Thuispagina » Artikelen » Wijsbegeerte van de biologie » De anti-creatuurlijke achtergrond van de progressieve gelijkheidsideologie

De anti-creatuurlijke achtergrond van de progressieve gelijkheidsideologie

Geplaatst op maandag, 3 mei 2010 21:11 door Bitterlemon

 

Door RAFAEL BENJAMIN

In zijn bijdrage ‘Een slag voor het niets’ d.d. 12-04-2010 op deze webstek ziet Derek Bulthuis het heel juist dat de progressieve strijd gaat tegen hen die nog zin, nog transcendentie zien in hun bestaan en in deze wereld. Daar heeft hij de kern te pakken. Graag voeg ik nog wat overwegingen aan zijn artikel toe.

Ten diepste wordt het streven der progressieven gevoed door de diabolische inzet om alle grenzen uit te wissen. Daar gaat het ten diepste om. God heeft de kosmos uit de chaos, vanuit het niets, geschapen (creatio ex nihilo). Scheppen komt neer op: grenzen scheppen. Grenzen zijn wetten, structuren. De duivel tracht vanuit zijn aard Gods scheppingswerk teniet te doen, om te keren (diabolos). Zijn progressieve dienaren voeren dit beleid sinds de Franse Revolutie uit.

Dit moet dan ook geschieden middels het uitwissen en ontkennen van grenzen. Dat kom je op werkelijk elk gebied tegen. Waarschijnlijk is Bulthuis in meerdere of mindere mate bekend met Dooyeweerds ‘wijsbegeerte der wetsidee’. Want ik lees in zijn bijdrage een zin die begint met: 'Deze kwalificaties van aspecten van het leven (...)'. De evolutieleer zou eigenlijk maar een heel beperkte legitieme plek binnen de biologie in mogen nemen, namelijk als micro-evolutionisme, d.w.z. aanpassing aan de omstandigheden die slechts kan plaatsvinden binnen de grenzen van het elementaire grondtype/ van het genotype/ van de soort. Slechts daarbinnen is variabiliteit mogelijk. Die variabiliteitstypen ofwel fenotypen noemt men ook wel rastypen/ rassen binnen een bepaalde soort. Overgang van de ene, ‘lagere’, naar de andere, ‘hogere’ soort, wat het onbewezen macro-evolutionisme wil, is onmogelijk, sterker nog: is logisch ondenkbaar. Rassen zijn geen beginnen van nieuwe soorten, wat het macro-evolutionisme wil. Er zijn ook nooit overgangstypen (‘missing links’) gevonden. Een nieuwe, complexere, ‘hogere’ variant kan slechts voordeel geven in de strijd om het bestaan wanneer zij ineens ontstaat, wanneer zij er ineens is, en dat nog eens in voldoende aantallen. Een nieuwe structuur, waardoor die 'hogere' variant superieur zou moeten zijn ten opzichte van de 'lagere', kan dit voordeel voorts slechts bieden wanneer zij er niet alleen ineens, doch ook in haar geheel is. Maar dat is ondenkbaar, aangezien het evolutionaire mechanisme dat hiervoor zorg zou moeten dragen, namelijk de natuurlijke selectie van zeer toevallige gunstige grootschalige mutaties, werkelijk alle verklarende kracht hiervoor mist. Structuren die soorten van elkander doen verschillen zijn, zoals dat heet, 'onherleidbaar complex' (zie hierover bv. Michael Behe's 'De zwarte doos van Darwin' (1997), in tweede druk in het Nederlands verschenen onder de titel 'Intelligent Design' (Kampen (2005)), en 'Oorsprong' van Ariel Roth (Heerenveen (2003))). Een overgangstype tussen twee soorten is ondenkbaar! Men leze er slechts Abraham Kuypers evolutierede uit 1899 op na om werkelijk de belachelijkheid van deze theorie te zien.

Het is veeleer andersom: populaties die van andere populaties van eenzelfde soort afgescheiden raken (b.v. doordat hun biotoop fysiek geïsoleerd raakt van de biotopen van haar soortgenoten) verarmen in genetisch opzicht en gaan uiteindelijk door inteelt te gronde. Hoe ‘zuiverder’ een ras, hoe minder aanpassingsvermogen. 'Bloedmenging' is hoogst noodzakelijk om voldoende genetische variabiliteit te behouden, opdat er bij veranderingen van de leefomstandigheden altijd enige individuen overblijven doordat zij in staat zijn zich aan te passen ('survival of the fittest'), waardoor uitsterving van een populatie wordt voorkomen. Genetische verarming maakt een ras dus kwetsbaar, het streven naar raszuiverheid is dan ook uit den boze en verraadt een (macro-) evolutionistisch uitgaan van ‘lagere’ en ‘hogere’ rassen, waarbij de ‘hogere’ worden gezien als voorstadia van nieuwe soorten.

