Interview door drs. G. Puchinger met prof. dr. D. Nauta, verschenen in de bundel: 'Is de gereformeerde wereld veranderd?', uit september 1966: pp. 257-280; uitgave W.D. Meinema N.V. te Delft
pp. 271-276:
Puchinger: 'Wat was de kern van het conflict, waruit de scheuring van 1944 ontstond? Was de Vrijmaking te voorkomen geweest? En wat kunnen wij daaruit leren?'
Nauta: 'Ja dát conflict heb ik dus zelf meegemaakt...
Wat de kern ervan was is achteraf heel moeilijk te zeggen (ik denk gewoon inwerking van de duivel, R.B.). Als je het nú beziet is het wel een erg ingewikkelde zaak geweest. En het is heel moeilijk het achteraf tot enkele eenvoudige kwesties terug te brengen.
De leergeschillen vond ik op zichzelf al een vreemde zaak. (...) Voor mij is verder centraal dat in 1942 overeenstemming werd bereikt inzake de leergeschillen. (...) Achteraf gesproken zie ik nu beter in dat men zich niet zo druk over deze zaken had mogen maken (daar ben ik het nou mee eens!, R.B.). (...)
Kijk, H.H. (daarmee doelt Nauta op Herman Hubertus Kuyper, een zoon van dr. Abraham Kuyper sr., R.B.) schreef er wel over in De Heraut, maar die heeft toch niet zoveel invloed uitgeoefend. Voor Hepp was het ook veel meer een intellectuele zaak, maar voor anderen, zoals voor Den Hartogh in Kampen allereerst, was het een hartszaak. Ik heb nooit iemand over deze zaken zo bewógen zien stelling nemen als Den Hartogh.
Den Hartogh was het eens met Schilder over het Kamper promotierecht, maar ik geloof dat niemand zo duidelijk tegen Schilder stelling nam op dogmatisch terrein. (...) maar het was toch óók in sterke mate - en dat vergeet men wel eens - een conflict binnen de kring van de Kamper Hogeschool. (...)
in 1942 waren we klaar gekomen met leeruitspraken over de meningsverschillen. Niemand was veroordeeld, en ook Veenhof en ds. D. van Dijk waren tevreden over die uitspraken.
Eerst daarna zijn bezwaren gekomen, tegen
DE TOELICHTING
op die uitspraken. Die Toelichting is misschien ongelukkig geweest, en daardoor is de zaak opnieuw aan de gang gekomen, mede door de kritiek op het Prae-advies aangaande de ingediende gravamina inzake 1905.
Na die Toelichting en na dat Prae-advies kwam ook Schilder met zijn bezwaren.
Ik vind dat die Toelichting achterwege had behoren te blijven. Men had het bij die uitspraken over de leergeschillen eenvoudig moeten láten!
Daarbij, met alle respect voor de opstellers van die Toelichting, ze was opgesteld door een commissie, en niét door de synode besproken en vooraf goedgekeurd - en dat heb ik altijd fout gevonden: die Toelichting is niet onder het oog van de synode geweest. De machtiging aan die commissie is geen juist beleid geweest van de synode. We hadden niets meer moeten doen. Er wás immers een overeenstemming, waar ook Veenhof en Van Dijk tevreden meer waren...
Goed, naar aanleiding van de bezwaren tegen Toelichting en Prae-advies ontstond nieuwe deining.
Voor mijn gevoel is het toen de fout van Schilder geweest zijn scherpe brief van 13 december 1943 aan alle kerkeraden te sturen (deze subversieve daad, buiten alle gangbare procedures om, bewijst voor mij wel dat Schilder gewoon uit was op een kerkscheuring, en een ander kerkverband wilde oprichten, en met succes, R.B.), met daarin die scherpe woorden - u kent die wel - De teerling, nog eens, is dan geworpen. Misschien heeft K.S. die woorden toen niet zo bedoeld als ze op de synode verstaan zijn, maar wij op de synode verstonden die brief als een revolutionaire uitdaging! (wat het ook gewoon was, R.B.)
We hebben toen nog verscheidene mogelijkheden onderzocht, om 't met elkaar eens te worden (ja, aan de synode lag het niet, maar de liefde voor het kerkverband kan niet van één kant komen, R.B.), en misschien hadden we dat nog langer moeten proberen, maar 't eind is toch geweest zijn schorsing en afzetting.
Verder weet u natuurlijk van de strijd rondom Veenhof in Utrecht. Voor mijn gevoel hebben we werkelijk alles gedaan om hem voor onze kerken te behouden, want dat wilden wij allemaal, maar op 't laatste moment is hij toch omgezwaaid, en koos hij volop de kant van Schilder - en dat is mij, en velen met mij die dat alles hebben meegemaakt, altijd een raadsel gebleven. (...)
En ik zeg ook hier: als de verhoudingen goed waren geweest, was alles misschien anders gegaan. Als bij Geelkerken heeft ook hier de sfeer gewerkt. (...)
Ik zal niet alles goed praten wat de synode deed, maar ik wil toch óók stellen dat er van de zijde van K.S. en zijn volgelingen wel degelijk actie is gevoerd. (...)
Overigens wil ik nog met nadruk stellen dat de tuchttoepassing op geelkerken en Schilder op zich zelf nog niets zei over hun kerklidmaatschap.(...) Hun ambt was hen ontnomen - ik erken volop, dat was al erg genoeg! - maar daarmee waren ze nog niet uit de kerk gezet, ook al is dit door hun volgelingen wel eens zo aangevoeld of gesuggereerd'.
Maak jouw eigen website met JouwWeb