Ga direct naar de hoofdinhoud

GEWENSCHTE VERTROOSTING

naar aanleiding van de leergeschillen in de gereformeerde kerken

door

Dr. B. Wielenga

J.H. Kok, Kampen (z.j.)

 

Dr. B. Wielenga schreef deze brochure ter verheldering en ter vredestichting in de door hem terecht zo genaamde 'ellendigheid', waarin de G.K.N. (hij spreekt ten onrechte steeds van 'de Kerk', dus in het enkelvoud) door de leergeschillen waren geraakt. Dit, omdat ook na de synodale beslissingen de strijd over de dogmatische en kerkrechtelijke moeilijkheden voort woedde. Op het moment van schrijven had toen reeds een aantal bezwaarden de G.K.N. verlaten. 

Overigens heb ik zelf, inmiddels het e.e.a. gelezen hebbende, begrepen, dat dat voornoemde gevoel van 'ellendigheid' zich beperkte tot de synodale zijde. De zgn. 'vrijgemaakten' waren juist opgetogen, blij te moede, dat er sprake was van deze kerkscheuring (sic). Wanneer ik D.V. later nog een andere publicatie hierover op deze webstek moge plaatsen, zal dat nog duidelijker blijken. Maar ik wil wel zeggen, dat die geest van uitbundigheid aan de zijde der kerkscheurders puur onbijbels is, als ik dit vergelijk met hetgeen dr. Wielenga op de pp. 3-4 verhaalt over de kerkelijke strijd in Handelingen 15. Voorafgaande aan die meerdere vergadering overheerste in de kerk, zo schrijft Wielenga,

'wegens den twist, niet toorn, wraakzucht, maar droefheid. De geloovigen hadden de kerk, als schepping van Christus, als instituut des heils, en als openbaring van de gemeenschap der heiligen, te lief  dan dat zij niet diep innerlijk zouden treuren, om de verdeeldheid en de wereldsche (vet R.B.) vechthouding van zeer begaafde en geliefde broeders'.

Maar dr. Wielenga is heel wat milder over de bezwaarden dan ik. Ik denk dat hun uitbundigheid over de kerkscheuring niet tot hem door was gedrongen, of heeft willen dringen, wellicht uit psychische zelfverdediging, of hem ontgaan was, of zich nog niet zo zeer heeft kunnen manifesteren op dat moment. Wellicht kon hij zich simpelweg die uitbundigheid aan 'vrijgemaakte' zijde niet voorstellen. Zo schrijft hij op de p. 5:

'De loop der dingen heeft bewezen, dat er echte bezwaardheid is om den gang der kerkelijke zaak, speciaal over sommige beslissingen van de synode. Deze bezwaardheid mogen wij niet per sé beschouwen als voortkomend uit lust tot twist, maar moeten wij willen zien in verband met de liefde tot de kerk in haar gereformeerde kracht en schoonheid'.

Ik echter geloof wel in de lust tot twist bij K. Schilder, terwijl hiertegenover Wielenga op pp. 15-16 terecht opmerkt, dat

'Niemand zal kunnen ontkennen, dat de synode getracht heeft in den weg van zéér lankmoedige samenspreking tot de gewenschte eenheid te komen'.

Ik geloof niet, dat hij ècht bezwaard was, maar, zoals Wielenga het op p.7 noemt, 'malcontent'. Wielenga schrijft over zulke lieden:

'Zij zijn niet echt bezwaard, maar malcontent. Hoe meer ge tot hen van vrede spreekt, te vuriger kiezen zij voor de oppositie'.

Dit past naadloos op de figuur van K. Schilder! Hij, van nederige komaf, had ook een persoonlijke aversie jegens dr. H.H. Kuyper, de oudste zoon van dr. A. Kuyper sr.. Hij heeft van meet af aan ernaar gestreefd te behoren tot de zgn. 'kerkelijke élites' van die dagen. Daarom kon hij, nog niet de machtspositie bekledende van hoogleraar te Kampen te zijn, nog geen naam gemaakt hebbende, zich een tegendraadse, op A. Kuyper sr. kritische houding nog niet veroorloven. Toen hij nog niet zo ver was, zo las ik ergens, zei hij eens dat hij 'toen nog niet mee deed' (!?). Dit zegt wel iets over de verwrongen kijk op de kerk van deze man. Hoe hij 'erin zat'.     

