Thuispagina » Artikelen » Wijsbegeerte van de biologie » Kuyper en de evolutiegedachte

KUYPER EN DE EVOLUTIEGEDACHTE[1]

 

Inleiding

 

In de boeiende Amersfoortse Studie nr. 17, getiteld ‘De geologische kolom: ontstaan en achtergronden van de geologische tijdschaal’, met als ondertitel ‘Een biohistorische tijdschaal?’, merkt de auteur, ing. H. Wiegers, over Abraham Kuyper op, dat hij ‘de evolutiegedachte als hypothese (aanvaardde) en (…) haar zelfs ook voor gelovigen van het grootste belang (achtte)’  (p. 47), waarbij hij zich beroept op secundaire literatuur, nl. over wat Ilse Bulhof in haar ‘Darwins Origin of Species, betoverende wetenschap’ (Ambo, Baarn (1988)) terzake opmerkt (p. 45). Bulhof maakte hierbij gebruik van Kuypers gepubliceerde evolutie-rede van 20 october 1899, die hij uitsprak ter gelegenheid van de overdracht van het rectoraat van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Ik meen echter, wat ik in onderstaande ook hoop aannemelijk te maken, dat Bulhofs interpretatie van Kuyper onjuist is. Tijdens mijn biologie-studie heb ik in het kader van de vervaardiging van mijn doctoraal-scriptie voor het bijvak biohistorie o.a. de visie van dr. Kuyper op het evolutie-vraagstuk, zoals deze te vinden is in deze rede, bestudeerd. Op grond hiervan, en op grond van uitspraken van Kuyper over dit onderwerp in andere geschriften, ben ik het oneens met het bovengenoemde citaat aangaande Kuyper.

 

Evolutieleer: aanvaardbare hypothese?

 

Beschouwde Kuyper Darwins evolutieleer als en ook voor christenen aanvaardbare, louter biologische hypothese?

Bulhof meent, dat volgens Kuyper christenen de evolutieleer mogen aanvaarden, weliswaar niet als wereldvisie, maar toch wel als louter biologische hypothese. Zij meent als volgt Kuypers gedachten hieromtrent in haar eigen woorden te kunnen weergeven: ‘Wij moeten wetenschappelijke theorieën zoals die betreffende de evolutie vanuit christelijk perspectief bezien, door namelijk zulke theorieën als hypothesen te beschouwen en niet als leerstukken die de pretentie de waarheid over de werkelijkheid te zeggen. Kuyper verwierp de evolutiegedachte als wereldvisie (…). Voor Kuyper was wetenschap bedrijven met behulp van hypothesen ‘christelijk’ (in overeenstemming met de christelijke leer). De pretentie van de wetenschap de waarheid in pacht te hebben, met name de gedachte dat Darwins evolutieleer wetenschappelijk bewezen, ‘ware’ kennis was, achtte hij onchristelijk. Kuyper aanvaardde de wetenschap inclusief de evolutiegedachte als hypothese en achtte haar zelfs ook voor gelovigen van het grootste belang’ (a.w.: p. 45).

Ik ben het met Bulhof eens, dat Kuyper de evolutieleer als wereldbeschouwing, als evolutiedogma, dat de pretentie voert de waarheid over de werkelijkheid te zeggen, verwierp. En ook stelt zij terecht, dat Kuyper in algemene zin het wetenschap bedrijven met behulp van hypothesen vanuit christelijk oogpunt beschouwd legitiem acht. Maar anders dan Bulhof meen ik, dat hij zelfs puur biologisch bezien de evolutiehypothese zeer zwak vond en haar verwierp. Bulhof wil het doen voorkomen alsof Kuyper door in heel algemene zin het gebruik van hypothesen in de wetenschap, ook door christenen, te aanvaarden, zich ipso facto ook schaart achter het gebruik van de specifieke evolutiehypothese van Darwin binnen de biologie. En dat bestrijd ik. Kuyper betoogt dat, ondanks de grote opgang die ze gemaakt heeft ‘in alle vak van wetenschap’, de evolutiehypothese, puur natuurwetenschappelijk bezien, een veel zwakker fundament heeft dan menigeen wel denkt. Hij adstrueert dit door echt inhoudelijk in te gaan op de argumenten die door haar aanhangers op grond van het biologische en palaeontologische feitenmateriaal worden aangedragen en deze te ontkrachten, en ook door het mechanicistische, a-teleologische karakter ervan te becritiseren.

