Ga direct naar de hoofdinhoud

Uit deze brochure van dr. A.D.R. Polman met betrekking tot de door K. Schilder veroorzaakte kerkscheuring in 1944 neem ik voor deze webstek maar enkele passages over. Dit omdat ik in deze categorie, 'Uit boeken', zoals gezegd, alleen zaken vermelden wil die mij persoonlijk interesseren, dan wel door mij persoonlijk het belangrijkste gevonden worden.

Het gaat hier om een brochure uit het jaar van die vreselijke kerkscheuring: A.D. 1944,uitgegeven door J. van der Wal C.V. te Groningen (1944) (62 blz.). De ondertitel luidt:

'Eenvoudige toelichting op de beslissing der generale synode van Utrecht 1943 inzake de bij haar ingediende bezwaarschriften'.      

Het is goed om te weten, dat er in 1905 te Utrecht een belangrijke generale synode van de G.K.N.is gehouden waardoor er rust en duidelijkheid is ontstaan over een aantal belangrijke leergeschillen. De dankbaarheid jegens God was groot. Polman schrijft:

'Bijna veertig jaren zijn sindsdien verloopen (...) Aan den hoogst onverkwikkelijken strijd onder broeders van eenzelfde huis was door deze Utrechtsche verklaring voor goed een einde gemaakt.

Geen wonder, dat het groote ontroering wekte, toen in breeder kring onder ons bekend werd, dat er gravamina (= bezwaren, R.B.) tegen deze synodale uitspraak bij de Synode van Utrecht 1943 ingediend waren. Zou nu toch de oude strijd weer oplaaien en dat in een tijd, waarin alles tot samenbinding der broederen roept? Gelukkig ging het bezwaar slechts tegen een der punten der Utrechtsche verklaring, maar dit kon toch de ongerustheid niet temperen. Het ging immers juist over een gedeelte, waarover in de jaren vóór 1905 het felst gestreden was en waarin - juist in duidelijk onderscheid met de andere punten- geen compromis was getroffen, maar een eenparige beslissing op grond van de belijdenis genomen was. De bedoelde uitspraak luidt aldus:

'En wat (...) de onderstelde wedergeboorte aangaat, verklaart de Synode, dat volgens de belijdenis onzer Kerken, het zaad des verbonds, krachtens de belofte Gods, te houden is voor wedergeboren en in Christus geheiligd, totdat bij het opwassen uit hun wandel of leer het tegendeel blijkt; dat het echter minder juist is te zeggen, dat de doop aan de kinderen der geloovigen bediend wordt op grond van hun onderstelde wedergeboorte, omdat de grond van den doop is het bevel en de belofte Gods; dat voorts het oordeel der liefde, waarmede de Kerk het zaad des verbonds voor wedergeboren houdt, geenszins zeggen wil, dat daarom elk kind waarlijk wedergeboren zou zijn, omdat Gods Woord ons leert, dat niet allen Israël zijn, die uit Israël zijn en van Izak gezegd wordt: in hem zal u het zaad worden genoemd (Rom.9: 6, 7), zoodat in de prediking steeds op ernstig zelfonderzoek moet worden aangedrongen, aangezien alleen wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zalig zal worden. (...) Intusschen meent de Synode, dat de stelling, dat elk uitverkoren kind daarom reeds vóór den doop metterdaad wedergeboren zou zijn, noch op grond van de Schrijft, noch op grond van de Belijdenis te bewijzen is, dewijl God Zijne belofte vervult naar Zijne vrijmacht op Zijn tijd, hetzij vóór, of onder, of na den Doop, zoodat het eisch is zich hierover met groote omzichtigheid uit te laten en niet wijs te willen zij boven hetgeen ons God heeft geopenbaard.'  