En aangaande zijn compaan, dr. S. Greydanus, geloof ik, dat er in hem op een gegeven moment een heel andere geest is gevaren dan daarvoor. Misschien voelde hij zich vanwege zijn Friese afkomst geroepen om een koppige, ja, recalcitrante houding aan te nemen. Van hem, tot dan toe een geweldig theoloog, vind ik het heel erg dat hij zozeer af is gevallen. Aantoonbaar (dat blijkt heel duidelijk uit de driedelige brochurereeks 'Verbond en doop' van dr. A. de Bondt en ds. J. Weggemans, waarvan ik de bespreking later aan deze webstek hoop toe te voegen) sprak Greydanus rondom de 'vrijmaking' zichzelf keihard tegen, zijn vroegere werk indachtig. Zo zonde. 

Dat alleen de synodalen zich ellendig voelden terwijl de 'vrijgemaakten' uitbundig waren kan verder ook al enigszins gesmaakt worden uit het volgende in deze brochure. Op p. 8: 

'Het getal der bezwaarden is misschien eer groeiend dan afnemend (...) soms tengevolge van propagandistische actie (...)'.  

Het is toch niet te bevatten, indachtig de vaak tere kwesties waarover het ging, en ook indachtig de keurige gang van zaken in kerkordelijk opzicht (ik kom D.V. ook hier later nog op terug), dat zelfs Wielenga hier het woord 'propagandistische' kennelijk heeft moeten gebruiken? 

T.a.p.:

'Er is niet, gelijk na de leerbeslissing in 1905 over de doopkwestie, een algemeene behoefte tot zwijgen, een vreugde in herwonnen vrede, maar een voorbereiding tot uitersten strijd'.    

Ik sta aan de kant van andere bezwaarden die Wielenga op p. 5 noemt, nl. diegenen die bezwaard zijn 

'om de tegen den geest van ootmoed en eerbied strijdende houding, door sommige broeders in het geding aangenomen. Bezwaardheid dus om anderer bezwaardheid, waardoor schadelijk rumoer in de kerk aangericht wordt'. 

Terecht schrijft Wielenga t.a.p., dat inhoudelijk bezien, op het terrein der leergeschillen, de zaak, waarover de strijd ging, ter synode keurig bijna eenstemmig was beslist. Zie ook p. 13:

'De heftigheid en de omvang van den broederstrijd aangaande leerpunten, waarover de kerk vroeger eenparig uitspraak deed en waarover sindsdien 40 jaar lang zoo goed als eenparig gezwegen werd (...)'.

En de synode?: dat is de meest omvattende kerkvergadering die we kennen binnen ons Bijbelse, gereformeerd-presbyteriaanse stelsel van kerkenordening. Bezwaarden, met gravamina tegen iets uit de leer van onze kerken wat zij achten in strijd te zijn met de H. Schrift en de belijdenis, verplichten zich neer te leggen bij synode-uitspraken, en kunnen dan pas weer op de zaak terugkomen, met redenen omkleed, op de volgende synode. Dát is de koninklijke weg, die niets te maken heeft met de hiërarchie van lagere en hogere kerkvergaderingen, en met 'synodalisme'. Deze koninklijke weg hebben de art. 31-bezwaarden niet willen bewandelen, daarmede zichzelf op dit punt als 'gereformeerden' diskwalificerend. Ze waren het m.n. oneens met de synode op het punt van de relatie tussen kinderdoop en het moment van wedergeboorte, en bleken er een arminiaans, dat is remonstrants standpunt op na te houden, wat ook niet bepaald gereformeerd is. Eens te meer blijkt de waarheid van het Bijbelse gezegde, dat niet alles Israël is, wat uit Israël is, maar dan toegepast op gereformeerd zijn. Het zou later blijken dat zij zichzelf dolgraag tooien met de benaming van gereformeerd zijn, en - sectarisch - van de ware kerk te zijn. Het voorgaande, d.i. hun kijk op kinderdoop en genadeverbond, en hun kerkrechtelijke gedrag, bewijzen wel anders. En dan heb ik nog niet eens hun kritiek op de leer der gemene gratie genoemd (toen ik nog niet zo lang geleden vernam, dat 'vrijgemaakten' het ook al van oudsher oneens waren met (ook) dr. Abraham Kuypers leer der gemene gratie, wist ik aanvankelijk niet wat ik hoorde!). Ik ben het dan ook niet eens met Wielenga's uitspraak t.a.p.:     