Zo merkt hij op, dat het voor evolutie door natuurlijke selectie in de strijd om het bestaan een vereiste is, dat het ontstaan van variatie, alsmede de overerfbaarheid van die variatie, louter mechanisch verklaard moeten kunnen worden, wil heel het stelsel niet als een kaartenhuis ineen storten (Kuyper 1899: p. 27). Kuyper aanvaardt het bestaan van variatie (‘individualisatie’) en de overerfbaarheid daarvan als feitelijke waarheden, maar ‘over de verklaring dier feiten loopt het geschil, en de voor het Evolutie-dogma beslissende vraag is, of het ook deze beide feiten, en dat wel louter mechanisch, verklaren kan. Zoo ja, dan is men er. Zoo niet, dan is het spel dezer theorie voor goed gebroken (t.a.p.).

Kuyper laat vervolgens de verschillende in de loop der tijd geponeerde mechanicistische theorieën ter verklaring van de overerfbaarheid van genetische variatie op critische wijze de revue passeren. Maar hij concludeert, dat men er niet uitkwam. Telkenmale faalde men, wat Kuyper ertoe bracht om uit te spreken ‘dat het niet te sterk gesproken is, zoo ik zeg, dat het monistisch mechanisme der geheele Evolutie-leer in haar Achilleshiel er doodelijk door is getroffen. Ze kan het alles beheerschende feit der overerving voor den opbouw van haar kosmos niet missen, en op dat feit der overerving breekt haar monistisch-mechanisme als een zeepbel. Is toch eenmaal op dit punt de heerschappij van een onstoffelijk principe, van een Weltmechaniker of van de formatie naar een idee, een onafwijsbare noodzakelijkheid gebleken, dan treedt hierin naast het mechanisme een organische factor op, en blijkt zoowel het absolute Mechanisme als het strakke Monisme een hersenschim (a.w.: p. 32).

Niet alleen voor wat betreft de overerfbaarheid van variatie, maar ook aangaande het ontstaan ervan ziet Kuyper de evolutionisten met zeer grote problemen geconfronteerd: ‘Vanwaar deze variatiën, die in het systeem der Selectie geacht worden telkens nieuwe aanwinsten bij de geprivilegiëerde individuen met zich te brengen?’ (t.a.p.). Bovendien is het, zo merkt hij op, noodzakelijk, dat deze variaties per toeval optreden, wil men iedere vorm van plan of doel buitensluiten. Maar, zo vraagt hij zich dan af, hoe is het dan ooit mogelijk, dat de gewervelde dieren symmetrisch zijn aangelegd? Ter illustratie denkt hij hierbij aan het oog, en concludeert: ‘Hier is geen vrije variatie, maar een variatie die beide malen aan een zelfden determinant of wet of regel is onderworpen, en mechanische variatie door Selectie laat immers geen praeformeerenden regel toe’ (a.w.: p. 33).

Voorts becritiseert hij nog het mechanisme der natuurlijke selectie, de palaeontologische argumenten der evolutionisten[2], hun beroep op de kunstteelt ter ondersteuning van hun geloof in het transformistische ‘in elkaar overgaan van soorten’ (de zgn. macro-evolutie)[3], en hun uitgaan van het ontstaan van ‘het’ leven door middel van ‘spontane generatie’, de zgn. ‘Urzeugung[4].