Wat was nu de aanleiding (...) dat tegen een gedeelte van deze verklaring niets minder dan een gravamen werd ingediend? (Dat was, R.B.):

De leeruitspraak van de Generale Synode van Sneek-Utrecht 1942 aangaande het Genadeverbond en het Zelfonderzoek en dan speciaal het volgende:

'dat de Heere in de belofte des verbonds ongetwijfeld toezegt de God niet alleen van de geloovigen, maar ook van hun zaad te zijn (Gen. 17:7); doch in Zijn Woord ons niet minder openbaart, dat zij niet allen Israël zijn, die uit Israël zijn (Rom. 9:6),

dat daarom - overeenkomstig hetgeen de Synode van Utrecht 1905 (Acta art. 158) uitgesproken heeft - 'het zaad des verbonds krachtens de belofte Gods te houden is voor wedergeboren en in Christus geheiligd, totdat bij het opwassen uit hun wandel of leer het tegendeel blijkt'; al heeft de Synode daaraan ook terecht toegevoegd, dat dit 'geenszins zeggen wil, dat alle kinderen waarlijk wedergeboren zouden zijn';

dat onder meer de bediening van de sleutelmacht, die Christus aan zijn Kerk heeft toebetrouwd, eischt, dat in het middel der gemeente tot een ieder uitga de ernstige vermaning tot zelfonderzoek ook aangaande de vraag of hij waarlijk in den Christus Gods gelooft (Heid. Cat. antw. 84);

dat dit zelfonderzoek ongetwijfeld in het verbond der genade zijn uitgangspunt behoort te nemen, maar daarom door den doop niet minder noodzakelijk gemaakt wordt, aangezien niet iedere gedoopte het ware geloof bezit'.

Deze leeruitspraak der Synode, met algemeene stemmen genomen, is natuurlijk bindend, om het even of zij de instemming ermee uitdrukkelijk vraagt of veronderstelt. Zoo was het ook met de verklaring van Utrecht van 1905, zoodat Ds Bos (...) terecht opmerkt:

'(...) Er zijn uitspraken gedaan, waaraan allen zich voortaan te houden hebben'

(R.B.: in een voetnoot staat o.a. ook nog:

'En in de Wachter van 22 Sept. 1905 (merkt) Ds Vogelaar (...) op, dat de Synode niet vrijgelaten heeft andere voorstelling te leeren (29 Sept. 1905). De Utrechtsche Synode heeft geen doode eenvormigheid wenschelijk of noodig geoordeeld, maar met beslistheid ons allen toegeroepen: Houdt u aan de voorstelling uwer belijdenisschriften (6 Oct. 1905)'.) 

Omdat zij zich met de door Utrecht 1942 aangehaalde woorden uit de verklaring van 1905, dat 'het zaad des verbonds krachtens de belofte Gods te houden is voor wedergeboren en in Christus geheiligd, totdat bij het opwassen uit hun wandel of leer het tegendeel blijkt' niet kunnen vereenigen, hebben (...) Prof. Dr. S. Greijdanus, Ds D. van Dijk van Groningen (...) hun gravamen daartegen bij de Synode van Utrecht 1943 ingediend. Zij hebben ook wel tegen andere leeruitspraken, door utrecht 1942 vastgesteld, hun bemerkingen, zoo ook tegen de later verschenen Toelichting, maar deze laten we, daar het gravamen tegen 1905 de hoofdzaak is, verder rusten.

Het zijn in hoofdzaak een vijftal bezwaren, die zij tegen de bewuste leeruitspraak van Utrecht 1905 inbrengen, die we achtereenvolgens (meestal in letterlijke aanhalingen) weergeven en bespreken zullen'. 

Polman noemt dus vervolgens de vijf bezwaren van de zijde der bezwaarden, der 'kerkscheurders' (ik plaats dit woord tussen aanhalingstekens omdat ten eerste de ecclesia invisibilis niet kan scheuren omdat Christus haar Hoofd is, en ten tweede er ten diepste niet van een kerkscheuring op het niveau van de G.K.N. mogelijk is aangezien bij ons presbyteriaal-synodale type van kerkregering er geen sprake is van een hiërarchische organisatie maar van mindere en meerdere kerkvergaderingen van plaatselijke gemeenten met autonomie op elk gebied anders (en dit onderscheidt ons van de independentisten!) dan op het gebied waarover een kwestie bestaat die de lokale gemeente voor legt aan een meerdere vergadering, onder belofte van onderwerping aan de uitspraak op dat meerdere niveau, waarbij er pas weer bezwaar (gravamen) tegen die bepaalde uitspraak ingebracht kan worden door die lokale gemeente bij de eerst volgende vergadering). Dit beslaat het overgrote deel van deze brochure, want loopt van p. 12 tot p. 47. 