'Maar bezwaard zijn allen, die onze kerk (ten onrechte gebruikt Wielenga in deze brochure steeds de enkelvoudsvorm 'kerk', R.B.) van harte liefhebben en vertroosting is dus het middel, dat zij allen behoeven (...)'. 

Maar mèt hem ben ik van mening, dat die hele 'vrijmaking', strikt objectief bekeken, net zo weinig, nl. helemaal nooit, had hoeven plaats te vinden als het ontstaan in 1892 van de zgn. 'Christelijk Gereformeerde Kerken'. Wielenga op pp. 10-11:

'Toen de twee groepen van uitgetredenen  (nl. de Afgescheidenen van 1834 en de Dolerenden van 1886, R.B.) elkander vonden, in 1892, een nieuwe beweging vooral in verband met de verbondsleer en de beschouwing van den kinderdoop. Deze twisting eindigde niet in de gewenschte vertroosting. Onbegrepen en niet-begrijpend gingen de broeders en zusters van hetzelfde huis uiteen. De Christelijk Gereformeerde kerk staat nog naast ons met éénzelfde belijdenis en niemand weet hoe wij uit deze onnoodige ellende moeten geraken'. 

Hoewel ik momenteel nog niet het fijne van de gebeurtenissen in 1892 weet begreep ik uit een ander geschrift wel, dat sommige afgescheidenen niet met Abraham Kuypers regie mee wilden gaan. Iets persoonlijks dus. Iets met leiderschapsstijl, met (over)gevoelige ego's wellicht. Men voelde zich in zijn wiek geschoten, zo gezegd. Los van leerkwestiën.

Maar of ik het met Wielenga (en ook met bv. met de V.U.-hoogleraren H. Dooyeweerd  en D. Th. Vollenhoven trouwens) op de pp. 10-11 eens ben, dat 

'De zaak zelf (...) niet van de diepst fundamenteele beteekenis (is). Het gaat niet, als in vroeger eeuw, over de wezensbestanddeelen van het evangelie, de Godheid van Christus, de souvereiniteit Gods in het werk der verlossing, het gezag van de Schrift, maar over aard en structuur van het genadeverbond, bijzonderlijk over de vraag wat beteekenis het verbond heeft voor onze kinderen, in hoever met de toebedeeling van de bondsweldaden bij den kinderdoop rekening gehouden moet worden, speciaal of deze doop beschouwd moet worden als verzegeling van inwendig aanwezige genade (wedergeboorte), dan wel als begiftiging met zekere verbondsheiligheid (die voor allen geldt zonder onderscheid), en in verband daarmede als aanwijzing van (alleen maar, R.B.) belofte en verplichting tot bekeering. (...) Wij (...) achten het niet onmogelijk, dat het verschil met handhaving van het kerkelijk verband en de broederlijke gemeenschap tot oplossing te brengen zou zijn'.   

weet ik (al zeg ik dit als niet-theoloog) zo net nog niet. Want op kerkscheurders-standpunt is God het niet die inwendig, door de H. Geest, voor of tijdens of zelfs na de doop, de wedergeboorte schenkt aan de uitverkorenen, aan de gelovigen. God biedt de genadeverbondsweldaden alleen maar objectief aan, maar werkt inwendig niets, ook niet bij de uitverkorenen. Hij heeft, vrij gezegd, maar af te wachten wat de gedoopte zal beslissen. God is dus bij de kerkscheurders niet meer de absolute Souverein, maar op dit punt afhankelijk van de autonome keuze van de (gedoopte)  mens. Van een uitverkiezing van eeuwigheid blijft dan niet veel meer over. God is dan niet absoluut souverein meer. God is dan eigenlijk God niet meer!: het remonstrantse standpunt.

