1) pp. 4-5 (dat er maar één scheppingsverhaal is in Genesis):
'Maar in den laatsten tijd is men teruggekomen van het spreken van twee scheppingsverhalen, en heeft men ingezien dat alleen in Genesis 1 het eigenlijke scheppingsverhaal gegeven wordt. (...) Maar met het tweede en derde hoofdstuk van Genesis is het anders gelegen. (...) Dit (...) is, alhoewel de schepping van den mensch er nader in wordt beschreven en bekend gemaakt, geen scheppingsverhaal in den eigenlijken zin van het woord. Het is de geschiedenis van Adam en Eva in het Paradijs. En het is daarom veel juister, zooals men tegenwoordig doet, onderscheidenlijk van het scheppingsverhaal en van het Paradijsverhaal te spreken, dan van twee scheppingsverhalen, zooals men vroeger deed'.
'Het is God om het scheppen van den mensch te doen, deze is het einde en de kroon van Gods arbeid, en wat te voren geschapen is werd om zijnentwil en tot zijn dienst gemaakt'. Hierbij verwijst Kuyper jr. ook naar artikel 12 der Nederlandse geloofsbelijdenis.
2) p. 6 (over de uniciteit van de mens binnen de schepping):
'De mensch (...) is niet slechts het voornaamste en edelste schepsel, hij is meer dan dat, de kroon van het scheppingswerk Gods. (...) Hij staat niet alleen boven zijn medeschepselen, maar is er op zeer bijzondere wijze van onderscheiden. De mensch heeft van God een bijzondere eere ontvangen, die hem verre verheft boven al het gedierte, ja hem zelfs een plaats geeft boven de engelen. En dat éénige en bijzondere ligt hierin, dat hij geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis.
3) pp. 11-12 (over het onvoorwaardelijke gebod om vruchtbaar te wezen (over gewilde kinderloosheid, bv. teneinde de aarde niet zo te belasten, om de planeet te redden, wordt niet gesproken)):
'Tot man en vrouw, naar Gods beeld en gelijkenis geschapen, zegt God, hen zegenend: weest vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde en onderwerpt haar (Gen. 1:28) (...) Ten overvloede wordt daarbij in den staat der rechtheid het huwelijksgebod geordineerd en daarover de zegen uitgesproken: weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u en vervult de aarde, en onderwerpt haar'.
4) pp. 18-19 (A. Kuyper jr. is de zoveelste gereformeerde voorman die de evolutietheorie/het evolutionisme verwerpt (dit tegen de hedendaagse geschiedvervalsers van theïstisch-evolutionistische snit, die brutaalweg en leugenachtig ons anderszins wijs trachten te maken, door onze gereformeerde voorvaderen voor hun karretje te spannen en zo hun gezag, dat zij in de kringen hunner tegenstanders hebben, te misbruiken)):
'Hoe staat de openbaring van het Woord Gods hierin tegenover wat de wetenschap der wereld leert. Men spreekt daarin zoo gaarne van de ontwikkeling, en zweert bij het machtwoord der Evolutie. Alles wat er op deze aarde is heeft zich, langs lijnen van geleidelijkheid, ontwikkeld van het mindere tot het meerdere. Eerst was er het kleine en nietige, het bijna onzichtbare. Uit microscopisch kleine kiemen hebben zich in een proces van eeuwen ontwikkeld eerst de planten, toen de dieren, en eindelijk uit de dieren de menschvormige apen, tot ten slotte de mensch uit de dierenwereld te voorschijn kwam. Men heeft het niet gezien, het feit is nooit waargenomen, niemand was er getuige van. Heel die theorie berust op een hypothese. Toch wordt het als 'wetenschap' gedoceerd. (...) En tegenover de voorstelling nu, die 'den eersten mensch' ons teekent als een wilde, als een barbaar, als een man zonder eenige beschaving, vol van dierlijk instinct, staat nu de openbaring, die God in Zijn Woord geeft, dat de eerste mensch heerlijk en voortreffelijk is geweest, dat hij niet uit het dier is voortgekomen, maar geschapen uit het stof der aarde, en dat God de Heere Zijn goddelijk beeld in hem heeft afgedrukt'.
5) p. 20 (dit is te stellen contra S. Greydanus' later geschreven 'Wezen van het calvinisme'):
'En in dien heiligen toestand van Adam, het zij met eerbied gezegd, is er voor Christus geen plaats. De openbaring en de verschijning van den Christus Gods heeft altoos plaats in verband met de zonde en om den wille der zonde. Eerst als de val in de zonde heeft plaats gehad, als Adam en Eva doemschuldige zondaars zijn geworden, wordt het gezegend Vrouwenzaad beloofd en heeft de afkondiging van het Verbond der genade plaats. (...) Stel, om het zeer duidelijk uit te drukken en alle misverstand af te snijden, dat Adam niet in zonde gevallen was, dat hij volhard had in den staat der rechtheid, dat hij heilig gebleven ware, dan zou de Christus niet op aarde zijn gekomen. Zijn komst is soteriologisch'.
6) pp. 34-35 (tegen emancipatie van de vrouw, het feminisme, de LHTBQI+-beweging, transvestitisme enz.):
'Op dat anders zijn van de vrouw dan de man dient de volle nadruk te vallen. Er is een revolutionaire beweging gaande, die het onderscheid tusschen man en vrouw wil wegnemen, en de vrouw aan den man gelijk wil maken. Het is een doel, dat nooit bereikt zal worden, omdat de natuur sterker is dan de leer, en het onderscheid tusschen man en vrouw in de schepping zelve gegeven is. Dat neemt niet weg, dat er vanwege de zonde wel afwijkingen van het natuurlijke voorkomen. Er zijn mannen die verwijfd zijn, en er zijn vrouwen die meer manwijven zijn. Maar dat zijn uitzonderingen, en er is een oude waarheid die ons leert, dat uitzonderingen den regel bevestigen. (...) Het beeld Gods is te rijk, dan dat de man het alleen dragen kan; ook daarin heeft hij de hulpe van de vrouw noodig. Man en vrouw zijn een van God gegeven twee-eenheid in de schepping. Zij vullen elkander aan en bestaan elkander als wederhelft. In het één zijn van man en vrouw ligt de volheid van het menschelijk bestaan en schittert de rijkdom van het goddelijk Beeld. (...) Maar man en vrouw saam dragen het volle beeld dat God de Heere van Hem Zelven in het menschelijk wezen en in de menschelijke natuur heeft vastgelegd (...)'.
7) pp. 36-37 (over de waardering van de gereformeerden voor het menselijke lichaam):
'Reeds aanstonds verdient het opmerking, dat de Gereformeerde niet laag op het menschelijk lichaam neerziet, als zijnde van geen of weinig waarde, maar integendeel het eert als een groot kunstwerk Gods in de rij der schepselen, en er prijs op stelt de belijdenis te handhaven, dat hij het tot in eeuwigheid zal bezitten (vet R.B.)'.
8) p. 37 (staat in verband met 7):
'Er is zeer zeker groote verscheidenheid onder al de schepselen in de zichtbare wereld. Het boek der natuur geeft de werken Gods met groote en met kleine letteren te lezen. Daarom is er ook verschil in waardij en beteekenis. Ook naar den goddelijken maatstaf gemeten is het eene schoner en heerlijker dan het andere (vet R.B.). Een fiere leeuw met zijn gouden manen openbaart veel meer van Gods grootheid in de schepping, dan een glibberige slak, die over den aardbodem kruipt'.
9) p. 38 (staat in verband met 7):
'Het is daarom, dat de Gereformeerde Christen niets voelt voor het ideaal van den vromen heiden, om van het lichaam verlost en bevrijd te worden en louter als geest in de eeuwigheid voort te leven. Zijn ideaal is niet van het lichaam verlost te worden, maar dat het lichaam zelf van vloek en ellende verlost en bevrijd wordt, evenals zijn ziel'.
10) pp. 42-43 (staat in verband met 7):
'Het menschelijk lichaam is daarom zoo schoon en heerlijk, een kunstwerk in de schepping Gods, omdat het bezield wordt door den geest des menschen die naar Gods beeld is geschapen, en die op dat lichaam zoo duidelijk het stempel zet. Het lichaam van den mensch deelt in de heerlijkheid van zijne ziel, en de ziel straalt den glans der heerlijkheid van het beeld Gods in het lichaam uit.
Het spreekt van zelf, dat in den staat der rechtheid, in het Paradijs, deze waarheid veel meer zichtbaar was voor het oog dan nu, nu de zonde in de wereld gekomen is, en de vloek, over de aarde uitgesproken, ook het lichaam van den mensch deerlijk trof. Maar de overblijfselen bleven ook hier bewaard, en menig vonkske bleef glinsteren. En dan mag niet vergeten worden dat, gaat eens het rijk der heerlijkheid in, het lichaam, uit het graf verrezen, ten volle in de heerlijkmaking zal deelen, en wonderbaar verheerlijkt, zooveel te rijker orgaan zal zijn om de glanzen van het beeld Gods te doen uitstralen'.
11) p. 43 (tegen de crematie oftewel lijkverbranding):
'En omdat de mensch óók in zijn lichaam het beeld Gods draagt, wordt de Heilige geest uitgestort over alle vleesch en woont Hij in het menschelijk lichaam als in een tempel. Het is daarom dat de apostel zegt: Weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is van den Heiligen Geest die in u is, die gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt? Want gij zijt duur gekocht, zoo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uwen geest, welke Godes zijn. (1 Cor. 6: 19,20).
Zonder hierop dieper in te gaan, willen wij er op wijzen dat de Gereformeerde zeer ernstig bezwaar heeft tegen de lijkverbranding, en dat dit bezwaar steunt niet alleen op het geloof aan de (...) wederopstanding des vleesches, maar ook hierop dat het lichaam van den mensch naar Gods beeld geformeerd is, en daarom het lijk niet mag worden verbrand'.
12) pp. 44-51, zie ook pp. 56-58 en p. 86 (dat de mens na de zondeval het beeld Gods verloren heeft in engere zin, in zijn natuur, die daardoor verdorven is geworden, maar ook het beeld Gods in ruimere zin, in zijn wezen behouden heeft: door de zondeval is de mens niet opgehouden mens, dus beelddrager Gods, te zijn (hier zien wij mooi dat ook Kuyper jr. 'avant la lettre' werkt met het qua belang moeilijk te overschatten, in de wijsbegeerte der wetsidee geformuleerde wijsgerig-kosmologische onderscheid tussen structuur en richting!). In dit verband verwijst Kuyper jr. o.m. naar artikel XIV van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Maar o.a. de Luthersen, en onder hun invloed ook een deel der orthodox gereformeerden, maken dat onderscheid niet):
'De bekende onderscheiding tusschen het beeld Gods in engeren en ruimeren zin bestaat voor den Luthersche niet. Hij gelooft, dat de mensch naar het beeld van God geschapen is, doch hij zoekt dat beeld Gods alleen in de oorspronkelijke gerechtigheid van den eersten mensch. Adam was geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid en hij bezat de wijsheid die van boven is. Maar toen de zonde bedreven werd en God kwam met Zijn straffende gerechtigheid, heeft de mensch het beeld Gods verloren, en wel zóó verloren, dat hij er niets van overig behield. Leert de Gereformeerde, dat wij hebben te onderscheiden tusschen het beeld Gods in ruimeren zin, dat zich uitstrekt tot 'het wezen van den mensch', en het beeld Gods in engeren zin, dat zich openbaart in 'de natuur van den mensch', dan wordt (...) de vraag: wat heeft de in zonde gevallen mensch van het beeld Gods behouden, en wat heeft hij daarvan verloren? Het beeld Gods in ruimeren zin heeft de mensch na den zondeval behouden, het beeld Gods in engeren zin heeft hij verloren. In zijn wezen is de mensch, alhoewel zondaar geworden, toch ten volle een mensch gebleven, evenals de duivelen, die wat hun wezen aangaat engelen zijn, en na hun val toch engelen zijn gebleven. Maar in zijn natuur heeft de gevallen mensch het beeld Gods verloren. Die natuur was heilig en is onheilig geworden, zóó onheilig, dat we nu van een verdorven nastuur spreken.