EERSTE BEZWAAR) De bezwaarden zeggen, dat de leeruitspraak van de zo heerlijk in eensgezindheid afgesloten synode te Utrecht in 1905 iets behelst, wat nergens in onze gereformeerde belijdenisgeschriften geleerd wordt. Ik ga hier natuurlijk niet hele teksten van Polmans waardevolle brochure hier herhalen, maar citeer van hem het volgende (pp. 15-18), om slechts een indruk te geven van 'de wijze waarop de hazen lopen':

'Nu is het aanstonds opmerkelijk, dat de bezwaarde broeders de gronden, die de Synode van Utrecht 1905 aanvoert om het 'volgens de belijdenis onzer Kerken' te staven, of in het geheel niet of slechts even en dan nog gedeeltelijk aanvoeren (ze vonden de onderbouwing zeker te goed?, R.B.). Prof. Greijdanus poneert eenvoudig zijn eigen gevoelen en kijk op de belijdenisen gaat op de argumenten van 1905 in het geheel niet in. al de anderen werken bijna geheel naar hetzelfde procedé. Dit is een ernstige leemte' (voor mij is dit evenwel een duidelijke aanwijzing, dat wij, synodalen, gelijk hebben, R.B.).

'En het gaat niet op, dit te verontschuldigen met de bewering, dat de Utrechtsche verklaring geen gronden zou opgeven. Naar de vorm, zuiver formeel genomen, moge men dit met enig recht kunnen staande houden, maar zakelijk geen moment. Eerst stelt de verklaring voorop, dat volgens de belijdenis der kerk het zaad des verbonds krachtens de belofte te houden is (vet R.B.) voor wedergeboren en in Christus geheiligd. Daarna geeft zij, beginnende met: 'Voorts houdt de Synode met onze belijdenis staande' verschillende bewijsplaatsenuit de belijdenis der kerk om de conclusie te staven: 'zoodat onze belijdenisschriften wel duidelijk leeren, dat het sacrament des Doops beteekent en verzegelt... de rechtvaardigmaking en vernieuwing door den Heiligen Geest als weldaden, die God aan ons zaad geschonken heeft'. 

Polman gaat als volgt verder:

'De Utrechtsche Synode ontleent een van haar sterkste argumenten aan het begin van het dankgebed na den Doop: 'Wij danken en loven U, dat Gij ons en onze kinderen, door het bloed van uwen lieven Zoon Jezus Christus, al onze zonden vergeven en ons door uwen Heiligen Geest tot lidmaten van uwen eeniggeboren Zoon, en alzoo tot Uwe kinderen aangenomen hebt (vet R.B.), en ons dit met den Heiligen Doop bezegelt en bekrachtigt'. Dr. B. Wielenga merkt in zijn nog altijd lezenswaardige verklaring van ons Doopsformulier naar aanleiding van deze zinsnede op:

'Nu zijn voor ieder, die zijn moedertaal lezen kan, drie dingen duidelijk. Vooreerst, dat de weldaden hier genoemd niet uitwendige, maar inwendige zijn. Het gaat hier over weldaden ,die alleen het deel zijn van de ware kinderen Gods. Zij en zij alleen bezitten de vergeving der zonden. Zij alleen hebben het nieuwe leven door de inplanting van Christus. Zij en niemand anders zijn door den Heiligen Geest (let wel, dat dit er staat!) tot kinderen Gods aangenomen.

In de tweede plaats is het onweersprekelijk, dat de hier genoemde weldaden niet als mogelijk of toekomstig, maar als reeds in het verleden ontvangen worden voorgesteld... Daar staat, en juist dat doet de lofzang zoo geestdriftig opstijgen, 'Dat Gij onze zonden vergeven en (ons, R.B.) tot uw kinderen aangenomen hebt. De gemeente stelt zich op het standpunt, dat God de Heere bij aanvang de beloften des verbonds heeft vervuld en daarom de kinderen der geloovigen in beginsel volmaakt gelijk staan met de volwassenen en ook in hun bewustzijn geloovige kinderen Gods (zijn, R.B.)'. 

