen sprake van ondermijning van de belijdenis, van het naar voren brengen van afwijkende gevoelens, laat staan van terzijde schuiven van het gezag van Gods Woord, er is goede trouw. De mannen van het nieuwe (dat zijn dus de absolutisten van de jaren dertig, zoals K. Schilder en A.Janse,R.B.) willen vooruit en ze meenen vooruit te kunnen. (...) Toch, (...) Is het bij de leer reeds zóó, dat (...) menschelijke beperktheid, ook menschelijke zonde zich laat gelden, nog veel meer is dit het geval, wanneer nieuwe meeningen naast de gangbare worden geplaatst. (...) Dat is zelfs het geval, wanneer het nieuwe gevoelen niet van de belijdenis afgaat, maar als het zich keert tegen een gangbare meening. Waarom is zulk een meening gangbaar geworden? Omdat ze bij velen ingang vond, omdat men in de Kerk, zij het dan niet officieel, toch officieus oordeelde, dat het zoo het meest in overeenstemming was met de Schrift. Achter dat gangbaar kan misverstand schuilen, er staat in elk geval achter het werk van geslachten en daarmede hebben we te rekenen. Dat mag maar niet in een handomdraaien op zij worden geworpen. Ook hier is eerbied voor het bestaande eisch en afwijking daarvan slechts op zeer deugdelijke gronden geoorloofd.
En nu hebben we ten slotte nog over een bepaalden vorm van leerverschil te spreken. Die is deze, men is het allen eens over de belijdenis, doch men vat de woorden niet allen op in denzelfden zin. (...) Dat kweekt eerst misverstand, het doet daarna het leerverschil ontstaan. Twee of meer partijen beroepen zich op de belijdenis der Kerk, doch ieder leest haar anders, vandaar het verschil. In het algemeen kan men wel zeggen, dat men de belijdenis lezen moet, zooals het de bedoeling der opstellers is geweest te lezen. (...) Dan moet men beginnen met ze zóó te nemen. En het is een afwijking, als men ze neemt in een anderen zin, dan waarin ze oorspronkelijk waren bedoeld. Erger is het, als men wel weet, dat men afwijkt van de oorspronkelijke bedoeling, doch meent, dat eigen gevoelen nog juist met de woorden van de belijdenis in overeenstemming is te brengen. Dan is er feitelijk een bewust afwijken en dat niet willen erkennen. Ja het komt voor, dat de beteekenis van een op zichzelf niet veranderde uitspraak der belijdenis een andere is geworden, dan ze oorspronkelijk was. (...)
We hebben hier verschillende gevallen genoemd, die alle laten zien, dat in de Kerk gemakkelijk een leerverschil kan ontstaan, ja, we durven wel te zeggen, dat het moet ontstaan, wanneer er ernstig wordt geleefd en onderzocht'.
De behandeling van leergeschillen
pp. 31-39:
'Een leergeschil kan niet blijven bestaan.(...) En we denken hier niet alleen, aan (...) dwaling, afwijking (...) maar ook aan de geschillen, die ontstaan tusschen hen, die zich beiden met eerlijke overtuiging gronden op de Schrift. Ook een dergelijk geschil kan op den duur niet zonder schade voor de Kerk onopgelost blijven. (...) Wie het leergeschil laat bestaan, opent den weg naar leervrijheid en leervrijheid tast het wezen aan van een Kerk, die naar Christus' woord rust op de belijdenis, dat Hij is de Christus, de Zoon des levenden Gods. (...) hoe moet het leergeschil worden behandeld en opgelost? (...)
Het kan zijn, dat er in de Kerk verschil ontstaat, omdat een of meer van haar leden niet onduidelijk afwijken van de belijdenis. (...) Wanneer de ambtsdragers een afwijking van de bestaande belijdenis opmerken, hebben ze daartegen op te treden en de kerkelijke vergaderingen hebben leertucht te oefenen. Zulks op de algemeen bekende wijze, waarop in een Gereformeerde Kerk naar Schrijft, belijdenis en kerkorde tucht wordt geoefend. Er moet worden vermaand en ten slotte moet, als alle vermaan vruchteloos is gebleken, de Christelijke ban worden uitgesproken.
