Ga direct naar de hoofdinhoud

volledige titel: 

Toelichting op de uitspraken van de generale synode van de gereformeerde kerken in Nederland inzake eenige punten der leer, in opdracht der synode opgesteld 

door

Dr. G. Ch. Aalders

Dr. G.C. Berkouwer

Ds. S.J. Popma

Dr. J. Ridderbos

 

J.H. Kok, N.V. - Kampen

 

Hieronder volgt een selectie van delen die ik van belang acht inzake de kerkscheuring van 1944: 

p. 3: 

'De Generale Synode onzer Kerken, die in 1939 te Sneek haar arbeid aanving, heeft in Juni 1942 te Utrecht een aantal zittingen gehouden, waarvan het resultaat door het officieele perscomuniqué wordt weergegeven als volgt:

'Inzake de meeningsverschillen heeft de Synode de volgende uitspraken gedaan': 

p.4:

'Aangaande genadeverbond en zelfonderzoek:

2e dat de Heere in de belofte des verbonds ongetwijfeld toezegt de God niet alleen van de geloovigen, maar ook van hun zaad te zijn (Gen.17:7);doch in Zijn Woord ons niet minder openbaart, dat zij niet allen Israël zijn, die uit Israël zijn (Rom.9:6);

3e dat daarom- overeenkomstig hetgeen de Synode van Utrecht 1905 (Acta art. 158) uitgesproken heeft - 'het zaad des verbonds krachtens de belofte Gods te houden is voor wedergeboren en in Christus geheiligd, totdat bij het opwassen uit hun wandel of leer het tegendeel blijkt'; al heeft de Synode daaraan ook terecht toegevoegd, dat dit 'geenszins zeggen wil, dat daarom elk kind waarlijk wedergeboren zou zijn'; 

4e dat de Kerk ook haar ten Avondmaal toegelaten leden naar ditzelfde oordeel der liefde heeft te beschouwen en te behandelen;

6e dat men niet minder feil gaat door een valsche tegenstelling te maken tusschen een eeuwig verbond en een verbondsbedeeling in den tijd; en door de spreekwijze der Schrift, om de leden der Kerk in het gemeen geloovigen te noemen, aldus op te vatten, dat alle kerkleden geloovigen zijn, maar dan 'geloovigen in den tijd' en daarom nog niet 'in den Raad Gods'; wat in strijd is met de Schrift, die de leden der Kerk in het gemeen evenzeer aanspreekt als 'uitverkorenen naar de voorkennis van God den Vader' (1 Petr. 1:2; vgl. Col. 3:12; Efeze 1:4-5)'. 

pp. 12-27:

'2. Genadeverbond en zelfonderzoek 

a. Het Genadeverbond

De afgewezen opvattingen gaan er terecht van uit, dat het genadeverbond niet maar een aanbod van genade is, doch de genade geeft. In verband hiermede poneren zij nu echter, dat alle gedoopten metterdaad de genade des verbonds ontvangen en dus geloovigen zijn. Een stelling, die men, hoe bevreemdend ze ook is, meent uit de schrift te kunnen bewijzen. Een groote plaats neemt hierbij in (...) het beroep op die uitspraken der Schrift, waarin zij de kerkleden in het gemeen karakteriseert als geloovigen, heiligen, broeders enz.. er wordt dan nadruk op gelegd, dat dit in vollen zin als realiteit (dus niet als louter een 'oordeel der liefde') is te verstaan. Daar nu echter de Schrift toch anderzijds van de kerkleden óók zegt, dat e verloren kunnen gaan, staat men feitelijk voor een tegenstrijdigheid.

De hier tegenover aangenomen houding is nu eenigszins verschillend. Door de eene opvatting (...) wordt zulk een tegenstrijdigheid in de Schrift inderdaad aangenomen: de Schrift zou eenerzijds leeren de volharding der heiligen, anderzijds, dat wedergeborenen kunnen afvallen en verloren gaan. Hiertegenover heeft de Synode geconstateerd, dat zulk een tegenstrijdigheid, waarbij de Schrift aangaande dezelfde zaak ja en neen zou zeggen, niet mag worden aangenomen, daar dit met de waarachtigheid Gods zou strijden.