(...) Het verlies van het beeld Gods moet dus niet in het wezen, maar in de nastuur van den mensch gezocht worden. De Heidelbergsche Catechismus vestigt hier goed de aandacht op. (...) Hiervoor een open oog te hebben, en dit helder in te zien, is van het grootste belang om een recht inzicht te erlangen in het werk van Gods genade. Juist omdat de natuur van den mensch verdorven is, is het noodig, zal hij gered en gezaligd worden, dat hij van zijn zondige natuur verlost worde, en door Gods genadewerk in stee van zijn onheilige, weer een heilige natuur ontvange. De genade Gods laat den mensch in zijn wezen wat hij is, maar komt in zijn natuur hem reddend en verlossend ter hulpe. De heiligmaking, in den meest ruimen zin van het woord genomen, is de herstelling van het beeld Gods in engeren zin.
Hierin stonden de Gereformeerden steeds zeer beslist tegenover de Dooperschen. Deze toch stelden het bederf in het wezen van den mensch, leerden dat de mensch in zijn wezen algeheel verdorven en dies verwerpelijk was, en dat Gods genade zich hierin openbaarde, dat de mensch een nieuw, een ander wezen ontving. Er was dus geen wedergeboorte, maar een 'nieuwe' geboorte, er had geen herschepping plaats, maar een 'nieuwe' schepping werd tot aanzijn geroepen.
(...) En dit nu is de groote verdienste van Johannes Calvijn geweest, dat hij tot het inzicht gekomen is, dat de Heilige Schrift niet alleen leert dat de zondaar het beeld Gods verloren heeft, maar óók, dat hij het behouden heeft. Hij leidde de Gereformeerde Geloofsleer in die banen dat (...) allengs werd verstaan en (...) ingezien, dat we bij den mensch tusschen zijn menschelijk wezen en zijn menschelijke natuur hebben te onderscheiden.
Met zijn heilige natuur heeft de zondaar het beeld Gods in engeren zin verloren, maar in zijn menschelijk wezen heeft hij het behouden. En daarom heeft dat beeld Gods beteekenis niet alleen voor de ziel, maar ook voor het lichaam, niet alleen voor de eeuwigheid, maar ook voor den tijd, niet alleen voor de genade, maar ook voor de natuur'.
13) pp. 59-62 (dat in de loop der kerkgeschiedenis werd ingezien, dat ook bij de gevallen mens nog sprake is van het beeld Gods in ruimere zin, weshalve God de doodstraf instelde):
'(...) en later werd ingezien, dat er toch ook nog bij den gevallen zondaar sprake was van het beeld Gods, en dat het derhalve op eenigerlei wijze behouden was'.
(Hierbij werd o.m. verwezen naar Gen. 9:6 en naar Hand. 17:28. Op deze laatste Schriftplaats neemt Paulus het woord van de heidenen, dat de mensen van Gods geslacht zijn, over):
'Met andere woorden: óók de Heidenen, die nog verre zijn van de genade Gods in Christus, zijn desondanks van Gods geslacht, en dragen dus het beeld Gods'.
(...) De mensch is en blijft een mensch, onafhankelijk van de vraag of hij trouw aan God blijft en het verbond volbrengt, dan wel of hij van God afvallig wordt en aan Satan zijn ziel verkoopt. De zondaar is een mensch gebleven, van den zondaar kan niet anders dan als van een mensch gesproken worden; alleen hij heeft zijn heilige natuur, die god hem in den staat der rechtheid geschonken heeft, verloren; die is verdorven geworden.
Ja, zelfs in de buitenste duisternis, in de plaats der eeuwige verdoemenis, houdt de mensch niet op mensch te zijn, de rampzaligen in de hel zijn en blijven menschen, die voor eeuwig verloren zijn gegaan. Zooals de duivelen gevallen engelen zijn en blijven.
En dit nu, het mensch-zijn als zoodanig, afgedacht van het heilige of zondige in zijn natuur, betreft het wezen van den mensch, en daarin hebben we te doen met het beeld Gods in ruimeren zin. Dat beeld is onverliesbaar, want zou de mensch dat hebben verloren, hij zou geen mensch meer zijn, hij zou opgehouden hebben als menschelijk wezen te bestaan'.
(dit wezen van de mens is wat dr. H. Dooyeweerd het (boventijdelijke, maar ik kies liever voor de door dr. W. Ouweneel gemunte term voltijdelijke) hart oftewel de Ikheid, Zelfheid, ziel noemt: dat venster op de eeuwigheid van waaruit de (kosmische tijdsmodale), divergerende uitgangen des levens zijn. En kenmerkend voor de mens, voor zijn wezen, in de plastische, entitaire ervaringshorizon van de kosmische tijd is de actstructuur, die een eigen modale kwalificatie mist, maar iedere mogelijke (normatieve) modale kwalificatie kan aannemen. Deze wetstructuren zijn, als transcendentele, dat is mogelijk makende, structuren, onaantastbaar voor de zonde, in tegenstelling tot de religieuze gerichtheid van het menselijke hart, waarin zich zijn natuur openbaart, die verdorven is geworden door de zondeval vanwege een afvallige, afgodische gerichtheid, van God af dus. Men ziet hier dus heel mooi een lijn lopen van het denken van deze Abraham Kuyper jr., een ook van iemand als dr. W. Geesink voor hem, naar Dooyeweerds onderscheid tussen structuur en richting).
14) p. 73 (tegen het evolutionisme):
'Heerlijk en voortreffelijk is de mensch geschapen. Hetgeen de Heilige Schrift over de schepping van den mensch openbaart, staat vierkant tegenover al wat de ongeloovige wetenschap hierover gedoceerd heeft. De mannen dier wetenschap willen u doen gelooven, dat de mensch in zijn oorsprong en wording o zoo onaanzienlijk, nietig en gering is geweest. Zij gelooven aan de wet der ontwikkeling en spreken van evolutie. Er was stof, met een in die stof schuilende kracht des levens. Uit die stof ontwikkelde zich het organische leven, eerst had men de planten, daaruit ontwikkelde zich, in een proces van eeuwen (maak er gerust eonen van, R.B.) het dier. En toen eindelijk in die dierenwereld het proces der ontwikkeling zich voltooid had, werd uit het meest ontwikkelde dier, dat den naam menschvormige aap draagt, ten slotte de mensch op het wereldtooneel gebracht'.
15) p. 75 (dat er geen opwaartse, 'complicerende', macro-evolutie is, maar sedert de zondeval degeneratie, conform de wet van de toenemende entropie (cf. bv. J. Sanfords 'Genetic Entropy' en A. Kondrashovs 'Crumbling Genome'), constateert 'avant la lettre' ook Kuyper jr. al):
'In stee dat we van het leven in het Paradijs zoo buitengewoon gering hebben te deknen, en er voor mogen danken, dat wij, die zooveel duizenden jaren later leven, door die hooggeloofde 'ontwikkeling' zijn geworden de gelukkige 'cultuurmenschen' van den tegenwoordigen tijd, mogen we klagen, dat de mensch ontzettend veel verloren heeft, en dat hij oneindig veel minder is geworden, dat er aftakeling is en dat er decadentie gevonden wordt.
De mensch is zoo groot en zoo heerlijk begonnen, omdat hij als beelddrager Gods geschapen is, omdat hij met zijn schepping het beeld Gods ontvangen heeft. Hij heeft zoo ontzettend veel verloren omdat hij, door zijn val in zonde, het beeld Gods in de heiligheid zijner natuur verloren heeft. Hij heeft veel mogen behouden, en is, ondanks zijn diepen val, tot veel bekwaam, omdat hij het beeld Gods in zijn wezen behouden heeft en de Gemeene Gratie hem te hulpe kwam'.
16) pp. 96-97 (dat 'alles sal reg komme' (Paul Kruger)):
'Zoo menigmaal heeft een mensch, die niet alleen op natuurlijk gebied braaf is, maar die veel meer een vroom kind van God is en godzalig leeft, het in deze wereld hard te verduren, en leeft de man die niet alleen slecht is in de wereld, maar die bovenal goddeloos is voor den Heere, in een uitwenidgen voorspoed, die tergend is voor het oog. Psalm 37 gewaagt hiervan (...) Die disharmonie is er maar tijdfelijk, eens zal de goddelijke harmonie hersteld worden. (...) en de zachtmoedigen zullen het vaardrijk beërven (vs. 11). Die van het kwade afwijken en het goede doen, zullen in eeuwigheid wonen (vs. 27). (...) Maar die disharmonie is tijdelijk, en God heeft er een bepaalde bedoeling mee, dat Hij het een tijdlang zoo laat geworden. Het gaat niet buiten den Raad en de voorzienigheid Gods om, doch het einde is: dat de goddeloozen in der eeuwigheid verdelgd worden (vs. 8), en dat al de vijanden des Heeren zullen vergaan, en alle werkers der ongerechtigheid verstrooid zullen worden (Psalm 92: 10).
(...) God doet hem (dat is Asaf, in Psalm 73) op het einde letten. Hij ziet, dat de goddeloozen op gladde plaatsen gezeten zijn, en dat de Heere ze in verwoestingen doet vallen. Hij roept uit: hoe worden ze als in een oogenblik tot verwoesting (...).'
17) pp. 98-99 (dat het op aarde na de herschepping, na het herstel, zelfs nog beter zal zijn dan in het paradijs):
'Van lijden kan geen sprake zijn. Ziekte liet zich niet denken. Tegenspoed was ondenkbaar. Neen, alleen voorspoed en vreugde kon het deel zijn van Adam in den staat der rechtheid. Het geluk des levens was hem in het Paradijs geschonken. (...)
Maar voor de aarde heeft God Almachtig, naar Zijn wijzen raad, tijdelijk een andere beschikking gemaakt. Doch eens komt de voleinding der eeuwen, gaat deze wereld voorbij met al hare mysteries, dan zal óók voor den mensch in de eeuwigheid de harmonie hersteld worden. De goddeloozen zullen het ondervinden in de plaats der eeuwige rampzaligheid. Doch de kinderen Gods, in wie het beeld Gods hersteld is, zullen dan het volle beeld Gods ontvangen, in onuitsprekelijke heerlijkheid. Hun zal geschonken worden oneindig veel meer dan Adam in het Paradijs ontvangen had, want dat was maar voorlopig'.