Een ander geval doet zich voor, indien een lid der Kerk zelf tot het inzicht komt, dat hij het niet langer eens is met de leer der Kerk of dat hij bezwaar heeft tegen bepaalde uitdrukkingen in de belijdenisschriften. In dat geval is hij geroepen zijn bezwaren kenbaar te maken bij de kerkelijke vergaderingen. Hij mag zijn meening in de Kerk niet voordragen, totdat de kerkelijke vergaderingen hebben gesproken en hij heeft zich bij haar oordeel neer te leggen of, als hij dat om des gewetens wille niet doen kan, de Kerk te verlaten.
Maar we hebben nu bepaald het oog op het eigenlijke leergeschil, dat deze brochure wil behandelen, het geschil dus, dat ontstaat, omdat bepaalde broeders met de beste bedoelingen, naar hun beste weten op grond van Gods Woord, meeningen voordragen, die afwijken van de gangbare of een uitlegging geven aan woorden in de belijdenisschriften, die afwijkt van de tot dusver heerschende, en dat andere broeders zich daartegen verzetten en het pleit opnemen voor de juistheid van het bestaande. (...)
Maar het kan ook zijn, dat het stormen gaat in de Kerken, dat men elkander fel bestrijdt, dat zich groepen, zooal niet partijen gaan vormen in de Kerk. Zulk een toestand hebben we in de Gereformeerde Kerken beleefd in de dagen, die vooraf gingen aan de Synode van Utrecht 1905. En God heeft ons toen den grooten zegen geschonken, dat de broeders elkander op de Synode van Utrecht hebben gevonden, dat ze het eens geworden zijn, en dat de rust in de Kerken is weergekeerd. Wat toen geschied is, laat zien, hoe de zaken moeten verloopen. De geschillen waren destijds zoo ernstig, dat de Synode er zich wel mee bezig moest houden en er is een oplossing gevonden. (...)
een kenmerk (...) waaraan te onderkennen is, of het tijd is, dat de kerkelijke vergaderingen zich met de kwesties moeten bezig houden (...) het wordt tijd om op te treden en in te grijpen, als men elkander beschuldigen gaat van afwijking van de belijdenis. (...)
alleen de Kerk (heeft) het recht te verklaren, dat iemand van de belijdenis afwijkt.
Want de belijdenis is niet het eigendom van particuliere personen, maar het eigendom van de Kerk en de kerk heeft te waken voor de handhaving. Zoolang een particulier persoon verklaart, dat ik van de belijdenis afwijk, behoef ik mij dat niet aan te trekken, al zal het goed zijn, dat ik nauwkeurig naga, of de beschuldiging juist is. (...)
Immers, wat is het geval. Er is een leergeschil ontstaan, doordat bepaalde broeders met een nieuwe meening zijn gekomen of met een nieuwe uitlegging der belijdenis, en anderen daartegenover vasthouden aan het oude. Er wordt over de zaken geschreven en gesproken. Toetssteen is in de eerste plaats het Woord Gods, daarnaast de belijdenis. Het is dus goed, dat zoowel de oude als de nieuwe meening daaraan worden getoetst. En dan is het niet erg, dat men elkander tracht aan te toonen, dat dit of dat gevoelen afwijkt van Schrift of belijdenis. Vooral is het van beteekenis, als wordt duidelijk gemaakt, dat een meening wel schoon lijkt, maar dat wat er uit voortvloeit niet voor de maatstaf der belijdenis kan bestaan. Het is goed, als van een gevoelen in het licht wordt gesteld, dat het, wel bezien, overeenkomt met een oude dwaling, die reeds vroeger door de Kerk werd afgewezen. Juist door zulke betoogen gaan de oogen open en leert men de beteekenis en de strekking zoowel van het oude als het nieuwe beter verstaan. Wel moeten we er met allen nadruk op wijzen, dat zulk betoogen moet geschieden in alle broederlijke liefde (daar is de botte, autistische Schilder zwaar in tekort geschoten! Wat voor mij al functioneert als een bewijs, dat hij dwaalde. Hij was qua botheid zijn tijd ver vooruit; R.B.). Het mag niet gaan om elkander hakken te zetten of vliegen af te vangen, laat staan om den ander verdacht te maken bij het volk en zelf de mooie man te worden, het moet zijn om te overtuigen, om te zoeken naar de waarheid, om het belang te dienen van Christus' Kerk. Geschiedt het zóó, dan is het niet erg, als ook in het licht gesteld wordt, dat er afwijking van de belijdenis is of licht kan komen.