De andere opvatting (...) heeft een oplossing gezocht in de onderscheiding tusschen een eeuwig verbond en een verbondsbedeeling in den tijd. Nu is deze onderscheiding zelve door de Synode allerminst veroordeeld, maar wel de wijze, waarop beide van elkander losgemaakt en tegenover elkander gesteld worden. Er wordt dan gesproken van 'geloovigen in den tijd', die daarom nog geen geloovigen 'in den raad Gods' zouden zijn. Een stelling, waardoor deze opvatting dan meent, zonder tegenstrijdigheidin de Schrift aan te nemen,toch te kunnen volhouden, dat de Schrift bepaalde menschen betitelt als geloovigen, zonder daarmede nog te zeggen, dat zij zalig worden.

De synode heeft zich ertoe beperkt, hiertegenover op te merken, dat dit in strijd is met de Schrift, die immers de kerkleden in het gemeen (vet R.B.) evenzeer aanspreekt als 'uitverkorenen naar de voorkennis van God den Vader'.     

Hieruit blijkt wel, dat de Schrift van zulk een tegenstelling tusschen 'geloovigen in den tijd' en 'in den raad Gods' niets weet, en dat men haar aanspreken der kerkleden als geloovigen (of uitverkorenen) moet verklaren op andere wijze, nl. als uitdrukking van een 'oordeel der liefde', waaruit vanzelf voor ieder persoonlijk de dure verplichting voortvloeit, zich rekenschap te geven, of hij waarlijk zoodanig is als waarvoor hij in de kerk des Heeren met dit oordeel der liefde wordt gehouden.

(...) 

Voorts is heel de onderscheiding tusschen 'geloovigen in den tijd' en 'in den raad Gods' een ongerijmdheid: het geloof bestaat niet anders dan in den tijd, maar bestaat dan ook geheel in overeenstemming met den raad Gods; want hen, die God in Zijn eeuwigen raad heeft gekend, dezen leidt Hij in den weg des geloofs tot de zaligheid, vgl. Rom.8:29 v.. 

Feitelijk komt dit spreken van 'geloovigen in den tijd' er dan ook op neer, dat men weliswaar de kerk als vergadering van 'geloovigen' wil beschouwen, maar het metterdaad niet doet, doordat men het geloof vevangt door iets anders, en wel door iets, dat geloovigen en hypocrieten gemeen hebben. Hieronder zal er nog op worden gewezen, dat dit niet wezenlijk verschilt van verbondsopvattingen, die door de gereformeerde theologie sinds lang met recht verworpen zijn.

(...)

De Heidelb. Catechismus (antw. 74) zegt, zonder in dezen eenig onderscheid te maken, dat de jonge kinderen zoowel als de volwassenen in het verbond Gods en (vet R.B.) in Zijne gemeente begrepen zijn; en dat zij door den doop, als door het teeken des verbonds, in de Christelijke kerk ingelijfd, en van de kinderen der ongeloovigen onderscheiden moeten worden; en in de eerste vraag van het doopsformulier wordt verklaard, dat onze kinderen in Christus geheiligd zijn, en daarom, als lidmaten Zijner gemeente, behooren gedoopt te wezen. 

(...)

Uit deze conclusies is el duidelijk, dat de Synode (en haar voorgangster van 1905) er niet aan gedacht heeft, zich te begeven op den weg van een andere verbondsopvatting, die door boven bedoelde broeders terecht is afgewezen, nl. deze, dat de verbondsbelofte niet meer zou zijn dan een (tot alle gedoopten komend) aanbod der genade, dat door den bondeling aanvaard, maar ook verworpen kan worden.

(...)

Veeleer ligt in de thans herhaalde uitspraken van 1905 (trouwens geheel in overeenstemming met Schrift, belijdenisschriften en formulieren) opgesloten, dat ook de wedergeboorte en dus in het algemeen de inwendige genade een gave des verbonds is.

Intusschen, al handhaaft de Synode dus tenvolle, dat door het verbond der genade het eeuwig heil des Heeren niet slechts aangeboden, maar metterdaad geschonken wordt, ze kon er niet aan denken, dit te willen doen op de wijze als waarop dit in de thans afgewezen opvattingen wordt beproefd. 

Veeleer moest ze oordelen, dat bij deze poging in werkelijkheid van zulk een handhaving niets terecht komt. In de eerste (afgewezen opvatting, R.B.) (...) wordt hetgeen de Schrift in dezen leert, misvormd tot twee onderscheidene leeringen, waarvan de eene de andere tegenspreekt, zoodat ze elkander wederkeerig van alle kracht berooven. En de tweede (...) doet door haar spreken van 'geloovigen in den tijd', die het daarom nog niet zijn 'in den raad Gods', wezenlijk hetzelfde. Feitelijk (...) ligt het dualistisch naast elkander stellen van een eeuwig verbond en een verbodsbedeeling in den tijd op dezelfde lijn als het uit vroegeren tijd bekende spreken van een uit- en een inwendig verbond als twee naast elkander bestaande grootheden. 