 

Evaluatie

 

Na deze weging van de belangrijkste natuurwetenschappelijke argumenten die ter ondersteuning van de theorie worden aangedragen, evalueert Kuyper het geheel. Om te beginnen merkt hij op, dat de evolutiehypothese voor de biologie veel goeds heeft gebracht. Zo heeft ze bijvoorbeeld accurate studie der natuur in de plaats gesteld van de speculatie van weleer, en heeft ze eenheid gebracht in de tot dusverre ordeloze grote hoeveelheid los feitenmateriaal. Maar de evolutietheorie kan niet pretenderen ‘de verklaring van het wereldraadsel gevonden te hebben’, en beweren, dat de kosmos geen bouwplan heeft: ‘Alle ook maar eenigszins voldingend bewijs, dat de kosmos aldus mechanisch zichzelf vormde, ontbreekt (…). Sterker nog, niet alleen ontbreekt het bewijs, dat het zóó liep, maar zelfs als hypothese (cursief R.B.), dat het zoo zijn kon, heeft de Evolutieleer fiasco gemaakt’ (a.w.: p. 37). Kuyper vond de evolutieleer dus zelfs als biologische hypothese ongeloofwaardig en speculatief. En de aanhangers van de evolutietheorie hebben ook zelf erkend, dat het belangrijkste evolutiemechanisme, het natuurlijke selectieprincipe, ‘slechts een deel der verschijnselen verklaart en dat andere niet louter mechanische krachten zijn te hulp te roepen’ (t.a.p.).

Als nu tóch de aaanhangers van de evolutiegedachte beweren, dat de theorie bewezen is, en ‘dass jede unbefangene und vorurtheilsfreie Naturforscher, welcher gesundes Urtheil und die genügende biologische Vorkenntnisse besitzt’ (E. Haeckel: Natürliche Schöpfungsgeschichte’, Berlin (1898): p. 799) met hen accoord móet gaan, ‘daar staan we niet meer voor een theorie, noch voor een hypothese, maar voor een wezenlijk Evolutie-dogma. Een dogma dat ik daarom als pseudo-dogma brandmerkte, omdat de aautoriteit die het dogma stellen kan, op wetenschappelijk (cursief R.B.) erf ten eenenmale ontbreekt’ (a.w.: p. 38).

Kuyper geeft wel toe, dat het darwinisme aangezet heeft tot veel nieuwe studie en veel waardevol feitenmateriaal heeft opgeleverd, en zo ons begrip van de natuur vergroot heeft. Maar: ‘Alleen maar de keennis dier ontsluierde feiten en het Evolutie-dogma, dat er valschelijk uit gedistilleerd werd, mogen daarom nog niet vereenzelvigd worden. De empirie en de daarop gebouwde theorie zijn ook hier scherp te onderscheiden. Ook hier zijn de daadzaken en de opvatting van die daadzaken twee’ (a.w.: p. 14). Een ieder dient naar Kuypers inzicht voor zichzelf na te gaan, of hij de met de natuurwetenschappelijke feiten geconstrueerde theorie aanneemt of niet. De evolutieleer tracht het hogere organische uit het lagere anorganische te verklaren. ‘Was nu het kenmerk dier lagere orde het Mechanische, dat van die hoogere orde het Organische, zoo is de Evolutieleer kortelijk aan te duiden als de theorie die het organische van het mechanische verslinden laat’ (a.w.: pp. 18-19). Daarom is ze ook principieel a-teleologisch, ontkent ze het bestaan van enigerlei bovennatuurlijke macht die de natuurlijke ontwikkeling leidt. Kuyper citeert dan de evolutionist Georg John Romanes (uit zijn ‘Darwin und nach Darwin’ (Leipzig (1899)): ‘Onze theorie zoekt alle verschijnselen in de organische natuur onder hetzelfde gezichtspunt te brengen als de daadzaken der anorganische natuur, en als zij dat doel niet volkomen bereikt, zoo heeft ze tot niets gediend dan tot het maken van veel opschudding in de denkwereld’ (t.a.p.).

 

Overige geschriften

 

Is het al zo, dat Kuyper de evolutieleer als puur biologische hypothese zwak vond en verwerpt, a fortiori geldt dit voor de biologistische verabsolutering ervan tot wereldbeschouwing. Het bestek van dit artikel is echter te kort om hier uitgebreid op in te gaan.