En ten derde blijkt uit den aanhef van het dankgebed, dat de doop door ons formulier wordt genoemd een zegel van beloften niet alleen, maar ook van reeds aanwezige, inwendige genade. Daar staat immers duidelijk - en er is geen critiek, die het wegredeneeren kan- en ons hetzelve met den heiligen Doop bezegelt en bekrachtigt. Op dat woord 'hetzelve' komt het hier aan. Kennelijk wordt met dit woord teruggewezen op al de voorafgaande weldaden: de vergeving der zonden door het bloed van Christus, de inlijving als lidmaten van Christus en de aanneming tot kinderen des Vaders. Een andere uitlegging is eenvoudig ondenkbaar. Maar dan ziet men ook, wat er waar is van de door velen luid geproclameerde bewering, als zouden onze vaderen het sacrament en met name den kinderdoop genoemd hebben een zegel uitsluitend van de beloften, afgedacht van de reeds uitgedeelde heilsgoederen des verbonds'. 

Polman besluit:

Wij hebben daaraan niets toe te voegen en verstaan het, dat het prae-advies der synodale commissie aangaande deze zinsnede uit het dankgebed opmerkt: 'Wij achten dit alles zoo duidelijk, dat het naar ons oordeel alleen voldoende is om heel het geding te beslissen' (blz. 8)'.     

De onwaarheid van de bewering van 'vrijgemaakte' zijde, dat de belijdenis nergens datgene leert wat de verklaring/leeruitspraak van de synode van Utrecht 1905 uitspreekt blijkt ook uit het beroep, dat zij doet op art. 33 der Nederlandse Geloofsbelijdenis, 

'en dan speciaal op de woorden, dat 'de sacramenten niet ijdel noch ledig zijn om ons te bedriegen, maar zichtbare teekenen en zegelen van een inwendige en onzienlijke zaak, door middel derwelke God in ons werkt door de kracht des Heiligen Geestes'. (...) Wij zien hier dus duidelijk, dat onze belijdenis beide samenvoegt: de bezegeling zowel van de beloften als van een inwendige en onzienlijke zaak (...) Geheel hiermee in overeenstemming staat dan ook in art. 34 in de belijdenis aangaande den Doop: Alzoo geven ons de dienaars van hunne zijde het sacrament en hetgeen zichtbaar is, maar onze Heere geeft hetgeen door het sacrament beduid wordt, te weten, de gaven en onzienlijke genaden (...)'. 

pp .19-21: 'Het is Calvijn geweest, die hier de lijnen getrokken heeft.(...) hoewel de teekenen onderscheiden zijn van de beteekende zaken, mag men ze niet scheiden of uiteenrukken'. (...)

Ook in zijn Institutie wordt (...) beleden, dat de Geest de onzienlijke genaden van Christus in onze harten door het gebruik der sacramenten schenkt. (...)

volgens hem (dat is Calvijn, R.B.) (leeren) de eerste drie antwoorden van Zondag 25 (...) de versterking van het geloof door den Heiligen Geest (...) door middel van de sacramenten. Verder geven de eerste en vijfde vraag, zoowel bij den doop als bij het avondmaal, met hun antwoorden afdoende weerlegging. Wie deze inziet, ziet wat er overblijft van de beschuldiging, dat in onze Catechismus de sacramenten niet gehouden worden voor instrumenten, door welke de Heilige Geest in onze harten krachtdadig werkt. (...)

Daarom was het geheel in de lijn der vaderen,toen de Synode van 1905 zich op de aangehaalde zinsnede van onze belijdenis beriep, om daarmee haar uitspraak te staven. Prof. Greijdanus gaat hier geheel niet op in (vet R.B.). En in zijn eigen betoog laat hij dit belijden, dat de sacramenten zichtbare teekenen en zegelen zijn van een inwendige en onzienlijke zaak, geheel liggen'.

pp. 23-25: 'Tenslotte beroept zich de Utrechtsche leeruitspraak op wat onze Catechismus belijdt, dat de Doop 'het bad der wedergeboorte' en 'de afwassching der zonden' wordt genoemd, omdat 'God ons door dit goddelijk pand en waarteeken wil verzekeren, dat wij zoo waarachtiglijk van onze zonden geestelijk gewasschen zijn, als wij uitwendig met het water gewasschen worden'. De Heilige Geest noemt den doop 'het bad der wedergeboorte' en 'de afwassching der zonden', gelijk antw. 71 der Catechismus aangeeft, in Titus 3:5 en Hand. 22:16. Beide teksten leeren niet, dat de wedergeboorte en de afwassching der zonden door den doop gewerkt worden, maar wel, dat beide er door beteekend en verzegeld worden. Zij worden daarbij niet als toekomstige mogelijkheden gesteld, maar als geschonken weldaden verondersteld (Abraham Kuyper sr. sprak dus volledig terecht over de 'veronderstelde wedergeboorte!, R.B.) (...)