Terwijl de gereformeerden weliswaar uit de H. Schrift weten, dat niet allen Israël zijn die uit Israël zijn, dus dat niet alle kinderen van gelovige ouders, niet al het zaad des verbonds, uitverkoren zijn, maar dat er ook vele hypocrieten in de kerk zijn, maar dat wij mensen, anders dan God, niet het hart van iedere individuele dopeling kunnen kennen, laat staan zijn of haar toekomstige levensloop. En daarom veronderstellen de gereformeerden (niet alleen Kuyper sr., maar reeds grote gereformeerden voor hem!), dat alle kinderen van gelovige ouders die ter doop aangeboden worden, wedergeboren zijn voor de doop, of dat zullen worden tijdens of op enig moment na de doop. Zij worden door de gereformeerden, vanuit hun oordeel der liefde, gehouden voor wedergeboren totdat later in het leven van een gedoopte onverhoopt uit leer of levenswandel anders moge blijken.

Mij lijkt helemaal niets mis met deze strikt Bijbelse visie. Wèl met het arminiaanse standpunt van de 'vrijgemaakten', dat zozeer in de tijd voorafgaande aan de bekende synode van Dordrecht 1618/1619 de gereformeerde kerken bedreigde. Het is dus goed geweest dat de kerkelijke tucht door de synode over de leer van Schilder en de latere Greydanus (Greydanus 2, Greydanus secundus) gehandhaafd werd! Dat 10% van de G.K.N. met hen mee scheurde heeft voor het overgrote deel te maken met schandelijke misleidende practijken jegens vele goede, maar misleide mensen die ook meestal te eenvoudig of te druk met hun dagelijkse leven waren om e.e.a. te kunnen begrijpen, practijken, waarop ik nog terug hoop te komen.  

In het voorgaande noemt Wielenga het gezag van de Schrift als legitieme reden voor kerkelijke leertucht. Ik moet dan meteen denken aan lieden zoals H. Kuitert en H. Wiersinga. Zij profiteerden van de traumatische ervaring der 'vrijmaking' bij de G.K.N. in die zin, dat op hun dwalingen helaas niet ook de kerkelijke leertucht werd toegepast, waardoor zij niet werden geschorst, niet werden afgezet, wat eigenlijk een zeer vleselijke, want kleingelovige terughoudendheid is geweest van de verantwoordelijken, m.n. van prof. dr. G.C. Berkouwer, die zowel nauw betrokken was bij de gebeurtenissen rondom de 'vrijmaking', als de promotor was van de ketterse dr. H. Kuitert. Ik geloof dat, ware er destijds, zo rond 1970, wel adequaat opgetreden tegen deze twee figuren, door Gods zegen onze G.K.N.er zeer veel sterker uitgekomen zouden zijn, in plaats van over links te gronde te zijn gegaan door massale kerkverlating en uiteindelijk door oplossing, teloor gaan in het hiërarchische 'Samen-op-Weg kerkverband der P.K.N., waarvan zelfs de luthersen deel uitmaken! Horribile dictu.

Het ging dus ten tijde van die 'Vrijmaking' werkelijk wel ergens om. Er valt niets in te brengen tegen de unanieme uitspraken van de synoden van 1939-1944 op inhoudelijk theologisch gebied. Dit had Schilder ook door in 1942. Op inhoudelijk theologisch gebied moet hij toen geen kans meer gezien hebben om met goed fatsoen een kerkscheuring te bewerkstelligen en de grote man van een nieuwe kerk, sterker nog: een nieuwe zuil, een soort van Abraham Kuyper sr., te worden. Hij ging het toen over een andere boeg gooien: de kerkrechtelijke, kerkordelijke boeg. Op die gronden werd Greydanus 2 als hoogleraar geschorst en Schilder als hoogleraar geschorst en als predikant afgezet. Al is hij de G.K.N. niet uitgezet. Ik kom hierop nog terug bij het plaatsen op deze webstek van mijn bespreking van relevante delen uit 'Een kerk in beroering' van de kleinzoon van dr. J. Ridderbos, en van mijn bespreking van werk van dr. M. Bouwman, zoon van de kerkrechtspecialist dr. H. Bouwman. Maar terecht noemt ook Wielenga dit op p.15:

