In een oude editie van het tijdschrift Radix, uitgegeven door het zgn. Gereformeerd Wetenschappelijk Genootschap, en wel in het nummer van april 1985, kwam ik een artikel tegen van de hand van drs. K.B. van Popta (* 1952), destijds verbonden aan de S.E.R.. Hij had op een dag een drietal boeken op zijn schrijftafel aangetroffen en deze bespreekt hij in Radix.
De jaren tachtig waren geestelijk nog onbedorven in die algemene zin, dat er sprake was van 'klein rechts' in de politiek. We hadden toen nog niet te maken met de de facto socialistische partij genaamd 'Christen Unie' - dat gruwelijke bederf zou evenwel niet veel later, met het aantreden van André Rouvoet als partijleider, pas echt goed losbreken - maar met in de kern oprecht calvinistische politici in de G.P.V. (al kun je strikt genomen de zgn. 'vrijgemaakt' gereformeerden niet echt gereformeerd noemen, eerder arminiaans, gezien de aard van hun bezwaren tegen / de leergeschillen met de gereformeerde synoden vanaf 1905) politici) en in de R.P.F..
In bijzondere zin blijkt voornoemde onbedorvenheid bv. uit de zeer juiste kijk op het begrip 'rentmeesterschap'. Rentmeesterschap is als term volgens mij zo uit het hoofd reeds in de jaren zestig door wijlen Bob Goudzwaard in A.R.P.-kringen bedacht maar helaas door hem begripsmatig voorzien van een politieke lading / inhoud die onjuist, dat wil zeggen onchristelijk is. Hoe deze term dan wel op Bijbelse, dat is christelijke wijze moet worden ingevuld, dus hoe het dan conceptueel wel moet, dat is nog lange tijd heel goed vastgehouden door anderen, niet het minst later in de kringen van klein rechts. En die invulling komen wij ook tegen in twee van de drie boeken die Van Popta aantrof op zijn schrijftafel. En die wil ik bij dezen graag anno 2026 voor het voetlicht brengen!
Uit Van Popta's bespreking van het eerste boek, getiteld 'Morality and the market place' van Brian Griffiths, toentertijd directeur van het Centre for Banking and International Finance van de City University of London, zou ik het volgende willen lichten als zijnde in mijn ogen noemenswaardig genoeg voor een vermelding hier en nu.
Ten aanzien van het wereldwijde conflict tussen kapitalisme en socialisme (marxisme) zoekt Griffiths een derde weg. Dat is de markteconomie 'bounded by the christian principles of justice. There can be no market place without morality'. Ik denk echter dat het alleen maar terecht is om hier over een derde weg te spreken wanneer men slechts onderscheidt tussen de weg van het socialisme (marxisme) en die van het kapitalisme zonder meer. Juister zou het zijn geweest wanneer hij onderscheiden zou hebben tussen ongebreideld humanistisch, liberalistisch, sociaal-darwinistisch laissez faire kapitalisme, en christelijk genormeerd kapitalisme, dat meer ligt in de lijn van het Rijnlandse model van kapitalisme van Wilhelm Röpke. Maar dat doet hij dus niet. Op deze manier ontstaat er dus het onjuiste beeld, dat christelijk kapitalisme geen soort van kapitalisme is, quod non. Griffiths noemt als de religieuze basis van HET kapitalisme, zonder meer, de humanistische filosofie. En ten onrechte schrijft hij, dat de dialectische spanning daarin tussen vrijheid en beheersing tot uiting komt in het kapitalisme, dat die spanning aan het kapitalisme inhaerent is. En Van Popta schrijft (ik weet niet of dat recht is, maar ik heb het boek niet), dat Griffiths deze opvatting ontleent aan Dooyeweerd. Maar dat is niet zo. Want die dialectische spanning in het humanistische grondmotief tussen vrijheid en beheersing ziet Dooyeweerd als de spanning tussen kapitalisme en socialisme. Die spanning is dus niet aanwezig binnen de vrijheidspool zelf!
Het is dus onjuist van Griffiths om als kenmerk van het kapitalisme te noemen het ruim baan geven aan ongebreidelde economische vrijheid. Dat gebeurt alleen op humanistisch standpunt. Er is m.i. geen sprake van, dat het onmogelijk is om 'binnen het uitgangspunt van de kapitalistische orde grenzen aan de vrijheid te stellen' (Radix 11 (2) (april 1985): p. 55) (volkomen terecht overigens ziet Griffiths het verdorven, goddeloze marxisme niet als alternatief omdat men daar geen grenzen weet te stellen aan de beheersing, zodat onrechtvaardige en onmenselijke toestanden de natuurlijke vrucht van het marxisme zijn (nu wordt plotseling niet (door Griffiths zelf of door Van Popta?) het socialisme - zoals hiervoor wel gebeurde - in één adem met het marxisme genoemd. Wil, in het laatste geval, Van Popta soms zijn socialistische collega's binnen de S.E.R. niet voor het hoofd stoten? Het zou mij niet verbazen, want vaak is het hemd nader dan de rok, en omwille van de smeer likt de kat de kandeleer).
Griffiths licht zijn opvatting toe d.m.v. bespreking van de ideeën van Friedrich Hayek, oprichter van de Weense School binnen de economische wetenschap. M.i. terecht ziet Hayek de markeconomie als door niemand ooit uitgevonden, maar als het natuurlijke resultaat van de menselijke historische ontwikkeling. Niemand wordt gedwongen iets na te streven (dat was in de communistische D.D.R. wel even anders: wie goed was in een bepaalde sport, was gedwongen om daarvan zijn of haar beroep te maken, R.B.). Men kan in vrijheid zijn doelstelling kiezen. Van Popta's weergave van Griffiths:
'Voor de verwezenlijking van die doelstellingen gaat men contracten aan op de markt, maakt men afspraken over de middelen. Door dit ruilproces wordt welvaart gecreéerd. Dit ruilproces moet voldoen aan spelregels, zodat het eerlijk wordt gespeeld (en veel van die regels staan in de Bijbel, R.B.). De uitkomst van het spel hangt af van de inzet van de spelers. Een eerlijk ruilspel kan dus zeer ongelijke resultaten opleveren. Rechtvaardigheid heeft betrekking op de spelregels, niet op de uitkomsten van het spel (cursief R.B.)'.
Van Popta parafraseert Griffiths vervolgens:
'Voor het goed functioneren
Maak jouw eigen website met JouwWeb