18) p. 104 (over het koningschap van de mens over de schepping):
'De mensch zou geen beelddrager Gods zijn, als hij geen koning ware. Het tegendeel is waar. Juist de koningsgedachte komt bij het beeld Gods sterk naar voren'.
p. 107 (idem dito):
'Het is ons een klaar bewijs, dat de koninklijke heerschappij den mensch als beelddrager Gods geschonken, een zeer belangrijk en hoogst gewichtig element is in het Beeld Gods'.
pp. 108-110:
'De dieren zijn den mensch ondergeschikt gemaakt, en het boos gedierte is teruggedrongen naar onherbergzame oorden, opdat de mensch in veiligheid zou leven. (...)
Maar dat neemt niet weg, al doet de moderne mensch het op een zondige wijze en met een zondig doel, het streven zelf om de macht der natuur te overwinnen en haar dienstbaar te maken aan den mensch, is uit God. Hij is het, die deze gedachte in het hart van den mensch heeft ingedragen, en hem macht geeft dit streven te vervullen. De mensch, hoewel het zoo niet bedoelende, volbrengt hier een taak en roeping, van Godswege hem opgelegd. Het wordt hierin openbaar, dat hij naar het beeld van God geschapen is, en hoe ook in zonde gevallen en de heiligheid van het beeld Gods verloren hebbende, toch veel van dat beeld heeft behouden en nog vertoont, met name in de heerschappij over de natuur. (...) Het staat uitdrukkelijk in hert scheppingsverhaal opgeteekend, dat God in Zijn raadslag uitspreekt menschen te willen maken naar Zijn beeld en gelijkenis, opdat zij heerschappij hebben over de dieren en over de aarde. En tot den geschapen mensch komt het bevel, de ordinantie: vervult de aarde, onderwerpt haar en hebt heerschappij over de visschen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte dat op de aarde kruipt. (...) De menschheid wordt hier opgeroepen heerschappij over de dieren te voeren en de aarde te onderwerpen. Een grootsche taak is voor heel de menschheid weggelegd'.
19) pp. 110-111 (Adam moest de hof van Eden ook bewaren, en dat betekent óók volgens A. Kuyper jr. bewaken tegen een kwade macht):
'Het leven in het Paradijs was voor Adam niet een leven in ledigheid en luiheid (...) God had hem persoonlijk reeds de taak gegeven om den hof van Eden te bewaren en dien te bebouwen. In dat bewaren ligt reeds opgesloten, dat er een booze vijand was tegen wien de mensch op zijn hoede moest zijn, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor den hem toebetrouwden hof. En in dat bebouwen ligt aangegeven het goddelijk beroep waarin de eerste mensch werkzaam had te zijn. Maar in dat 'bewaren' en 'bouwen' was niet alles aangegeven wat de mensch te doen had. Over het dierenrijk moest heerschappij gevoerd worden. (...) En nu roept God hem uit tot koning over al het gedierte en geeft hem de heerschappij. Die macht schuilt niet in zijn lichaam maar in zijn geest. (...) Er wordt uitdrukkelijk gezegd: dat zij heerschappij hebben over de geheele aarde (Gen. 1:26) en: vervult de aarde en onderwerpt haar (Gen. 1:25). Dit houdt in, dat niet alleen aan plant en dier, maar aan den aardbodem zelf, en aan al wat in de aarde verscholen ligt, gedacht moet worden. Hier wordt Adam en met hem heel de menschheid geroepen to de groote taak de cultuur te beoefenen. Het staat er letterlijk, dat de aarde onderworpen moet worden aan de heerschappij van den mensch, en dat wil zeggen, dat heel de aarde, met al hare verborgen schatten voor dit leven, door den mensch in bezit moet worden genomen, dat hij al hare geheimen heeft na te speuren, en al hare gaven in zijn dienst heeft te nemen, opdat hij als koning in den vollen zin van het woord op deze aarde zou leven en over haar heerschen'.
(Hier dus geen woord over ervoor uitkijken dat je als mensheid niet bij dat cultiveren te ruw met de aarde omgaat, dat je het milieu of klimaat anders verpest, en dat je je niet teveel moet voortplanten omdat er anders teveel beelddragers Gods op aarde komen. Na de zondeval, toen het de aarde bewaren, dat is bewaken, tegen binnendringing van de duivel was mislukt, werd na de zondvloed door God in het kader van het Noachitisch natuurverbond, alias het regenboogverbond, dat de aarde moeten bebouwen, ontsluiten, nog wel genoemd, en ook daar, in Gen. 10, is er geen sprake van enige zorg bij God dat de mens de schepping tot de ondergang zou voeren bij dat cultureel bezig zijn, aangezien Hij de mensheid verzekerde, dat alles gewoon voort zou bestaan tot de Jongste Dag).
20) pp. 112-113 (in verband met roeping/taak der mensheid voor en na de zondeval):
'Er was een Werkverbond, dat volbracht moest worden, (...) En naarmate de menschheid al meer de aarde onderwierp en zijn heerschappij steeds krachtiger deed gelden, schitterde steeds meer in hem de majesteit van het beeld Gods, want God almachtig regeert over alle dingen in den hemel en op de aarde met absolute souvereiniteit'.
Maar de zondeval had plaats, en de mensch werd uit het Paradijs verbannen. Het menschdom, ten doode gedoemd, bleef gespaard, het beeld Gods werd weggenomen en bleef behouden. Het beeld Gods bleef ook daarin behouden, dat op den gevallen mensch de taak bleef rusten de aarde te onderwerpen en heerschappij over haar te voeren. Maar verloren werd het beeld Gods daarin, dat de mensch de koninklijke majesteit inboette, en het beeld vertoonde zonder de schittering van den goudglans. Hij is geworden een onttroond koning. (...) Was hij geroepen met den geest over de stof te heerschen, zijn geest bezit nu niet meer die oorspronkelijke wijsheid, en hij is verduisterd in zijn verstand'.
21) pp. 119-121 (dat de mensheid tot cultuurontwikkeling in de tijd geroepen is):
'De tijd vraagt en roept om ontwikkeling, de eeuwigheid doet u de volkomenheid zien. Ook voor adam en voor het menschelijk geslacht uit hem gesproten was bepaald, dat een historie moest worden doorleefd, om hem te brengen van het begin tot het einde.
De Heilige Schrift spreekt voortdurend van de voleinding der eeuwen, en dit woord 'voleinding' wijst er op, dat er een Raad Gods is, die volvoerd wordt, dat in den loop der tijden en der eeuwen alles tot rijpheid en volkomenheid gebracht wordt, en dat, als die rijpheid en volkomenheid er is, (...) dat dan het proces is afgeloopen. Maar dan heeft de tijd uit en is de eeuwigheid daar.
(...) alleen (...) de ontwikkeling van het menschelijk geslacht in den staat der rechtheid (zou) een gansch andere geweest (...) zijn, dan zij nu geworden is door het droeve feit van den zondeval.
Daarom wezen we (...) op de beoefening der (...) cultuur, (...), namelijk het onderwerpen van de aarde, en het heerschappij voeren over de schepping, (...) het heerschen als koning over de krachten der natuur, omdat de mensch als beelddrager Gods is geschapen, en daarom in de cultuur een heilige taak en roeping heeft te vervullen ter eere van Gods grooten Naam.
(...) De schatten der aarde lagen niet gereed, maar moesten opgedolven, bewerkt en toebereid worden, om voor den mensch een gelukkig bezit te zijn.
Maar dit alles was voor adam niet weggelegd om op één dag te verkrijgen. Hij had den tijd vóór zich. Een rustig verloop der historie zou hem en zijn nakroost gebracht hebben tot de voleinding der eeuwen. Adam zelf werd geroepen tot den landbouw, want hij moest den hof van Eden bebouwen. Bij Abel hooren we van de veeteelt. Kaïn komt tot stedenbouw. In het geslacht Lamech wordt de industrie beoefend, en Tubal-Kaïn werkt in koper en ijzer. Ook de kunst komt tot haar eer, als er orgelen en harpen gemaakt worden.
(...) Niet de ééne mensch, maar de menschheid is naar het Beeld Gods geschapen, en doet het uitkomen en schitteren in de volheid van het menschelijk leven. Het Beeld Gods is veel te groot en te rijk, dan dat het door één mensch gedragen en vertoond kan worden. Daarom is er het gebod der vruchtbaarheid: weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u, en vervult de aarde, onderwerpt haar en hebt heerschappij over haar. Zoo wordt in den loop der tijden, in den loop der eeuwen, bij de vermenigvuldiging van het menschelijk geslacht en in de ontwikkeling der menschheid, in het rijke, volle menschenleven steeds meer het Beeld Gods duidelijk en zichtbaar. Daarvoor is de tijd gegeven, opdat het Beeld Gods in de menschheid zich al rijker en al heerlijker zou ontplooien'.
22) pp. 122-128 (hier herkent men de grondtrekken van de wijsgerige anthropologie van de wijsbegeerte der wetsidee van dr. H. Dooyeweerd; het gaat hier over het onderscheid tussen het wezen van de mens - bij Dooyeweerd de anthropologische structuur, door Kuyper jr. ook wel genoemd het beeld Gods in ruimere zin - enerzijds, en de natuur van de mens - bij Dooyeweerd de religieuze gerichtheid van het menselijk hart op de ware Oorsprong of op een vermeende, vergoddelijkte oorsprong, door Kuyper jr. ook wel genoemd het beeld Gods in engere zin - andererzijds; tevens wordt hier de uniciteit van de mens benadrukt (zulks tegen alle pantheïsme en daarmede verwant reïncarnatiegeloof, zeer belangrijk vandaag de dag, A.D. 2025):
'Als beelddrager Gods stond de mensch zeer verre boven plant en dier, ja zelfs boven den engel (...) In de allereerste plaats staan we voor de bekende onderscheiding tusschen het beeld Gods in ruimeren en engeren zin, en hebben bij het eerste aan het wezen, bij het tweede aan de natuur van den mensch te denken. De mensch is (...) een wezen met eigen ik, bezittende de twee zielsvermogens om te kennen en te kunnen, of, zooals gewoonlijk gezegd wordt, om te kennen en te willen (Dooyeweerd onderscheidt ook nog een derde: het zich verbeelden, R.B.). Men handelt van den mensch als een denkend en willend wezen.
In dat bezitten van een eigen, zelfstandig 'ik', en in het hebben van, de beschikking over de twee vermogens van het denken en willen, vertoont den mensch in zijn wezen het beeld Gods, maar dan in ruimeren zin (...) omdat dit beeld aan alle menschen gemeen is, zoowel aan geloovigen als ongeloovigen, aan bekeerden als onbekeerden. Dit beeld Gods is onverliesbaar, want zoo de mensch het verliezen kon, hij zou op het eigen oogenblik dat hij het verloor, ophouden een menschelijk wezen te zijn. Het beeld Gods in ruimeren zin (sensu latiore) heeft betrekking op het menschelijke in den mensch, op datgene, waardoor de mensch in onderscheiding van alle andere creaturen een mensch en niet een engel of dier of plant is. En zooals een ziek mensch niet ophoudt een mensch te zijn, maar als mensch ziek is, zoo houdt de ongeloovige, onbekeerde mensch niet op mensch te zijn, maar is als mensch een zondaar. (...)