'Dat hierbij het middel van de kerkelijke tucht niet uitgesloten wordt, spreekt te zeer vanzelf dan dat we er opzettelijk over behoeven te handelen. De sleutelen des hemelrijks zijn aan de kerk in handen gegeven om aanranding van leer of leven te straffen en door deze straf den overtreder te behouden en de kerk zelf te zuiveren'. 

Ik zou nog wat waardevolle citaten van Wielenga uit deze brochure willen doorgeven, soms met mijn commentaar daarbij:

p.16:

'De geschiedenis der kerk bewijst, dat de meeningsverschillen soms zijn als stormen, die na enigen vtijd als uit-gewaaid schijnen te zijn. Inzake den strijd over supra en infra (-lapsarisme,R.B.) heeft de kerk geen beslissende uitspraak gedaan. Heeft zij er schade van gehad?'

pp. 16-17:

'Dr. Kuyper zegt in zijn voorrede bij de uitgave der Drie Formulieren: 'Al deze betuigingen hebben niet het minste gezag over de conscientiën. Betuiging van instemming beduidt dat men de Belijdenis als de zuiverste tot dusver bekende kerkbelijdenis eert

(...) in een uitspraak als deze (ligt) de vermaning om aan de vrijheid tot profetisch onderzoek (libertas prophetandi) even ernstigen nadruk als aan de orde van het kerkelijk belijden te geven. 

Dit geldt dus ook de beschouwing van den kinderdoop (...)'.

p. 17:

'De Geref. kerk heeft inzake art. 36 van de belijdenis getoond, dat zij niet vreesde een deel uit den ouden woordschat te verwijderen, teneinde aan de bezwaren van onze Geref. theologen tegemoet te komen'. 

Dat de 'vrijgemaakten' lang niet zo rouwig om de kerkelijke ellende waren en lang niet zo broederlijk erin zaten als de synodale kant bewijzen wel  de volgende acties die Wielenga beschrijft:

p. 19:

'(...) terwijl daarentegen gevaarlijk, en meer tot politieke usanties behoorend, (...) de acties (zijn),die vanuit verborgen centrum gevoerd worden, met behulp van een verspreidingsbureau, het opmaken van adreslijsten, het verzamelen van handteekeningen, het vormen van ondersteuningskassen'. 

Met in een voetnoot:

'Speciaal het kwaad, waardoor de eer van de kerk bezoedeld en de gemeenschap der heiligen verbroken wordt, is een misdrijf, dat de zwaarste kerkelijke straf verdient, temeer wanneer de kerkverscheuring gepaard gaat met beleedigende schimptaal tegenover de wettige ambtsdragers en hun ambtelijke vergadering'. 

Nou, het eerder genoemde boek 'Een kerk in beroering' van dr. J. Ridderbos toont, dat hiervan bij K. Schilder c.s. uitgebreid sprake was!    

Betreffende de leeruitspraak van 1905:

pp. 20-21:

'De leeruitspraak van 1905 had indertijd een gezonden klank en verzoenende kracht. Toch was zij, gelijk boven opgemerkt, in werkelijkheid een compromis. Van weerszijden werden gevoelens erkend, offers gebracht, om tot den vurig gewilden vrede te komen. Dat deze uitspraak bij later overwegen onvoldaanheid wekt, moet ons dus niet te zeer verwonderen. Wie, gelijk Dr. Kuyper (die niet ter synode aanwezig was!, R.B.), vasthoudt aan de gedachte, dat het sacrament naar zijn aard beteekent de verzegeling van aanwezig geloof, kan moeilijk instemmen met de verklaring, dat dit geloofsbeginsel (wedergeboorte) ook na den doop gewerkt kan worden. In dit geval toch zou het sacrament enkel een belofte, zonder concreten, aanwezigen levensinhoud verzegelen. Evenmin kunnen zij, die den kinderdoop alleen tot belofte en eisch beperken, in deze uitspraak roemen. Er valt toch wel een sterk accent op de wedergeboorte als aanwezige werkelijkheid. Praktisch is de uitspraak van 1905 wel geen triomf van de B-broeders over de broeders der Scheiding geweest. Eer het tegendeel. Kuyper en de zijnen gaven het meest toe, in ieder geval méér dan men na hun duidelijk gepropageerde stellingen verwachten kon. 