Wanneer nu echter, niet eens een enkele maal, maar vrij geregeld beweerd wordt, dat een gevoelen, het moge dan een oud of een nieuw zijn, in strijd brengt met wat eenmaal door de Kerk is beleden, is het tijd, dat de kerkelijke vergaderingen zich met de zaken gaan bezig houden. Want in een belijdende Kerk mag het niet voorkomen, dat de een den ander beschuldigt of verdenkt van ontrouw aan de belijdenis.
Hoe moeten de kerkelijke vergaderingen dan handelen? Nadat ze hebben vastgesteld, dat er leergeschillen bestaan, moeten ze maatregelen nemen, die leiden kunnen tot het doen van een uitspraak. Natuurlijk kan dat slechts na zeer ernstige voorbereiding. Meestal zal het noodig zijn, dat er bekwame theologen worden aangewezen om de zaak in den breede te onderzoeken en te komen met voorstellen. Over die voorstellen kan dan later worden beslist, dat wil zeggen, ze kunnen worden verworpen of al dan niet gewijzigd worden aangenomen. En daarmede is de zaak beslist. Niet alsof er niet op zou mogen worden teruggekomen, want ook hier geldt, dat geen menschenwerk volmaakt is en dat later altijd fouten aan den dag kunnen komen. Maar dan tóch wel in dien zin, dat voor deze periode (vet R.B.) de leer der Kerk is vastgesteld en dat nu voortraan zoo en niet anders in de Kerk mag worden geleerd. (dit is wel zo enorm belangrijk om te beseffen; men is slechts tot gehoorzaamheid gehouden tot de volgende synode; die voorwaarde is natuurlijk ook iedere bezwaarde bekend nog voordat hun gevoelen ter synode besproken wordt!; ze stemden ermee in; dan moeten ze zich dan ook aan de spelregels houden: als je 'je zin niet krijgt'; wacht slechts tot de volgende synode (of treedt eruit, vanwege je gewetensbezwaren)); is dat zelfs teveel gevraagd? Is de eenheid van het kerkverband je zó weinig waard?; ja dus, zo bleek helaas; R.B.) Het zal soms voldoende zijn een kortere of langere verklaring te geven, een andermaal om iets in de bestaande belijdenisschriften te wijzigen of te verduidelijken, een enkele maal om een nieuw belijdenisschrift op te stellen. Dat hangt van de omstandigheden af en bepaald ook van den ernst van het geval. In een Kerk, die bij de belijdenis leeft en waarin alle leden hartelijk begeeren de waarheid, ons in de Schrift geopenbaard, te handhaven, zal doorgaans met een enkele verklaring kunnen worden volstaan.
Het spreekt wel vanzelf, dat een arbeid als waarvan we spraken ter oplossing van een leergeschil, geschieden moet door en vanwege de Generale synode. De leer is een zaak, die alle Kerken raakt. De mindere vergaderingen kunnen daar niet over handelen. De belijdenis is door een Generale Synode vastgesteld, wordt ten slotte door haar gehandhaafd en kan ook alleen door haar worden aangevuld of gewijzigd. Het is ook niet wenschelijk, dat andere kerkelijke vergaderingen er zich mede bezig houden. Want dan loopt men licht gevaar, dat er allerlei voorloopige en verschillende verklaringen worden gedaan, die toch later weer moeten worden teruggenomen. (dus het is wel duidelijk, dat er geen sprake mag zijn van de eis tot rectificatie door elke plaatselijke gemeente van besluiten die genomen zijn op een generale synode, wat weg heeft van het independentistische kerkmodel, zoals ook K. Schilder ook wilde, R.B.).