Doch niet alleen in zijn menschelijk wezen, maar ook in zijn heilige natuur heeft de mensch het beeld Gods ontvangen. Hier pleegt men te spreken van het beeld Gods in engeren zin. (...) Dit beeld Gods was verliesbaar en is verloren, maar het wordt den uitverkorenen teruggeschonken. Het beeld Gods in engeren zin (sensu stricto) heeft betrekking op de natuur van den mensch, op de manier van zijn bestaan, op zijn zóó zijn en niet anders zijn. We hebben bij de overdenking van dit Beeld niet te vragen wat is de mensch, maar hoe is de mensch? (...) Dit beeld Gods nu, het beeld Gods in engeren zin, heeft hij verloren. Het beeld Gods in ruimeren zin was onverliesbaar, de gevallen mensch heeft niet opgehouden mensch te zijn, hij is geen duivel of daemon geworden, hij is mensch gebleven. Maar zijn heilige natuur is hem ontnomen, en van de goede hoedanigheden is hij tot zijn straf beroofd geworden. (...) de mensch behoudt zijn natuur, maar in die natuur grijpt een groote verandering plaats. De kracht der natuur die eerst naar God toe dreef, drijft nu van God af (W.d.W.: het hart kreeg een andere gerichtheid, R.B.). (...)
De mensch heeft behouden zijn genegenheden en zijn wil, omdat het beeld Gods in ruimeren zin bij hem bleef. (...) het bestaan kan op tweeërlei manier plaats hebben, ó in het leven óf in den dood. De gedachte dat de dood een vernietiging van het zijn of een opheffing van het bestaan is (beweren de Jehova's getuigen zoiets niet? R.B.) wordt door den Christen verworpen, want in den dood blijft de mensch èn naar ziel èn naar lichaam voortbestaan. Leven en dood zijn daarin onderscheiden, dat ze een geheel andere bestaanswijs bieden. (...) Daarin hield het beeld Gods stand in den mensch, dat hij het aanzijn (cursief R.B.) behoudt, dat hij eeuwig blijft bestaan. Maar verloren heeft hij het beeld Gods daarin, dat hij niet levend blijft voortbestaan, doch een kind des doods is geworden, en dat hij zoowel naar ziel als naar lichaam in dien dood blijft voortbestaan. Te bestaan èn te leven is het beeld Gods in tweeërlei zin te bezitten, te bestaan en dood te zijn is het beeld Gods eenerzijds te behouden en anderzijds verloren te hebben'.
23) pp. 129-131 (voortgang van het vorige punt):
En juist in dat mensch-zijn, los gedacht van de heilige of zondige natuur, ligt het beeld Gods in ruimeren zin, dat de mensch niet verloren, maar behouden heeft. (...)
Maar dit is het Godtergende, en tevens het mysterie van Gods lankmoedigheid, dat de zondige mensch het beeld Gods draagt in een onheilig gewaad. (...)
het bezit van een eigen 'ik' behoort tot het wezen van het beeld Gods, en wel tot dat beeld God, dat onverliesbaar is. (...)
24) pp. 134-135 (dat de mens geroepen is de aarde met alles wat daarin is uiteindelijk tot eer van God te ontsluiten (het cultuurmandaat); geen woord dus om het daarbij ook rustig aan te doen omdat anders Moeder Aarde daar niet tegen kan maar sterft en meer van dat soort pantheïstische en New Age-achtige onzin):
'De mensch was van scheppingswege geroepen tot een groote en grootsche cultuurtaak. Wij hebben overdacht, wat het inhield de aarde te bebouwen en de aarde te onderwerpen. In een proces van eeuwen zouden de schatten die aan den schoot der aarde toebetrouwd, de eene voor en de andere na gevonden worden, en in den loop der historie de krachten der natuur dienstbaar gemaakt worden aan den mensch.
Reeds Adam in het Paradijs was cultuurmensch. God heeft den mensch naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen om over de schepping de koninklijke heerschappij te voeren. Door de zonde trad groote verandering in, want de geestkracht werd gebroken, de lichaamskracht veel verminderd, en de aarde werd vervloekt, en heel de schepping in het ongereede gebracht. (...)
Maar de zondige mensch, die prat gaat op zijn cultuur, die de cultuur verafgoodt, die pochend uitroept: is dit niet het groote Babel dat ik gebouwd heb, vergeet één ding, dat God de Heere alle dingen in de schepping den mensch ten dienste gesteld heeft, opdat de mensch er zijn God mee dienen zoude.
En in plaats dat de cultuur strekt en dient tot de eere Gods en tot de verheerlijking van Zijn Naam, zien we voor oogen een Godvergeten cultuur, beoefend door den mensch, die wel beelddrager Gods is, maar bekleed met den mantel der onheiligheid'.
25) pp. 136-143 (de doodstraf):
'(...) in een zondige wereld komt de schrikkelijke doodslag metterdaad en veelvuldig voor, en voor die wereld is de doodstraf van Godswege uitdrukkelijk verordineerd. (...)
Men weet dat niet alleen door de Gereformeerde Theologen, maar ook door de Gereformeerde Juristen, die zich lieten leiden in hun wetenschappelijk denken door het licht van Gods Woord, ten allen tijde met nadruk geëischt is, dat in de wetgeving des lands voor den moordenaar, die met voorbedachten rade zich vergreep aan het leven van zijn naaste, de straf des doods zou worden vastgelegd. (...)
de Gereformeerde (aanvaardt) het als een beginsel (...), dat in de wetgeving de straf des doods voor den moordenaar wordt vastgelegd.
Alleen als men de autoriteit van het Woord Gods niet meer ten volle erkent, of niet meer zoo strikt doet gelden, en zich liever laat leiden door andere motieven en beweegredenen, hetzij van wetenschappelijken, hetzij van humanitairen aard, wordt aan den eisch, dat de moordenaar met voorbedachten rade met den dood gestraft wordt, niet meer zoo vastgehouden. Men drukt zijn gedachte dan zoo uit, dat de Overheid wel het recht heeft den moordenaar te dooden, maar dat het niet haar plicht is.
En hiertegenover nu belijdt de Calvinist, dat het recht van de overheid vaststaat en onweersproken is, maar ook dat het haar roeping en plicht is van Godswege den moordenaar aan het leven te straffen. Aan de overheid is niet het recht gegeven om zulks te doen, zoo dat het voorts in haar believen staat of zij al of niet van dat recht gebruik wil maken. Het tegendeel is waar. Uitdrukkelijk staat opgeteekend: wie des menschen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mensch vergoten worden. Er is niet een recht dat verleend, maar een ordinantie die gesteld wordt. (...)
Wij hebben ons evenwel in acht te nemen de wetgeving Gods op één lijn te stellen met de wetgeving van den mensch, en bovenal hebben we op onze hoede te zijn, dat we niet de wet der ontwikkeling, die voor het menschelijk leven geldt, toepassen op het doen Gods in het geven van Zijne ordinantiën. Dan vervallen we in de groote fout, dat God de ordinantie van de doodstraf gegeven heeft in een vroegeren tijd van barbaarschheid, maar dat die wet nu niet meer geldt, omdat de menschen zooveel meer beschaafden ontwiokkeld zijn geworden. Die zoo redeneeren voelen niet voor de heiligheid van de wet des Heeren, dat Hij de doodstraf heeft ingesteld omdat de mensch naar het beeld van God gemaakt is. En deze waarheid blijft gelden, dus ook wat daaruit voortvloeit.
(...) God de Heere wist het, dat de aardsche rechter feilbaar is, desniettegenstaande heeft Hij verordineerd, dat het bloed van den moordenaar door den mensch vergoten zal worden. En wij hebben niet wijzer te zijn dan de Heere onze God, die alleen wijs, die volkomen wijs is.
Somtijds wordt ook gehoord: ja, dat gebod van de doodstraf voor den moordenaar met voorbedachten rade staat nu wel in Genesis 9:6, maar dat geldt toch niet voor ons. Het is een ordinantie die gegeven is voor de bedeeling van het Oude Testament, maar die niet meer geldt voor ons die leven in de bedeeling van het Nieuwe Testament.
Dit is een zeer oppervlakkig beweren van hen, die in het Oude Testament niet onderscheiden tusschen het ceremonieele en typische, dat alleen en uitsluitend voor Israël gold, en waaraan op den doorluchtigen Pinksterdag een einde is gemaakt, toen het oude voorbijging en het alles nieuw geworden is, en tusschen het blijvende en geldende voor heel het menschelijk geslacht.
Als in het Paradijsverhaal de geschiedenis van den zondeval ons wordt geopenbaar, dan heeft dat beteekenis ook voor ons, opdat wij zouden weten hoe groot onze zonde en ellende is. Als met Noach wordt opgericht het Verbond der Gemeene Gratie, dan komen de weldaden darvan ook ons heden ten dage ten goede, maar dan zijn wij ook gehouden naar de ordinantiën daarvan ons leven in te richten.
Het gebod van de doodstraf voor den moordenaar is niet speciaal en tijdelijk aan Israël gegeven, het heeft met het ceremonieele van Israëls bedeeling niets te maken, het is een ordinantie van den éénigen Wetgeber voor heel het menschelijk geslacht, en wel daarom, omdat de mensch naar het beeld van God is geschapen.
En daarom staat ten overvloede, als het ware om alle misverstand af te snijden, in Rom. 13:4, dus voor de bedeeling van het Nieuwe Testament: 'Zij (de Overheid) draagt het zwaard niet te vergeefs'.
Nog één bezwaar, van religieuze aard, moet genoemd worden. Het zijn met name de gevoelsmenschen, die telkens u voor de voeten werpen: ach, is het niet verschrikkelijk, een medemensch, al is hij nog zoo schuldig, het leven te ontnemen? Hij sterft dan in zijn zonden en misdaden, en de gelegenheid om tot boete en berouw te komen, wordt hem ontnomen. Wie weet, als hij in het leven gelaten werd, of hij niet alsnog tot krachtdadige bekeering zou komen en een kind des Koninkrijks zou worden.
Dit zeggen, dat ge vaak hoort in methodistische kringen, schijnt vroom, maar is het toch niet. Het is immers nooit vroom om wijzer dan God te willen zijn, die de doodstraf uitdrukkelijk bevolen heeft.
Maar dit daar gelaten, het is een bewering, die geen steek houdt. Juist de wetenschap dat de dood snel nadert, en dat weldra het oogenblik daar is, waarop het doodvonnis voltrokken zal worden, zal met te meer kracht en klem den schuldig, als hij een uitverkorene is, en als het zaad des nieuwen levens in zijn hart schuilt, dringen en drijven tot een zaligmakende bekeering, waardoor zijn ziele, als het vonnis voltrokken wordt, in de zaligheid wordt opgenomen, tot roem van Gods genade.
Wij denken aan den moordenaar, die naast Jezus gekruisigd was, aan wien het doodvonnis voltrokken werd, maar die bij 'het naderen van den dood', in het aangezicht van den dood, op zijn bede om ontferming, hooren mocht: heden zult gij met mij in het Paradijs zijn!
Tegenover al die vermeende bezwaren, die van verschillende kant worden bijgebracht, staat duidelijk en krachtig de eisch van de wet Gods: wie des menschen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mensch vergoten worden'.