(voetnoot: 'Er is reeds veel over de verzoening in 1905 door de verrassend eenstemmige uitspraak geschreven. Er behoeft niet aan getwijfeld te worde, dat niemand een oplossing bedoeld heeft, waarbij iets van het beginsel opgeofferd werd, hetzij ter ééne of ter andere zijde. Men heeft werkelijk bedoeld en, in zoover toen mogelijk was, ook bereikt elkaar op den grondslag der oude, onvervalschte gereformeerde waarheid te vinden. Maar achteraf, het toen genomen besluit keurend, ziet men toch duidelijk de sporen van een toegeven uit liefde, zonder gelijkwaardige overwinning van het waarheidslicht. Afgedacht nog van de ongelukkige, scholastische uitdrukkingswijze: hetzij vóór of onder of na den doop, is er in de woordjes voor of onder een toegeven van de zijde dergenen, die op de z.g. verbondsheiligheid nadruk leggen; in het woordje na een toegeven van hen, die de wedergeboorte tusschen verkiezing en doop inschakelen, onmiskenbaar. er is tegenspraak tusschen de betuiging: het sacrament verzegelt per sé, als zoodanig de inwendige vernieuwing en de erkenning: de wedergeboorte kan ook na den doop geschieden'.)

Maar een sterke gelukkige oplossing is een compromis uiteraard nooit. Er blijft iets haken en wringen, dat men, om des vredes wil, wegdringt in het onderbewuste. Maar ook dit opgesloten effect kan weer tevoorschijn komen en dan verliest het compromis zijn stichtelijke kracht. Daarom is, nu eenmaal de verscheidenheid van gevoelens weer openbaar geworden is, ons bescheiden advies, dat de synode heel de zaak van de verhouding tusschen kinderdoop en wedergeboorte opnieuw in studie neme, in ieder geval maatregelen treffe, dat de kwestie zoo grondig en veelzijdig mogelijk worde onderzocht, ook weer met afweging van woorden en begrippen (als wedergeboorte) en met erkenning van de variaties bij de vaderen inzake deze leer. Wanneer in de kerken algemeen medewerking en instemming gevonden is, kan er zoo nodig een vernieuwde uitspraak volgen, wier bindende kracht naar ons inzien niet het primaire karakter van de belijdenis heeft, omdat ze een belijdenis aangaande de belijdenis is. Hier geldt nog meer de voorzichtigheid, waarover we reeds uit Kuyper's voorrede (Drie Formulieren) iets aanhaalden'.

Anders dan dr. Wielenga zie ik toch niet in dat de leeruitspraak van 1905 een compromis is, onderhevig aan de tand des tijds. Ik zie er geen logische tegenstrijdigheid in, maar zie hem veeleer als een eenheid. Waarom?