Dit is een puur biologisch verhaal. Puur biologisch bezien is het pleiten der progressieven voor ten onrechte zo genaamde 'bloedmenging', voor vermenging van rassen (wat overigens een pleiten tegen de geest van het evolutionisme in is, zie hierna!), dus een goede zaak. Het leidt tot individuen met een grotere genetische variabiliteit, met een groter immunologisch weerstandsvermogen tegen allerlei infectieziekten e.d.. Daarom ben ik ook tegen de oppositie tegen een multi-etnische samenleving, zoals een Olivier van Renswoude bij Bitterlemon uitdraagt. Want voor ons mensen is dit etnische maar één aspect, maar één kant van de zaak. Anders dan dieren zijn mensen nl. cultuurwezens. De evolutionist zal dit niet willen aanvaarden, maar altijd naturalistisch trachten cultuur tot natuur te herleiden, te reduceren (en in lijn hiermede culturele diversiteit, culturele grenzen, het bestaan van b.v. een Nederlandse cultuur, een Nederlandse identiteit, ontkennen). Het (macro-) evolutionisme is immers een monistisch, nader een materie-monistisch stelsel. De Duitser Ernst Haeckel heeft dit consequent uitgedragen. Maar het is voor het (voort)bestaan van de Westerse cultuur van levensbelang dat zij afgeschermd wordt van haar vijandig gezinde niet-Westerse culturele invloeden, voor zover die vanuit hun eigen aard agressief-expansionistisch zijn. Tot welke etniciteit, welk ras hun (uit)dragers dan behoren is van net zo weinig belang als dat de etniciteit, het rastype van hen, die weliswaar niet behoren tot het Germaanse rastype, maar zich wel vereenzelvigen met de Westerse cultuur, dat is, zoals het Europese Jodendom.

Bovengeschetst macro-evolutionisme is vanwege de hiervoor geschetste, alleen al logische ondenkbaarheid al lang door zowel christelijke als niet-christelijke epistemologen (kennistheoretici) afgeserveerd. Alleen willen de progressieve ideologen, en in hun kielzog de gehersenspoelde, geseculariseerde humanistische goegemeente (buiten en binnen de christelijke kerk), daar niet aan. Dit komt, doordat voor hen het evolutionisme veel meer is dan een biologische theorie (in de vorm van de evolutieleer) alleen, nl. een ideologie, die de status heeft van een geloof, of juister: een religie, waar zij vanuit gaan en wat zij daardoor ten principale niet ter discussie kunnen en willen stellen. Men herinnere zich ook de uiterst felle reacties van het zgn. tolerante en verlichte, ‘liberale’ deel der bevolking op het voorstel van de destijds nog missionaire minister van Onderwijs en Wetenschappen, Maria van der Hoeven, om NAAST de evolutieleer ook de scheppingsgeschiedenis in den lande ook op de openbare scholen te doen onderwijzen.

Het is overigens wel ironisch, dat de progressieve, zelotische voorvechters van het evolutionisme het evolutieproces tegenwerken want pleiten voor zoveel mogelijk immigratie van niet-Westerse allochtonen, waardoor de kans op 'bloedmenging' met de autochtone bevolking sterk wordt bevorderd, maar waardoor (blijvende binnen hun macro-evolutionistische denkraam) de vorming van nieuwe soorten wordt gefrustreerd, terwijl anti-progressieve tegenstanders van multi-etniciteit geheel redeneren in evolutionistische termen van de noodzaak van raszuiverheid voor het proces van speciatie (soortvorming) op weg naar steeds ‘hogere’ rastypen (cf. Nietzsche’s idee van de ‘Uebermensch’)!