26) pp. 144- 165 (over de gevolgen van het verlies van het beeld Gods door de zondeval in onze menselijke natuur):
'De Gereformeerde hecht er zeer groote waarde aan te belijden, dat niet het menschelijk wezen, alleen de menschelijke natuur, d.w.z. de geaardheid van het wezen verdorven is geworden. (...)
naar Gereformeerd belijden, (is) het bederf en verderf van den mensch niet in zijn wezen, maar in zijn natuur of aard te zoeken en te vinden (...). En deze verdorven natuur nu moet worden aangenomen als het gevolg bij uitnemendheid van het verlies van het beeld Gods. (...)
de Lutherschen (...) maken een te groot onderscheid tusschen de natuur en de genade (...)
Dit dualisme van de Lutherschen, hoewel anders uitgewerkt, vindt zijn oorsprong in de Roomsche Theologie (...)
Maar geest en stof staan niet vijandig tegenover elkander. Het mag niet zoo gesteld worden, dat in den geest het beginsel van het goede en in de stof het beginsel van het kwade ligt. Dit wordt wel gedaan door de platonische Philosofie, die daarom in de saamvoeging van geest en stof, van ziel en lichaam, een onnatuurlijke verbinding ziet, en de verlossing zoekt in de bevrijding van den geest uit het stof, en van de ziel uit het lichaam. Maar dit is niet zoo, want God almachtig heeft den hemel èn de aarde geschapen. De wereld der zienlijke èn der onzienlijke (dingen? R.B.) heeft Hij tot aanzijn geroepen. De mensch heeft èn zijn ziel èn zijn lichaam beide van God zijn Schepper ontvangen. En al wat door God den Heere geschapen en tot aanzijn geroepen is, staat onder het ijk en de keur van zeer goed te zijn.
Aan de invloed van deze philosophie is de Roomsche Theologie niet geheel ontkomen. (...)
Tegenover dit dualisme van Rome heeft de Gereformeerde Theologie van meet af positie gekozen. In de stof of materie, in het stoffelkijk lichaam mocht nooit of te nimmer het beginsel van het kwaad gezocht worden. Om Tweeërlei reden niet. Vooreerst omdat alle stof of materie een schepsel Gods is. Er is geen stof of ze is door God geschapen. Heel de wereld van zienlijke en zichtbare dingen is door God, den éénigen Schepper, tot aanzijn geroepen. En daarom is de verlossing er niet alleen voor de ziel, maar evenzeer voor het lichaam, en is en blijft het onze eenige troost in het leven en sterven, naar ziel en lichaam beide het eigendom te zijn van den trouwen Zaligmaker, die zijn dierbaar bloed ter volkomen verlossing ons gaf.
Maar in de tweede plaats (heeft) de zonde (...) haar oorsprong niet genomen in de stoffelijke wereld (...) maar juist in de geestelijke wereld. De zonde is opgekomen in de engelenwereld, en van uit de engelenwereld in die der menschen ingeleid. (...)
Er is niet slechts een gemis van het beeld Gods, en we mogen niet slechts spreken van een berooving van het beeld Gods, maar er is een zoodanig wegnemen van het beeld Gods, dat de natuur van den mensch nu gedreven wordt in tegenovergestelde richting, en dat de positieve kracht nu negatief gaat werken. (...)
Haat en liefde is in wezen dezelfde kracht, maar hierin onderscheiden, dat dezelfde zielskracht in de liefde voor u werkt en in den haat tegen u werkt. (...)
Voorwaar, het gevolg van het verlies van het beeld Gods is voor den mensch zeer groot geworden. Hij is mensch gebleven, maar zijn natuur is geheel verdorven. De mensch van Gods beeld beroofd, is onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad. (...)
De zonde is er overal en zij is er altijd. Waar menschen wonen en werken, wordt met volkomen zekerheid de zonde gevonden. (...)
Pelagius is en blijft de aardsketter voor de Kerk van Christus. Hij leerde (gelijk Rousseau, R.B.), dat de mensch onschuldig ter wereld komt, en dat hij in zijn natuur kracht genoeg bezit om het goede te willen en te doen.
(...) Het semi-pelagianisme, dat in de Roomsche Theologie wordt aangehangen, leert wel een zondig element in de menschelijke natuur vanwege de begeerlijkheid, maar volgens dat stelsel wordt de mensch eerst dan een zondaar, zoodra hij daadwerkelijk de zonde doet, door aan de booze neiging of aan den verkeerden lust toe te geven.
De Gereformeerde Theologie heeft haar kracht gezocht in de ontwikkeling van de verbondsgedachte. Het menschelijk geslacht is niet een menigte individuen, die ieder op zichzelf bestaan en ieder voor zichzelf handelen. De menschheid is een organisme en alle menschen zijn organisch èn met anderen èn met hun stamvader, die Bondshoofd is, verbonden. (...) Adam in het Paradijs is èn stamhoofd èn Bondshoofd van heel het menschelijk geslacht. Zijn doen en laten is van beslissende beteekenis voor al zijn nakomelingen. Als hij zondigt, dan zondigen wij allen in hem, en als hij valt, dan vallen in en met hem allen die uit hem geboren zijn en nog geboren zullen worden. (...)
de erfzonde is als een wortel, en uit dien wortel groeit de bittere vrucht der dadelijke zonde. (...)
Hiermede wordt positie gekozen tegen ieder die leert dat de zonde van buitenaf tot den mensch komt, want de zonde komt niet van buiten af tot den mensch, maar zij werkt van binnen uit, uit den wortel en uit de onzalige fontein die in hem is. Dat is het verschil tusschen Adam en ons. Bij den eersten mensch is de zonde wel van buiten af tot hem gekomen, omdat hij het beeld Gods in zijn natuur droeg. Bij den beelddrager Gods kan de zonde niet van binnen uit opkomen, want dan is de wortel goed.
(...) De Heilige Schrift wijst dus, hier en overal, op den dood als straf voor en gevolg van de zonde. En waarom is hier innerlijke noodzakelijkheid en onafwendbare noodwendigheid? Omdat het leven in God is, en de mensch alleen als beelddrager Gods leven kan en leven zal. Verliest hij het beeld Gods, dan kan het niet anders of hij moet ook het leven verliezen en een prooi van den dood worden.
Niet genoeg kan tegenover de wetenschap der wereld er op gewezen worden, dat naar duidelijk uitwijzen der Heilige Schrift, de dood in deze wereld is gekomen om der zonde wil, en dus samenhangt met het verlies van het beeld Gods.
We lezen in Rom. 5:12: 'Gelijk door één mensch de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood, en alzoo de dood tot alle menschen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben'. En in vs. 17: 'Want indien door de misdaad van éénen de dood geheerscht heeft'. In Rom. 6:23 wordt uitdrukkelijk geconstateerd, dat de dood de bezoldiging der zonde is. En zeer treffend is wat wij lezen in Jacobus 1:15: 'de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde, en de zonde voleindigd zijnde, baart den dood'. Dit laatste woord doet eenigermate, juist door de duidelijke tekening van het proces, verstaan de ernstige woorden van de bedreiging bij het proefgebod: gij zult den dood sterven, want de zonde doorloopt een proces, zij begint bij het punt van aanvang en werkt door tot het eindpunt, en die zonde voleindigd zijnde, baart den dood.
Van één dwaling moeten wij verlost worden (...) Het is de oude dwaling van de wetenschap, die ons wil diets maken, dat de dood vernietiging is van het bestaande. (...) Het is tegen deze hoogst oppervlakkige beschouwing van den dood, dat èn Prof. Kuyper èn Prof. Bavinck in hun geschriften voortdurend zijn opgekomen en ernstig protest hebben aangeteekend. Het is niet waar, dat de dood vernietiging is, want de mensch wordt niet vernietigd en kan niet vernietigd worde. De mensch, eens geschapen zijnde, blijft bestaat tot in alle eeuwigheid. Het wezen van den mensch is voor vernietiging niet vatbaar, het is onverdelgbaar. Dit geldt niet alleen voor de ziel, maar evenzeer voor het lichaam. (...) de rationalistische philosophie (...) zwoer bij God, deugd en onsterfelijkheid, en (dacht) dan bij die onsterfelijkheid alleen aan het voortbestaan van de ziel, niet aan het blijvende van het lichaam (...) (lichaam en ziel zijn dan dus wel dood, maar niet vernietigd; dood zijn is alleen een andere bestaanswijze dan levend zijn, vanuit de gedachte dat alles wat God ooit schiep onvernietigbaar en voor de eeuwigheid bestemd is, R.B.).
(...) hiertegenover nu geldt de waarheid, dat het lichaam niet slechts tijdelijk den mensch geschonken is, maar dat hij het voor de eeuwigheid ontvangen heeft. (...)
Zelfs de lijken, die men verbrandt in het crematorium, worden niet vernietigd. De asch blijft, en ook uit die asch zal de opstanding der dooden plaats hebben. (...)
de ziel (sterft) zeer zeker, edoch, (...) niet zooals het lichaam, maar zooals de ziel sterft. Er is een lichamelijke en een geestelijke dood. De ziel sterft haar geestelijken dood. (...) Niet alleen het lichaam is sterfelijk als men slechts slechts aan den dood denkt, maar de mensch, naar ziel en lichaam beide, is dan sterfelijk (dit betreft de eerste, tijdelijke dood voor zowel de uitverkorenen als de niet-uitverkorenen; de tweede, eeuwige dood na het laatste oordeel geldt enkel voor de niet-uitverkorenen, R.B.). (...)
Er is veel gesproken over de woorden, waarmede in het Paradijs gedreigd werd: ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. Men heeft gezegd, dat Adam na zijn val in zonde toch nog 930 jaren geleefd heeft, en dat hij dus niet ten dage van zijn zondigen den dood is gestorven. Maar niet vergeten moet worden, dat Adam ten dage van zijn zondigen zeer zeker gestorven is, namelijk den geestelijken dood. Het is door het intreden der Gemeene Gratie, dat de lichamelijke dood een tijdlang werd uitgesteld, maar toch, de kiem des doods voor het lichaam was ten dage van zijn zondigen op het eigen oogenblik aanwezig. (...)
De dood, geestelijk en lichamelijk, is dus geen vernietiging, maar een gansch andere, een precies tegenovergestelde bestaanswijze dan in het leven het geval is. In het leven is de mensch, naar lichaam en ziel, aan God verbonden, in den dood is, ook weer naar lichaam en ziel beide, de mensch van God gescheiden.
(...) Men verhaalt, dat Leonardo da Vinci, de bekende schilder die het Avondmaal des Heeren produceerde, zijn schilderwerk bijna gereed had, maar niet kon voltooien, omdat hij geen model had voor de Judas-figuur. Eindelijk meende hij den man gevonden te hebben, dien hij noodig had, en nam hem mede om zijn portret te nemen. Toen da Vinci met zijn werk beginnen zou, liet hij met een grooten schrik het penseel uit zijn hand vallen, want in eens bespeurde hij, dat deze man dezelfde was, dien hij jaren te voren uitgekozen had als model voor de Christus-figuur.
De man had vroeger een zeldzaam nobele uitdrukking op zijn gelaat, en daarom had da Vinci hem gekozen om het edelst gelaat te schilderen voor den Christus. Maar die man had zich aan booze zonden overgegeven en een liederlijk leven geleid. Heel zijn gelaat gaf nu de ellendige uitdrukking van boosheid en slechtheid. Toen werd hij gekozen als model voor judas te dienen. Toch was het dezelfde man.