Nu heeft men dit wel zoo trachten uit te leggen, dat hier alleen aan de kinderen deze weldaden voor de toekomst beloofd worden, zoo zij van hun kant later het verbond inwilligen en tot geloof en bekeering komen, maar zulk een verklaring is volstrekt ongeoorloofd. Dit blijkt reeds afdoende uit de aangehaalde bewijsplaatsen uit de Schrift. Verwezen wordt naar Ps. 22:11, Jes. 44:1-3 en Luc. 1:15, welke niet van toekomstige genade spreken, maar van weldaden, die van moeders lijf af geschonken zijn'.   

pp. 26-30:

'Beza had in zijn confessie in par. 48 geschreven: 'De positie van kinderen, uit geloovige ouders gesproten, is apart. Want hoewel zij de hebbelijkheid van het geloof niet hebben, die bij de volwassen geloovigen gevonden wordt, toch moeten zij het zaad en de kiem van het geloof hebben, die God van moeders lijf af geheiligd en van de kinderen der ongeloovigen afgezonderd heeft ... Zoo iemand tegenwerpt, dat zij niet allen verkoren zijn en daarom ook niet allen geheiligd (Rom. 9: 6-8) die uit geloovige ouders geboren worden... zoo ontbreekt ons het antwoord niet. Want hoewel wij niet loochenen, dat het alzoo is, nochtans zeggen we, dat men het verborgen oordeel aan God moet overlaten en in het gemeen houden wij ze, uit kracht van het formulier der belofte, alle voor geheiligd, die uit geloovige ouders of waarvan een van beide geloovig is (1 Cor. 7:14), geboren zijn, tenzij er iets in den weg sta, waaruit men het tegenovergestelde kan besluiten'. (...)

Blijkt zoo het beroep der Generale Synode van Utrecht 1905 op onze belijdenis ten volle gerechtvaardigd (vet R.B.), geheel anders staat het met de beschouwing der bezwaarde broeders over de belofte en de bezegeling daarvan in de sacramenten. Volgens onze belijdenis wordt in de sacramenten niet de beloftedes evangelies in het algemeen, niet de toezegging: Zoo gij gelooft in Jezus Christus,dan zult gij zalig worden, niet de conditioneele belofte op conditie van geloof en bekeering verzegeld. Als in antw. 66 der Catechismus de belofte, die in de sacramenten beteekend en verzegeld wordt, nader omschreven wordt, ontbreekt elk conditioneel karkater. Zij luidt immers: dat Hij ons vanwege het eenige slachtoffer van Christus, aan het kruis volbracht, vergeving der zonden en het eeuwige leven uit genade schenkt (niet: schenken wil). (...)

Dit is van fundamenteele beteekenis. Daarin ligt juist het eigendommelijk karakter van de Gereformeerde leer der sacramenten, gelijk Prof. Bavinck terecht opmerkt. Hij erkent, dat het sacrament geen verzegeling van den ontvanger is, maar van de beloften Gods, maar gaat dan verder: De vraag is echter, welke die belofte is en wat zij inhoudt. En deze is maar niet in het algemeen: er is vergeving der zonden en eeuwig leven in Christus, den Zaligmaker van zondaren. Maar zeer beslist deze: Ik, zegt de Heere, zal uw God zijn en de God van uw zaad in eeuwigheid. Het objectieve, het zekere, en dus ook de rijke vertroosting, die er ligt in de Bondszegelen, wordt daarom menigmaal miskend. De sacramenten zijn voor de geloovigen, voor de bondgenooten ingesteld en bevestigen en bekrachtigen het in zichtbare teekenen, dat God hun God in Christus is en eeuwig blijven zal. (Kennis en leven, bl. 181). 

Wie de sacramenten, gelijk de bezwaarden doen, alzoo onschrijven, dat zij de beloften des evengelies in algemeenen zin,op conditioneele wijze beteekenen en verzegelen, zoodat 'de doop als zoodanig voor alle gedoopten dezelfde is', (...) die spreekt niet de taal van onze belijdenis noch de taal van onze liturgische formulieren'.      

TWEEDE BEZWAAR) 'De bezwaarde broeders