Zoo wordt bij deze opvattingen de waarheid, waarvan men wilde uitgaan, nl. dat het verbond der genade het heil niet slechts aanbiedt, maar geeft, toch metterdaad verloochend; want het heil des verbonds, dat door de sacramenten wordt beteekend en verzegeld, is dan niet meer het eeuwige en onvergankelijke heil, dat aan Gods uitverkorenen wordt geschonken.

Terwijl de Synode dus, ook in tegenstelling met genoemde opvattingen, den boven aangegeven inhoud van het verbond en van de sacramenten  naar hun idee e wezen handhaaft, legt e er anderzijds nadruk op, dat deze inhoud niet ten deel valt aan allen, die de uiterlijke teekenen ontvangen, en die uiterlijk in het verbond en in de gemeente Gods een plaats hebben ontvangen. Daarom kan het 'houden voor wedergeboren en in Christus geheiligd, totdat enz.' nooit anders zijn dan een oordeel der liefde, dat evenals het in de Schrift gebruikelijke aanspreken der kerkleden als geloovigen gepaard moet gaan met de waarschuwing: 'indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, niet liefheeft, die zij een vervloeking. Maranatha!' 1 Cor. 16:22.

Er kan dan ook geen sprake van zijn, dat dit door de kerk gegeven oordeel der liefde ook maar in het allergeringste tot een grond der zaligheid zou mogen worden gemaakt; ook vormt het wel het uitgangspunt, maar niet den inhoud der prediking; deze inhoud - en van den grond der zaligheid geldt hetzelfde - is niet anders dan Jezus Christus en Die gekruisigd, die in den weg van geloof en bekeering wordt gekend en aanvaard'.

b. Het Zelfonderzoek

Wie als kind is gedoopt, moet wel door hetzelfde geloof gezaligd worden als de buitenstaander, maar zijn geloofsleven zal toch op een andere wijze tot ontplooiing komen; en in zijn bewustwording daarvan zal hij niet mogen uitschakelen de bijzondere zorg, die god voor hem heeft gehad door hem in den kring des verbonds te doen geboren worden, hem het teeken des verbonds op het voorhoofd te doen ontvangen, hem in den weg des verbonds te doen onderwijzen en opvoeden.

Maar dit (...) kan nimmer beteekenen, dat de noodzakelijkheid van het zelfonderzoek, ook aangaande de genoemde cardinale vraag, door den doop zou worden opgeheven of ook maar verminderd.

Om dit aan te toonen, heeft de Synode volstaan met een eenvoudige herinnering aan het door allen erkende feit, dat niet iedere gedoopte het ware geloof bezit.

(...)

De besproken opvattingen, hoezeer ook onderling verschillend, hebben de gemeenschappelijke fout, dat ze niet onderscheiden tusschen de aanbieding des heils, komend tot allen, die het Evangelie hooren (en tot de gedoopten met bijzondere kracht) en de onvoorwaardelijke heilsbelofte aan de uitverkorenen, die den specialen inhoud vormt van verbond en sacrament.

Elke voorstelling, alsof ieder, aan wien het uiterlijk teeken des doops is toebediend, daarmede de persoonlijke verzekering van het kindschap Gods en het eeuwige leven heeft ontvangen, is in strijd met de waarheid.

(...)

Wanneer er bij den Christen onzekerheid en twijfel is aangaande zijn deel aan Christus, kan hier velerlei - verkeerd inzicht, verflauwing in het gebed, en in den strijd tegen de zonde - toe medewerken, maar altijd openbaart zich in die onzekerheid, dat hij zwak is in het geloof.

(...)

Het lijdt geen twijfel, of al deze uitspraken zijn geheel op de Schrift gegrond. Zij kent de zaligheid toe aan de armen van geest, aan hen, die treuren; aan de zachtmoedigen; aan hen, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; aan de barmhartigen; aan de reinen van hart; aan de vreedzamen, Matth. 5:3 v.v.; aan hen, die doen den wil des Vaders,Matth.7:21; zij spreekt van een gerechtvaardigd worden uit de werken, Jac. 2:21 v.v.'.

 

 

    

 

  

         

  

 

  

 

Maak jouw eigen website met JouwWeb