Dit doet ons eenigermate verstaan, dat de mensch, naar Gods beeld geschapen, het pronkjuweel der schepping was, en dat God vermaking had in het werk Zijner handen. Maar dezelfde mensch, zondaar geworden, en aan den dood onderworpen, is van wege het gemis van het beeld Gods, verfoeilijk en verwerpelijk geworden.
In wezen hetzelfde, in de natuur ten eenenmale omgeslagen in het tegendeel. Van heilig onheilig, van levend dood geworden. (...)
Hierin lag de heerlijkheid van het beeld Gods en de glans der uitstraling er van, dat de rechtvaardige en heilige ziel van Adam verbonden was met een volmaakt, volkomen gaaf lichaam, zonder eenig gebrek, zonder de minste krankheid, zonder kiem des doods, volkomen gezond, vol van levenskracht en energie.
27) pp. 166-171 (dat in de val van Adam en Eva de hele kosmos meegesleurd werd):
(...) tot den schuldigen Adam wordt ten slotte dit gezegd: (...) zoo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt (...) ook zal het u doornen en distelen voortbrengen. In dit woord zien we hoe nauw de band is tusschen den mensch en de aarde. (...)
nooit mag vergeten worden, dat de aarde in haar bestaan groote veranderingen heeft doorgemaakt, dat zij vroeger anders was en ook eenmaal weer anders worden zal. (...) En het is die aldus door Gods ingrijpende hand meermalen veranderde wereld, die wij heden ten dage kennen. Nog eenmaal zal de gedaante der wereld veranderd worden, op den Jongsten Dag, als de elementen der aarde brandende bevonden zullen worden, als de aarde door vuur gelouterd en gezuiverd zal worden. (...)
We weten, dat door de Gemeene Gratie die vloek is getemperd, en dat ondanks dien vloek een aardsch leven mogelijk is gebleven in deze wereld. Maar (...) wij weten, dat eens alle remmen en teugels zullen worden weggenomen, en dat de vloek Gods ten volle zal doorwerken op de aarde, bewoond door hen, wier namen niet geschreven staan in het Boek des levens (doelt Kuyper jr. hier impliciet op een hieraan voorafgaande grote opname van de christenen, die een aarde zonder gemene gratie niet zullen meemaken?, R.B.).
28) pp. 175-177 (wat de dood is; de kosmische gevolgen van de zondeval):
'En dat de dood niet physisch, niet natuurlijk verklaard kan worden, maar in de geestelijke dingen zijn oorzaak vindt, wijst Prof. Bavinck aan in zijn Dogmatiek IV, pag. 674 v.v.. Daar schrijft hij: (...) De dood is niet natuurlijk, maar heeft zijn oorzaak in de overtreding van Gods gebod, (Gen. 2:17), in den duivel, in zoover deze door zijn verleiding den mensch vallen en sterven deed, (Joh. 8:44), in de zonde zelve, wijl zij ontbindend inwerkt op heel het menschelijk leven en als het ware den dood uit zichzelve voortbrengt, (Jac. 1:15); in het oordeel Gods, wijl Hij de zonde met den dood bezoldigt. En die dood is in de Schrift nooit met vernietiging, met niet-zijn identiek, maar bestaat altijd (...) in terugkeer tot het elementaire, chaotische zijn (vgl. het revolutionaire streven van links, van het W.E.F. (Great Reset), de V.N., die allen streven naar centralisatie, en daartoe grenzen willen wissen, en grenzen scheppen is juist het kenmerk van orde scheppen, R.B.). (...)
De zonde had eigenlijk, naar haar aard, op hetzelfde oogenblik dat zij bedreven werd, den vollen, ganschen dood tengevolge moeten hebben, (Gen. 2:17), terugkeer van heel den kosmos tot zijn chaotisch bestaan. (...) Zonde in de ziel brengt van zelf een vloek over het lichaam (ik moet eerlijk zeggen dat ik de mensen lelijker vind naarmate de ontkerstening in dit land voortschrijdt, lelijker dan vroeger, R.B.). (...) Alles op deze wereld is op den mensch aangelegd (dit is in lijn met de wijsbegeerte der wetsidee, denk aan de titel van de inleiding daarop, die ik elders op deze webstek bespreek, van prof. dr. A. Troost: ' Anthropocentrische totaliteitswetenschap', R.B.). (...)
de wetenschap, dat de rechte of scheeve verhouding waarin de mensch, als de spil der gansche schepping, tot God staat, (is) oorzaak (...), dat Gods aangezicht zich in zegening en gunst, of wel in toorn en vloek naar deze wereld keert (geldt ook op nationaal niveau, R.B.)'.
29) pp. 179-181 (over het intreden der gemene gratie):
'Ware er niets bijzonders gebeurd, dan zou onmiddellijk na den zondeval van Adam en Eva in het Paradijs, het oordeel Gods ten volle zijn ingetreden en de straf des Heeren in volle zwaarte op den mensch zijn neergekomen.
Dat wil zeggen, dan zouden Adam en Eva den dood gestorven zijn, niet slechts den geestelijken dood, maar ook den lichamelijken dood; niet slechts den tijdelijken dood, maar ook den eeuwigen dood. Juister gezegd, van een tijdelijken dood zou geen sprake geweest zijn, en de eeuwige dood naar ziel en lichaam zou aanstonds zijn ingetreden. En heel de Schepping Gods zou van haar glans en heerlijkheid beroofd zijn geworden, en de wereld zou weer geworden zijn een aarde die woest en ledig was, een chaos, in diepe duisternis, zonder licht.
Maar ge weet, zóó is het niet geschied. Adam en Eva bleven beiden in het leven gespaard; zonen en dochteren werden hun geboren en de aarde bood spijs en drank om het leven in stand te houden. Een groot menschengeslacht heeft zich ontwikkeld, en de historie heeft haar loop door de eeuwen heen gedaan. Ondanks den vloek, over de aarde uitgesproken, wordt er op die aarde toch veel goeds genoten en veel heerlijks gezien, zoodat het den meesten moeilijk valt van haar te scheiden, en men zijn huis wel eeuwig op aarde gegrondvest wenschte te zien. (...) Gods lankmoedigheid openbaarde zich, de deugd des Heeren, waardoor Zijn toorn wordt ingehouden en Zijn straf wordt uitgesteld. Gods de Heere kwam tusschenbeide met de Gemeene Gratie, een genade den gevallen mensch als mensch bewezen, waardoor de zonde werd beteugeld en de vloek werd bedwongen en de dood werd uitgesteld. (...)
Maar bij deze Gemeene Gratie, die niet meer doet dan zonde en vloek stuiten, blijft het niet, want daarin ligt niet de redding en behoudenis voor eeuwig. Zijn eeuwige barmhartigheid openbaart God de Heere in de particuliere genade om Zijn uitverkorenen van zonde en ellende te verlossen, niet slechts om in hen de zonde te stuiten, maar om van die zonde hen af te brengen, ja volkomen te verlossen, en van den vloek algeheel te bevrijden.
Deze gemeene gratie en particuliere genade hangen nauw samen. De eerste is er, opdat de tweede mogelijk zou zijn. (...)
Maar er is meer. Niet alleen dat Gods volk op aarde leven kan en zijn taak vervullen, dank zij de Gemeene Gratie, maar die wordt ook verkregen, omdat God Zijn hooge eere tegenover satan handhaaft. Ware, na den zondeval, het menschelijk leven aan den vollen onbeperkten dood prijsgegeven, en de aarde tot een woestenij en levenlozen chaos geworden, dan zou de toeleg van satan gelukt zijn, en het werk Gods in de schepping vernield. Dan zou God Zijn scheppingswerk tegenover satan niet hebben kunnen handhaven. En dat gedoogt Gods eere niet. (...)
Eens, als de genade ten volle zal doorbreken, óók in heel het rijk der natuur, dan vloeien gemeene gratie en particuliere genade ineen, en het heilige volk zal beërven het gezegend aardrijk'.
30) pp. 185-215 (over wat er overbleef aan het beeld Gods zijn dankzij de gemene gratie na de zondeval ('de overblijfselen en vonkskens' daarvan)):
'Over wat in den gevallen zondaar van het beeld Gods, dank zij de gemeene gratie, bewaard bleef, spreekt artikel XIV onzer Confessie in deze woorden: 'en in al zijn wegen goddeloos, verkeerd en verdorven geworden zijnde, heeft hij verloren al zijn uitnemende gaven, die hij van God ontvangen had, en heeft niets anders overig behouden dan kleine overblijfselen daarvan, dewelken genoegzaam zijn om den mensch alle onschuld te benemen'. (...)
De mensch is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, in tweeërlei opzicht, in zijn wezen èn in zijn natuur. Het beeld Gods in zijn wezen is voor den mensch onverliesbaar, want verloor hij dat, hij hield van stonde aan op een mensch te zijn. De mensch blijft als zondaar in dit tijdelijk leven, als rampzalige in de eeuwige verdoemenis, het beeld Gods in zijn wezen dragen, omdat hij mensch is en blijft in al die omstandigheden. Maar in zijn natuur heeft hij het beeld Gods verloren, want deze was heilig en is verdorven geworden. Heel het bederf, dat over den mensch gekomen is, heeft zich in zijn natuur vastgezet, en komt daarin tot uiting en openbaring.
Maar dank zij de gemeene gratie is er een stuitende en remmende genade Gods, waardoor een tijd lang het bederf in die menschelijke natuur niet ten volle doorwerkt en iets, hoe weinig ook, gezien wordt, dat de herinnering aan het beeld Gods bewaart. Onze vaderen noemden dat de kleine overblijfselen en de glinsterende vonkskens. (...) eenige kracht tot zaligheid wordt daarin niet gevonden. De gevallen mensch is en blijft bij dat alles geestelijk dood, dood in zonden en misdaden, onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad. Alleen Gods wederbarende genade brengt hierin verandering ten goede, want alleen de wedergeborene kan het Koninkrijk Gods zien en ingaan.
Het eerste waar we op te letten hebben bij de overblijfselen van het beeld Gods in den gevallen zondaar, is de bewaring van den godsdienstigen zin. (...) We staan hier voor het probleem van de heidensche religie. (...) Calvijn heeft hierop bij voortduur gewezen. Hij wees op den sensus divinitatis, het godsdienstig gevoel, op het semen religionis, het zaad der religie, dat in den natuurlijken mensch aanwezig is en gevonden wordt. (...) de gevallen zondaar heeft iets van de religie bewaard, en laat daarin een overblijfsel van het beeld Gods zien. (...) Het punt waarop het hier aankomt is niet, dat er eenige kennis van God is bewaard gebleven, maar dat er eenige vreeze Gods en behoefte om, op wat wijze dan ook, Hem te dienen, stand hield. (...)
om het overblijfsel van het beeld Gods in den gevallen zondaar te vinden, moeten wij niet alleen op de kennis van God letten, noch op het geloof dat God een eenig God is, want dan zou ook bij den duivel het beeld Gods bewaard zijn gebleven. Des neen! (...)
zoo is het bij den gevallen zondaar niet. Men versta ons wel, hij is geestelijk dood en in zijn ziel stekeblind voor het koninkrijk Gods, en zijn natuur is alzoo verdorven, dat hij geneigd is en God en zijn naaste te haten. Het vijfde antwoord van den Heidelbergschen Catechismus blijft voor hem onverkort en onveranderd staan: ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten. Maar 'van nature geneigd' wil nog niet zeggen, dat al is de neiging er, het ook aanstonds tot het daadwerkelijke komt.