Tenslotte zou ik nog willen stipuleren, dat de visie van Kuyper op de evolutiegedachte zoals neergelegd in zijn evolutierede van 1899 niet afwijkt van die in andere van zijn geschriften. In dit verband begrijp ik dan ook niet wáár in Kuypers Stone-lectures Bulhof haar Kuyper-citaat ‘Het verschil tussen het systeem van electie door God en dat van de selectie door de blinde krachten van de natuur is in meer dan één opzicht, slechts een verschil van één letter’ (Bulhof (1988):       p. 45) heeft gevonden. Noch op de door haar aangegeven plaats, noch in de eraan voorafgaande en erop volgende pagina’s heb ik dit citaat kunnen vinden! Wèl schrijft hij: ‘En dan zij het mij vergund  tegen de Electie een ander woord, dat er slechts ééne letter van verschilt over te mogen plaatsen: Voor Electie stopt ons geslacht het oor toe, met Selectie poogt het te dwepen (cursiveringen R.B.)’, maar er is hier geen sprake van, dat Kuyper de ideeën die achter deze twee termen schuil gaan even weinig van elkaar vindt verschillen als hun schrijfwijze (wat Bulhof Kuyper door middel van haar Kuyper-‘citaat’ echter wel laat zeggen, er staat immers ‘in meer dan één opzicht’)! Integendeel. En ook in zijn evolutierede over de evolutionaire soort-selectie en de christelijke electie van individuen door God schrijft Kuyper, dat er sprake is van een ‘korte tegenstelling (cursief R.B.) van de Selectie der Evolutie met de Electie der Schrift (…) Selectie doelt op soortbehoud, Electie is verkiezing van personen’ (a.w.: p. 11). Ik vind het heel merkwaardig dat een gerenommeerde wetenschapshistorica als Ilse Bulhof niet heeft gehonoreerd, dat Kuyper een lijnrechte tegenstelling ziet tussen de evolutionaire idee der op soortbehoud gerichte natuurlijke selectie enerzijds, en de christelijke idee der electie (uitverkiezing) van individuele personen door een vrijmachtig God andererzijds.

Ook in zijn rede De Verflauwing der Grenzen (1892) en in deel 2 van zijn Dictaten Dogmatiek laat hij zich afwijzend uit over de evolutieleer. Zo associeert hij in de ‘Locus de Creatione’ het evolutionisme met ongeloof en met het ontbreken van plan, van ontwerp in de werkelijkheid: ‘Zoo concentreert zich dus de geheele strijd tussen geloof en ongeloof in de vraag: is er een plan in de wereld of niet; is de kosmos teleologisch of a-teleologisch (p. 124)? Ook benadrukt hij op meerdere plaatsen de onverenigbaarheid van schepping en evolutie. En in de ‘Locus de Creaturis’ betoogt hij, dat de mens niet uit het dier is voortgekomen (pp. 29-30).

Ik zou willen concluderen, dat er in Kuypers denken over de evolutieleer van geen dubbelzinnigheid sprake is. Steeds is hij heel zeker in zijn verwerping van Darwins denkbeelden, niet alleen als levensbeschouwing, mar ook ‘slechts’ als model/hypothese voor de biologische vakwetenschap. En een synthese van de christelijke scheppingsidee met de monistische, evolutionistische transformatieleer acht hij halfslachtig en onmogelijk



[1] Eerder verschenen in Bijbel en Wetenschap 179 (bloeimaand 1995): pp. 85-88

[2] ‘De Darwinisten zelven vinden geen woorden genoeg om de ‘Lückenhaftigkeit’ der begraven levenswereld te bewenen’ (a.w.: p. 34).

[3] ‘Zelfs in de wereld der bacteriën houden de kundigste bacteriologen staande, dat de afleiding van de species uit één grondtype ondenkbaar is’ (a.w.: pp. 34-35).

[4] Want als men hier niet aan wil, blijft ‘het uitgangspunt een wonder, en de klove tusschen de anorganische en de organische wereld absoluut’ (a.w.: p. 35); maar tot dusverre, zo merkt hij op, zijn de vele pogingen tot het maken van leven in het laboratorium mislukt, ‘zoodat nog aldoor het fundament aan heel den bouw ontbreken blijft’ (a.w.: p. 36).