Wij mensen kunnen, anders dan de Here God, niet het hart aanzien, en dus niet beoordelen of een dopeling door de H. Geest al of niet wedergeboren is. Wij lezen wel in de Bijbel, dat het genadeverbond ook met het zaad der bondelingen is opgericht, dat de kinderen der gelovigen daarom gedoopt moeten worden, wij lezen dat, ondanks de aanwezigheid van hypocrieten in de kerk, alle kerkleden als heiligen e.d. aangesproken worden in het N.T., en wij lezen dat niet allen Israël zijn die uit Israël zijn. Dit brengt ons ertoe om alle dopelingen te beschouwen als van eeuwigheid uitverkorenen, als gelovigen, als wedergeborenen, ongeacht de vraag of ze ten tijde van de doop, of reeds voor de doop, wedergeboren zijn, of pas op enig moment na de doop eventueel ooit wedergeboren zullen worden. Het blijft op dit standpunt dus altijd staan, dat de doop is de verzegeling van reeds aanwezig geloof. Wij weten, anders dan God, populair gezegd, als beperkte mensen nu eenmaal niet beter. Daarvan gaat het oordeel der liefde immers uit, en, zoals gezegd, wordt ook in de Bijbel er zo mee omgegaan. Totdat het tegendeel, vaak na lange tijd na de doop, uit leer of leven onverhoopt mocht blijken. Je mag m.i. dan dus niet zeggen, zoals Wielenga wel doet, dat op dit standpunt in die gevallen, dat de wedergeboorte pas na de doop plaatsvindt, die betreffende vroegere doop enkel een belofte is. Je houdt ieder gedoopt kind immers voor wedergeboren, je veronderstelt bij ieder gedoopt kind de aanwezigheid van de wedergeboorte. Het sacrament der doop verzegelt dus altijd per sé, als zodanig, bij iedere dopeling van gelovige ouders, de inwendige vernieuwing, de wedergeboorte. De doop is op dit standpunt dus meer dan een belofte. Ten aanzien van de staat van ieder gedoopt kind tasten we als mensen nu eenmaal in het duister. Dat 'voor of onder of na de doop' is dus geen innerlijke tegenstrijdigheid van een compromis, maar dekt alle mogelijkheden aangaande de staat van enig verbondskind af, omdat wij mensen het niet weten, het hart niet kunnen aanzien, en ook de toekomst niet kennen. In 1905 wilde dr. L. Lindeboom het in de leeruitspraak nog eens expliciet vermeld zien, dat de wedergeboorte ook op enig moment na de doop plaats kan (niet 'zal') vinden, terwijl Kuyper sr. c.s. met dat ervaringsfeit, omdat wij bij geen enkele dopeling het hart kunnen aanzien, reeds impliciet rekening hielden. En dus ook spreekt de H. Schrift over alle binnen de kring van het genadeverbond geborenen als gelovigen, hierbij de altijd binnen diezelfde kring eveneens aanwezige hypocrieten en andere niet-uitverkorenen oftewel ongelovigen insluitende. Eenheid is er dus in die leeruitspraak, hij draagt geen compromiskarakter. 

Op het standpunt van de remonstranten en van de wederdopers echter wordt de kinderdoop verworpen en de doop uitgesteld tot het moment dat de gelovige zelf bepaalt. Dan gaat men voorbij aan het spreken in de H. Schrift over de bondelingen, met hun zaad, zonder te onderscheiden tussen gelovigen en hypocrieten, als gelovigen, als rechtvaardigen, en gaat men - onschriftuurlijk - voorbij aan het van eeuwigheid door God uitverkoren zijn van de gelovigen. Het geloof is dan een keuze van de natuurlijke mens, die echter van nature God en zijn naaste haat, wat ongerijmd is. De mens is namelijk van nature onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Het geloof is dan geen gave van God meer. God moet dan maar afwachten wat Zijn schepsel doet. God is dan niet de absolute Souverein, oftewel: God is dan ten diepste geen God meer!

Dit standpunt kan dan ook niet het juiste zijn. Wat ons vanuit deze andere, arminiaanse kant, waar ook de zgn. 'vrijgemaakten' vertoeven, drijft tot het gereformeerde, dus niet-'vrijgemaakte' standpunt (nu even voorbij gaand aan de magische doopsopvatting van de Roomse kerk (dit vanwege het 'ex falso sequitur quod libet')). Een indirect bewijs, dus bewijs vanuit het ongerijmde dus. Op arminiaans en dopers standpunt lijkt het mij onmogelijk om een medechristen te geloven die zegt dat hij nooit zijn eigen bekeringsmoment, zijn eigen moment van wedergeboorte, bewust meegemaakt heeft. Men vergenoegt zich dan ook vaak in indrukwekkende bekeringsgeschiedenissen. En beschouwt de gereformeerde doop daarentegen als een zinledige gebeurtenis.                 

p.21:

'Onze Gereformeerde kerken zitten thans, inzake het onderdeel van een deel der belijdenis, in een impasse'.