(...)
De Generale Synode heeft vastgesteld, dat er leergeschillen zijn en heeft besloten, dat ze in behandeling zouden worden genomen. Al schiet die behandeling niet zoo snel op, als we wel zouden wenschen, er is behandeling en we wachten met vertrouwen den uitslag daarvan af'.
De huidige leergeschillen
Het is goed om te weten, dat het genadeverbond in relatie tot de kinderdoop niet het enige leerstuk was, waarmede de bezwaarden zijn gekomen. De andere zijn de algemene genade, de pluriformiteit der Kerk, de leer van de twee naturen van Christus en het zelfonderzoek. Al speelden die (behalve zijdelings het zelfonderzoek) geen rol bij de 'vrijmaking', ik noem ze toch om aan te geven, dat de 'vrijgemaakten', die zichzelf zo graag als de ware gereformeerden afficheren, die benaming op hoogst twijfelachtige gronden voerden. Niet geloven in de realiteit der algemene genade bv. vind ik werkelijk ABSURD voor een werkelijk gereformeerde!
pp. 49-51:
'Het vraagstuk van verbond en verkiezing kunnen wij menschen niet zóó oplossen, dat ons verstand er ten volle door bevredigd wordt, het is een stuk van ons geloof alles te aanvaarden, wat de Heere ons in dit opzicht openbaart. (...) God (...) heeft ons iets kenbaar gemaakt van Zijn Raad, maar die Raad is voor ons ondoorgrondelijk. Van begrijpen kan geen sprake zijn. Het eenige, wat we kunnen doen is de beide zijden der zaak, die ons in de Schrijft worden geopenbaard, laten staan en ze beide aanvaarden in het geloof (vet R.B.). En dat we dat doen in de lijn, die de Schrijft aangeeft, dat is, dat we uitgaan van het geopenbaarde verbond en de beloften om tenslotte te rusten in de verkiezing (...).
Moet ik twee lijnen in de Schrift aannemen, de lijn der verkiezing en de lijn des verbonds of moet ik van een eenheid spreken en tot een eenheid trachten te komen? Moet ik van de leden der Kerk en hun zaad aannemen, dat ze allen bondelingen zijn en dus deel hebben aan de beloften Gods? En indien ik dat aanneem, in welken zin heb ik dat te doen, zonder meer, voorwaardelijk, op een bepaalde wijze? Wanneer het verbond de genade schenkt, doch wij het verbond kunnen verbreken, hoe staat het dan met den afval der heiligen? Moet ik zeggen, dat het zaad des verbonds voor wedergeboren te houden is, totdat het tegendeel blijkt, of is, nu de beloften Gods in het geding zijn, alle houden voor uit den booze en heb ik te oordelen, dat het zaad des verbonds wedergeboren is? Moet elke gedoopte er van uitgaan, dat hij een bondeling is, een geloovige, of heeft hij zichzelf op dit punt gedurig te onderzoeken?'
Slotbeschouwing
p. 61:
'(...) we (...) (hebben) (ons) af te vragen, of het niet onze zonde is, dat de geschillen al niet lang afgehandeld zijn, of zich dar niet in openbaart een gemis aan broederlijke liefde en een gebrek aan onderling vertrouwen. We vreezen zeer, dat daarvan moet worden gesproken'. (Grosheide schreef dit in juli 1941. Uit het vervolg zou wat mij betreft duidelijk blijken, dat zo goed als geheel dat gebrek aan broederlijke liefde eenzijdig ontbrak aan de 'vrijgemaakte' zijde. Als je toch eens ziet hoe eindeloos geduldig en op verzoening gericht de synode toch te werk ging!)
Maak jouw eigen website met JouwWeb