Het is juist de gemeene gratie, die tegen deze neiging in gaat en haar bedwingt. De neiging is er en zij blijft bij den zondaar, (...) Maar de gemeene gratie maakt dan toch, dat de zondaar, al is hij van nature geneigd God te haten, aan die neiging niet toegeeft, zooals de duivelen doen, maar dat er bij hem nog een zoeken van God is, en een streven om Hem te dienen, zooals het bij de heidenen gevonden wordt. En daarin wordt een overblijfsel van het beeld Gods, een glinsterend vonkske er van, openbaar. (...)
Niet alleen in de natuurlijke Godskennis en in het zaad der religie en in het godsdienstig gevoel bezit de gevallen mensch overblijfselen van het beeld Gods, maar óók in wt men gewoon is de burgerlijke gerechtigheid te noemen. (...)
opgericht werd het verbond der gemeente gratie met Noach, met zijne zonen, en met alle levende ziel. (...) De natuurlijke mensch, die niet wederom geboren is, is en blijft onder de gemeene gratie dood, dood in zijn ziel, en van hem kan niet anders gezegd worden, dan dat hij geestelijk dood is. (...)
Van nature is de mensch geneigd God te haten, en toch is er bij den Heiden een zoeken en tasten of men Hem vinden mocht. Van nature is hij geneigd den naaste te haten, en toch is er leven in burgerlijke gerechtigheid. (...) We staan metterdaad voor een wonder feit in het groote menschenleven, dat ondanks den zondeval en de verdorven natuur van den mensch, en ondanks den vloek over de aarde uitgesproken, er toch zooveel goeds en liefelijks onder de kinderen der menschen gezien wordt. (...) De zondaar heeft het beeld Gods verloren, maar hij heeft het niet zóó verloren, dat er van de wet Gods niets in zijn hart is overgebleven. (...)
Het is de fout der Ethischen, het zedelijk leven van den natuurlijken mensch te identificeeren met de heiligmaking van Gods kind. Het eerste is natuur, het tweede genade.
(...) in de burgerlijke gerechtigheid van de kinderen der wereld met hun natuurlijke deugden, zagen wij overblijfselen en vonkskens van het beeld Gods, door de gemeene gratie in den gevallen zondaar bewaard. Maar (...) Het beeld Gods toch bestaat (...) óók in de koninklijke heerschappij van den mensch over de aarde (logisch dus dat de heidense, pantheïstische milieubeweging en hun globalistische vrinden niet willen weten van deze heerschappij, want dan is er weer wat minder beeld Gods zichtbaar op deze aarde, R.B.). (...)
tot den door Hem geschapen mensch zeide Hij: weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u, en vervult de aarde en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de visschen der zee, en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt. De mensch werd dus geroepen tot de grootsche taak om de aarde te onderwerpen, en hem werd de koninklijke heerschappij verleend over het gedierte in de lucht, op het land en in het water. (...) De gansche toekomst had hij vóór zich, want het 'onderwerpen' van de aarde, het zich meester maken van de schatten der natuur (zoals uranium voor kernenergie, R.B.) en deze zich ten dienst te stellen, was waarlijk niet het werk van één dag'. (...)
In de schepping nu had God allerlei gaven neergelegd en krachten verborgen, die opgespoord moesten worden, en na ontdekt en gevonden te zijn, ten bate der menschheid moesten worden aangewend (dit is dus wel even wat anders dan wat de zgn. Christen Unie, in het voetspoor van hun aanhanger van Friedrich Schuhmacher, dr. Egbert Schuurman, ons wijs probeert te maken, nl. dat we toch vooral, als goede 'rent'meesters, niets moeten doen met de schepping en stil moeten blijven zitten omdat die er anders aan gaat; vgl. de gelijkenis van de talenten, R.B.). De dieren werden tot Adam geleid (zoals later Eva door God ook tot Adam werd geleid, R.B.), en hij gaf ze namen naar dat hun aard was; wat inhoudt dat hij wist hoe ze behandeld moesten worden, en welk gebruik ervan was te maken (cursief R.B.). Zoo was het ook met de planten, want Adam zag de beteekenis van planten en bloemen in, en wist wat er mee gedaan diende te worden. Het spreekt van zelf, dat dit ook geldt van de krachten der natuur en voor al wat het aardrijk biedt. Onze Confessie spreekt het in art. XII zoo schoon uit, dat God alles geschapen heeft 'om den mensch te dienen, ten einde dat de mensch zijn God diene'. (...) Al wat de schepping in haar schoot herbergde kon hij in het licht brengen en in zijn dienst stellen. Flora en Fauna waren zijn onderdanen, (...) Zonder gemeene gratie zou er geen menschheid geboren zijn, want de dood zou onmiddellijk voor adam en Eva zijn ingetreden. Maar de verloren menschheid zal toch in de eeuwigheid eens haar verblijf hebben in een gedeelte der schepping, waar alle gemeene gratie een einde heeft. En daarom kunnen we de vraag stellen: hoe is voor den mensch, die het beeld Gods (in zijn natuur, R.B.) verloren heeft, de toestand in de wereld? En dan kan niet anders geantwoord worden, dan dat van de koninklijke heerschappij zelfs het geringste spoor daarin niet overblijft. (...)
Ten opzichte van de heerlijkheid, die Gods kinderen wacht, zegt de Heilige Schrift: het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. (1 Joh. 3:2). Het is de heerlijkheid die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geen 's menschen hart is opgekomen'.
(...) Dat alles doet ons vragen: hoeveel grootscher en heerlijker zou de cultuurtaak, om de aarde te onderwerpen, volbracht zijn, ware de zonde niet in de wereld gekomen. (...)
Maar dit is de zonde van den cultuurmensch in de wereld, dat hij in zijn cultuur God niet zoekt, God niet dient en Gods eere vertreedt. (...)
Maar Adam ontving niet aanstonds het volle leven, en veel minder werd het hem als onverliesbaar goed geschonken. (...) Met hem was opgericht het werkverbond, en ware dit door hem gehouden, hij zou gekomen zijn tot het rijke, volle, zalige leven, dat God hem had toegedacht. Het gebeurde op den Thabor geeft ons hier eenigermate een verklaring, toen de Christus Gods verheerlijkt werd en tot een hooger aardsch leven dan wij hier kennen inging, zij het ook voor een zeer korten tijd.
Ook mogen wij hierbij denken aan de verandering, die zal plaats hebben met hen die den Jongsten Dag beleven, waarvan de apostel Paulus gewaagt: Ziet, ik zeg u een verborgenheid, wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, in een punt des tijds, in een oogenblik, met de laatste bazuin, want de bazuin zal slaan en de dooden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. (1 Cor. 15: 51,52). En ieder weet, dat het leven in den hemel (betreft dit de engelen? Engelen zijn immers al heilig, kennen geen ontwikkeling, zoals de mensen, R.B.) en op de nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont, een veel riojker en voller, en veel zaliger en heerlijker leven is, dan Adam in het paradijs van God ontvangen heeft. (...)
Adam bezat het leven niet als onverliesbaar goed, integendeel hij kon het verliezen, en heeft het ook metterdaad verloren. Hij is niet onsterfelijk geschapen, maar met de mogelijkheid om te kunnen sterven. Ware dit niet zoo, de bedreiging bij het proefgebod had geen zin. Uitdrukkelijk wordt tot hem gezegd: van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten, want ten dage dat gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. Het was met het leven van Adam niet anders dan met zijn heiligheid. Hij was zoo geschapen, dat hij heilig had kunnen blijven en de gansche wet had kunnen onderhouden (binnen het kader van het werkverbond, R.B.). Dat hij echter in zonde viel en Gods wet schond, was niet alleen door het ingeven des duivels, maar ook door moedwillige ongehoorzaamheid. Zoo is hij van de gave der heiligheid beroofd. En met zijn leven staat het niet anders, want hij is niet geschapen in de noodzakelijkheid van te moeten sterven, integendeel met de mogelijkheid van te kunnen blijven leven, zonder dat de dood intrad om aan het leven een einde te maken. Zonder zonde zou er van dood en sterven geen sprake zijn geweest. Maar uit het feit, dat God hem bij de zonde met de straf des doods dreigde, en dat na het bedrijven der zonde het vonnis des doods geveld werd, blijkt, dat de mensch, hoezeer geschapen met de mogelijkheid van eeuwig te kunnen blijven leven, toch niet onsterfelijk geschapen is. Het leven was hem geschonken en het eeuwige leven had hij kunnen verdienen (door te werken onder het werkverbond, R.B.). (...)
(nadat de zondeval een feit was, R.B.):
Toen kon het niet anders, of de dood moest komen, want de bedreiging Gods moest vervuld worden, vanwege Zijn waarheid en gerechtigheid. De geestelijke dood trad aanstonds in, alleen voor den lichamelijken dood werd uitstel verleend. (...)
De vraag waarom God tijdelijk uitstel van den lichamelijken dood verleend heeft, niet alleen aan de christenen die tot geloof en bekeering moesten komen, maar ook aan de verlorenen, bij wie daarvan geen sprake is, is niet van gering belang, integendeel van groot gewicht. De beantwoording dezer vraag behoort echter thuis in de leer der gemeene gratie, waar het plan Gods met den natuurlijken mensch, die niet tot de eeuwige zaligheid komt, in verband met het aardsche leven, wordt uiteengezet. Het betreft de eere Gods dat, ondanks de zonde en den vloek over de aarde, toch de groote cultuurtaak om de aarde te onderwerpen moest worden ondernomen, en dat aan satan getoond wordt, dat hij niets kan vernielen en verwoesten als God Almachtig het niet wil.
Maar voor ons is het van groot belang te weten en te verstaan, dat in het tijdelijk leven van den natuurlijken mensch, die zondaar geworden is en aan den dood onderworpen werd, een overblijfsel en vonkske van het beeld Gods (nl. in zijn wezen, hij is mens gebleven, R.B.) is te zien. Zoo en niet anders moet het tijdelijk leven beschouwd worden. Immers Adam vertoonde in zijn leven het beeld van Hem, die het Leven is, de levende Adam is het beeld van den levenden God. (...)
het tijdelijk leven op aarde, dat de mensch nu heeft, moet dan ook in den vollen zin des woords als een overblijfsel van het oorspronkelijk leven, zooals het in het Paradijs was, beschouwd worden. (...)
Het is ook hiermede gelegen als met de kennisse Gods. Een overblijfsel werd bewaard, en dat overblijfsel is geheel onvoldoende om tot de ware zaligheid en kennisse Gods te leiden. En bij de burgerlijke gerechtigheid zagen we, dat hierin wel een overblijfsel is van de oorspronkelijke heiligheid, maar dat het heel iets anders is dan heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zal zien. En groot is het praestatievermogen van den mensch, maar hij vermag toch niet te doen wat Adam als koning in het Paradijs doen kon. En zoo nu is ook het aardsche en natuurlijke leven na den zondeval van veel minder conditie geworden. Het leven was in het Paradijs volkomen gaaf en gezond. Van krankzinnigheid en ziekte was geen sprake. De kracht was ongebroken. Maar nu is er de kiem des doods en allerlei lijden, en de verderfelijkheid is ingetreden. (...) Het overblijfsel van het kwijnende leven is hem voor den tijd van zeventig of tachtig jaren toegezegd'.