Maar dit past wel heel goed bij een autist zoals K. Schilder.

p. 22:

'Er is iets zieligs in het schouwspel, dat wij thans in onze kerk mee aanzien, een verschijnsel van geestelijke impotentie. Wij zitten schier hopeloos vast op een secundaire kwestie van het doopdogma, terwijl heel de christenwereld door God geprepareerd wordt voor den eindstrijd in zijn koninkrijk, een strijd waarin het gaat om de centrale waarheden en om de diepste grondslagen'. 

Zie mijn vorige opmerking.

pp. 22-24:

'De bezwaarden zijn in beweging. (...) er zijn (...) elementen, die een methode voeren, welke in de kerk des Heeren niet past en moeilijk vereenigbaar is met de gedachte aan goede trouw. (...) Zielen, die geen besef hebben van de kwesties waarom het gaat, worden overreed mee te doen aan het verbreken van den band met een z.g. valsche kerk. Plaatsen waar rust en orde heerscht, worden 'bewerkt', alsof een tyrannieke synode de vrijheid in Christus afgesneden en het oude evangelie in zijn loop en werk verhinderd heeft. (...)

De Geref. kerk is daardoor in een noodtoestand geraakt, want al zouden wij niet meer dan tien procent van onze leden of gemeenten verliezen, iedere uitgang is verlies en tal van overgeblevenen verteren op verschillende plaatsen hun kracht in broederstrijd, in plaats van gezamenlijk te strijden voor de apostolische taak.   

De kwestie is dus urgent. Er moet niet passief gewacht tot een volgende synode. Nu reeds, waar het noodig is, zonder aanzien des persoons ernstige vermaning en strenge straf, en voorts eerlijke en voorzichtige actie van waakzaamheid en tot ontwaking.

Wat eenmaal gebroken is wordt moeilijk hersteld. Hier is de geschiedenis der kerk, ook van de laatste halve eeuw, een leermeesteres. De breuk van 1892 (in 1892 ging een klein deel der uit de Afscheiding van 1834 stammende Christelijke Gereformeerde Kerken niet samen met de dolerende gereformeerde kerken, R.B.) is niet geheeld, en ook wat daarna afbrak (dat betreft de beweging van ds. G.H. Kersten, waaruit in 1909 de Gereformeerde Gemeenten ontstonden, R.B.) , is van ons gescheiden gebleven. (...) Wij zijn de kerk in de branding. Er is reden te roepen: Heere, behoed ons, wij vergaan. (...) Hier is straf op zonde, gevolg van ontaarding. Op de dingen, die thans geschieden, gebiedt de Heere den verbondszegen niet.   

Waarom niet? Gods eigen Woord zegt het: de Heere gebiedt aldaar den zegen, n.l. waar de verstandige liefde woont. Het aldaar is niet ter plaatse waar (...) van de voorgangers en wettige afgevaardigden gesproken wordt als  van tirannen. Het aldaar is niet, waar de synode een 'goddelooze' vergadering genoemd wordt. Ge staat verbijsterd, dat dergelijke taal mogelijk is, in deze kerk, in dezen tijd. (...) Maar wanneer wij opstaan tot vernieuwd geloof in de kracht van Christus, dan is alles mogelijk. Ook de meer dan ooit urgente samenbinding van Gods volk in al zijn schakeeringen: leerstellig en gemoedelijk, objectief en subjectief gezinden, verbondsmannen en de mannen der bevinding, afstammelingen van de Scheiding en van de Doleantie, ook, om concreet in ons tijdsdeel te spreken, bezwaarde broeders en met de besluiten instemmende leden. Waar de wil het vóórtdurend zoeken naar waarheid en vrede is, daar is geen nood onoverwinlijk. De Heere gebiedt aldaar den zegen en het leven tot in der eeuwigheid'.