31) pp. 216-221 (Resumtie):
'En dat de mensch naar Gods beeld geschapen is, geldt voor den mensch in zijn geheel, dus niet alleen voor den man, maar ook voor de vrouw. (...) deze waarheid (geldt) niet alleen voor de ziel, maar óók voor het lichaam (...), en (we) (hebben) aangewezen hoe de moeilijkheid is op te lossen, waar God louter Geest is, dat toch ook in het lichaam van den mensch het beeld Gods openbaar wordt. De heerlijkheid van deze openbaring werd gesteld tegenover de dwaasheid der wereld, die den oorsprong van den mensch zocht bij het dier. (...) Maar de H. Schrift openbaart den hoogen oorsprong van den mensch, dat hij naar Gods beeld is geschapen, en de historie doet ons wel evolutie in de cultuur zien, maar decadentie (devolutie, R.B.) in het religieus-ethische leven. (...) de Roomschen (...) leeren, dat het beeld Gods niet tot het wezen van den mensch behoort, maar iets extra's is, dat hem geschonken was als een gouden teugel om de booze begeerte, die van nature in hem is, vanwege den eeuwigen strijd tusschen stof en geest, te bedwingen. Maar wij loochenen het Dualisme, dien eeuwigen strijd tusschen geest en stof, tusschen ziel en lichaam, en zoeken het kwaad niet in de materie. De mensch is én naar ziel én naar lichaam beelddrager Gods, in zijn heilige natuur was niet de booze begeerlijkheid, en het beeld Gods kwam niet als iets extra's bij hem.
De onderscheiding tusschen het wezen en de natuur van den mensch, tusschen het beeld Gods in ruimeren en engeren zin (cf. het onderscheid binnen de wijsbegeerte der wetsidee tussen structuur en richting, R.B.) is daarom van zooveel gewicht, omdat zij den mensch ook als gevallen zondaar mensch doet blijven. Het beeld Gods 'in ruimeren zin' heeft de mensch niet verloren, en dat kan hij niet verliezen, want bijaldien hij dat verloor, hij zou ophouden mensch te zijn. De gevallen mensch is wel mensch gebleven, maar hij is een zondig mensch geworden. Verloren heeft hij het beeld Gods 'in engeren zin', in zijn natuur, want die is verdorven geworden. Zijn 'ik' is niet meer rechtvaardig, maar doemschuldig. Zijn verstand is niet meer verlicht om de dingen van het Koninkrijk Gods te zien, maar verduisterd en blindvoor de dingen die van boven zijn, en zijn wil is niet meer geneigd tot het goede, integendeel tot alle kwaad. (...)
Het merkwaardige is, dat de zondige mensch het beeld Gods blijft openbaren in zijn streven om de aarde te onderwerpen en al hare schatten zich dienstbaar te maken. Waar echter in de menschelijke natuur de heiligheid verdwenen is, daar heeft dit geleid in de wereldhistorie tot het zich ontwikkelen van een zondige cultuur. In de cultuur wordt openbaar, dat de mensch het beeld Gods in ruimeren zin behouden heeft, maar in engeren zin verloren heeft.
Hiermede hangt saam, dat het beeld Gods aan Adam (en dus ook Eva, zie hiervoor, R.B.) geschonken, in den loop der eeuwen tot ontplooiing moest gebracht worden. Het is veel te rijk, dan dat het in één mensch in al zijn volheid zou kunnen bestaan. De mensch treedt op in allerlei gestalte, en bezit in de veelheid der personen een groote verscheidenheid van gaven, krachten en talenten, en openbaart daarin den rijkdom van het beeld Gods, dat aan heel de menschheid gegeven is. Adam stond aan het begin, en hij had heel de toekomst voor zich. Hem (en Eva!, R.B.) was het gebod (cursief R.B.) der vruchtbaarheid gegeven, en niet Adam alleen, maar heel de menschheid zou den vollen rijkdom van het heerlijke Beeld Gods doen schitteren.
Het beeld Gods is behouden in het wezen, maar is verloren in de natuur van den mensch. (...)
de mensch, omdat hij naar Gods beeld geschapen is, is geroepen tot beoefening der cultuur, om in en door de cultuur de aarde aan zich te onderwerpen en de schatten der natuur zich ten dienste te stellen. En het is door de Gemeene Gratie, dat de mensch, na in zonde gevallen te zijn, zijn roeping ten opzichte van de natuur volvoeren kan, zij het ook, dat hij het niet meer doen kan in koninklijke majesteit, en dat de eere Gods hem daarbij niet meer het heilig doel is. (...)
Maar verloren is het beeld Gods in de heiligheid der (liever: zijner, R.B.) natuur. Het beeld Gods in engeren zin wordt bij den mensch die zondaar werd, niet meer gevonden. De oorspronkelijke rechtheid is verdwenen, voor de wijsheid kwam dwaasheid en onverstand, voor de rechtvaardigheid schuldigheid, en voor de gerechtigheid onheiligheid in de plaats.
Maar dat beeld Gods is niet voor eeuwig verloren. In den eeuwigen raad des heils heeft god verordineerd den Middelaar, die het Beeld Gods in de menschelijke natuur weer in vollen glans zou doen schitteren, en ook, dat Hij vele broederen den Beelde des Zoons gelijkvormig zou maken.
En dan bestaat de genade die den zondaar bewezen wordt in de herstelling van het Beeld Gods, dat zijn 'ik' weer rechtvaardig wordt, dat zijn verstand met goddelijk licht bestraald en verlicht wordt, en dat zijn wil weer geheiligd wordt. Alleen maar, die rechtheid is dan niet meer oorspronkelijk, maar wordt door Christus verworven, en aan Gods uitverkorenen geschonken'.
32) pp. 222-223 (opnieuw over het onderscheid tussen structuur en richting, 'WdW avant la lettre'):
'Maar hij heeft zich niet zoo beroofd, dat er van het beeld Gods niets in hem is overgebleven, want hij heeft niet opgehouden mensch te zijn (...) Hij heeft verloren het beeld Gods, niet in zijn menschelijk wezen, maar in zijn heilige natuur. De mensch is, door in zonde te vallen, niet een engel, dier of plant geworden, maar in den vollen zin van het woord een mensch gebleven, en hij heeft de gaven en krachten, die bij het menschelijk wezen behooren, en dat bepalen, allen behouden. (...) En in dat menschelijk wezen heeft hij behouden het beeld Gods het beeld in ruimeren zin, het beeld dat onverliesbaar is. Verloren heeft de mensch het beeld Gods in zijn natuur, die heilig was en het nu niet meer is. Die natuur is onheilig, zondig en verdorven geworden en heeft elken glans der heiligheid ingeboet. (...) De mensch die in zonde viel, heeft verloren het beeld Gods in engeren zin, en is zondaar geworden. In zijn wezen heeft hij het beeld Gods behouden, ten opzichte van zijn natuur heeft hij opgehouden beelddrager Gods te zijn'.
33) p. 225 (over de oorsprong der beeldendienst):
'We staan hier voor het merkwaardige feit, dat later in den beeldendienst der Heidenen het dier zulk een voorname plaats inneemt, en dat het beeld Gods bijna altoos in het beeld van een of ander dier gevonden werd, en wij komen later daarop breedvoerig terug. Maar nu reeds dient de aandacht er op gevestigd te worden, dat de mensch in het Paradijs met het dier de onde der afgoderij bedreven heeft, omdat aan het woord van de slang meer vertrouwen werd toegekend dan aan het Woord van God. En wij kunnen nu reeds zeggen, dat het geloof aan het woord van het slangenbeest zich gewroken heeft in den beeldendienst van het dier in latere tijden'.
34) p. 227-228 (over de onmogelijkheid na de zondeval van verkrijging van juiste Godskennis uit de natuur sec):
'De openbaring Gods in de natuur werd door den zondaar, wiens verstand verduisterd was, niet recht meer verstaan (...) zij wordt door den gevallen mensch niet goed en juist verstaan. Hij heeft (...) de Heilige Schrift noodig om op die natuur rondom hem den juisten kijk te verkrijgen. (...) en nu wordt de religie in verkeerde banen geleid. (...) Afgoderij is de doolgeraakte religie van den mensch die zondaar geworden is'.
35) p. 228 (dat de heiden altijd nog hoger staat dan de atheïst):
'Onderschat wordt de afgoderij door hem die haar van nul- en geenerlei waarde acht. En dan moet toch gezegd worden, dat de blinde heiden, die in zijn donkerheid naar God zoekt of hij Hem ook vinden en tasten mocht (Hand. 17:27), en die op gebrekkige wijze zijn afgod religieus vereert, hooger staat dan de cultuurmensch, die naar God niet vraagt en het practisch Atheïsme beoefent'.
36) pp. 230-234 (over het zoeken naar het beeld gods door de mens nadat hij dat kwijt is geraakt door de zondeval):
'Afgoderij is inwendig en wordt in het hart van den mensch gevonden. Omdat de mensch naar het beeld van God geschapen is, kan hij, ja moet hij afgoderij bedrijven, zoodra zijn natuur verdorven is geworden (...) Onder afgoderij toch heeft men te verstaan de doolgeraakte religie van het zondige menschenhart, waardoor het vertrouwen des harten niet op den eenig-waarachtigen God, maar op iets anders gesteld wordt. De behoefte van den mensch vereering en liefde te geven, wordt dan niet bij God, maar daarbij voldaan. Dat andere, wat het ook zij, is niet-God, en dus een afgod. En hiermede wordt de principieele zonde tegen het eerste gebod van de Wet des Heeren bedreven. (...)
Er is bij de volkeren der oudheid een Paradijs-traditie bewaard gebleven. Er is een onverbrekelijke saamhorigheid van het gansche menschelijke geslacht. Alle menschen saam zijn het nakroost van den éénen stamvader Adam. Vandaar is het gekomen dat niet alleen bij de vrome patriarchen en bij het volk Israël de heugenis van het Paradijs en de geschiedenis van den Zondvloed bewaard is gebleven, maar ook bij de volken rondom, die God had prijsgegeven aan het goeddunken huns harten. (...)
als nakroost van Adam hebben (...) (de Heidenen) van (het, R.B.) Paradijs gehoord, en eenigermate de wetenschap bewaard, dat in het Paradijs God zijn beeld had in den door Hem geschapen mensch. Zij weten, door traditie in hun geslacht bewaard, dat het Paradijs verloren is en dat het Beeld Gods op aarde verloren is. In de menschelijke natuur ligt de behoefte om het verlorene te zoeken, en niet te rusten vóór het gemiste gevonden is. En zoo is gekomen in de heidenwereld de drang om het verloren beeld Gods te zoeken en te maken. (...)
De zondaar staat schuldig aan creatuur-vergoding (...)
De Modernen plegen gaarne te spreken van 'de geschiedenis der godsdiensten'. Alzoo doet de Gereformeerde niet, want voor hem bestaan er niet godsdiensten, in het meervoud. Voor den Gereformeerde is er maar één Godsdienst, de Christelijke, en voor hem is elke andere 'godsdienst' die zich als zoodanig aanbiedt, valsche godsdienst of pseudo-religie, hetzij deze in het Oosten of in het Westen gevonden wordt'.
37)
Maak jouw eigen website met JouwWeb