Door de  progressieven wordt het vergif van Darwins evolutieleer (geheel in de lijn der bedoelingen van Darwin zelf overigens) dus niet tot de biologische vakwetenschap beperkt, maar naturalistisch verabsoluteerd tot een materie-monistische, materialistische, deterministische levens- en wereldbeschouwing, waarin ten principale geen ruimte kan bestaan voor de menselijke vrijheid in verantwoordelijkheid tegenover een Schepper van de kosmos. Dit is de beroemde dialectiek der Verlichting, waarbinnen de prioriteit wordt gegeven aan het humanistische gelijkheidsbeginsel ten koste van het humanistische vrijheidsbeginsel. Dit monisme maakt het zijn aanhangers dan ook onmogelijk om grenzen te erkennen, waar dan ook. Of het nu gaat om grenzen tussen soorten, tussen natuur en cultuur, om ouderlijk gezag over kinderen, om gezag überhaupt, om grenzen tussen man en vrouw, tussen huwelijk en samenwonen, tussen dieren en mensen, noem maar op, overal zal men belijders van zulke Gods scheppingsorde constituerende grenzen het leven zuur trachten te maken, zulks met zelotisch, religieus fanatisme. Zulke monisten willen geen kwalitatieve variaties erkennen, alle geschapen kwalitatieve variabiliteit moet materie-monistisch herleid worden tot uiteindelijk zoiets stompzinnigs als bewegende materiedeeltjes. Zulk denken verwerpt het bestaan van trancendentale grenzen, van een scheppingsorde, van wetten en regels. En waar grenzen verworpen worden, ontkent men ook het bestaan van kwalitatieve variabiliteit, en diskwalificeert men het benoemen daarvan als discriminatie. Terwijl discrimineren inderdaad helemaal geen negatief begrip is, maar louter wil zeggen: onderscheid maken, of liever benoemen, signaleren. Dit hoeft met waarde-oordelen helemaal niets te maken te hebben. Vanuit anti- (macro-) evolutionistisch perspectief is het onmogelijk om het ene ras niet alleen kwalitatief te onderscheiden van het andere ras, wat volstrekt legitiem is, maar ook ‘lager’ (in de zin van lager staand op een veronderstelde evolutionistische ladder), ook minderwaardig te achten. God is de Eerste geweest die ging discrimineren, nl. door te gaan scheppen. De duivel tracht, zoals reeds vermeld, juist grenzen op te heffen. Zij die tekeer gaan tegen het discrimineren, tegen het onderscheid signaleren als zodanig, zijn daardoor, zoals gezegd, dienaren van satan. Hun grote nihilistisch ontkennen van grenzen vanuit het gelijkheidsbeginsel is inderdaad, wat Derek Bulthuis schrijft, geen ‘positief’ alternatief voor het geloof in een betekenisvolle wereld, maar ‘de dekmantel van het niets, de negatie van een betekenisvolle wereld’. Mij schieten hierbij de namen van existentialistische filosofen zoals Sartre en Heidegger te binnen. Hun liberale en progressieve discipelen lijden aan de zinloosheid, aan de  leegte in hun eigen bestaan, en trachten vanuit jaloezie in hun lijden zoveel mogelijk mensen die nog wel in een zinvol bestaan geloven in hun val mee te slepen. Maar de algehele overwinning zal nooit ofte nimmer hun deel zijn! Want niet alleen heeft de geschiedenis uit en te na bewezen, dat het christendom juist sterker wordt naarmate het meer wordt vervolgd (denk hierbij, om slechts een voorbeeld te noemen, aan de explosieve groei van het christendom in landen als China en India) - Christus zal Zijn gemeente, dat is Zijn lichaam, nooit te gronde laten gaan, want haar eenheid en voortbestaan zijn geborgd, niet in een paus te Rome maar in Hem, die het Hoofd van de gemeente, van Zijn lichaam is en Die gezeten is naast de Vader. Maar ook is het onmogelijk om te doen alsof Gods heilige scheppingsorde niet bestaat. Ik zal aan de hand van een concreet, recent voorbeeld trachten te verduidelijken waar ik op doel.

Recentelijk was er het voorstel van ene prof. mr. Ashley Terlouw (tot grote schade van het academische leven in den lande zijn niet-gepromoveerde hoogleraren steeds minder uitzonderingsgevallen) in de online versie van het Nederlands Dagblad van 12 maart 2010 om artikel 1 van de grondwet te herschrijven. Daarmee wil ze het de overheid onmogelijk maken om Nederlanders en migranten als aan elkander ongelijke gevallen te beschouwen. Daarmede doet zij echter geen recht aan het naïeve ervaringsfeit, dat er nu eenmaal verschillen zijn. Niet alleen kan ieder ander mens dan zij dat constateren, maar ook zij zelf doet dat impliciet, juist door erover te schrijven. Dat verschillend zijn maakt het haar juist mogelijk, om hierover stelling te nemen en haar tekst te schrijven! Dus als ze werkelijk van mening is, dat er geen verschillen zijn, dan die twee groepen, migranten en Nederlandse staatsburgers, niet bestaan, dan zou ze hierover niet eens kunnen communiceren.

En zo geldt dat ook voor het weg willen moffelen van andere onderscheidingen, b.v. door de voorstanders van het ‘homohuwelijk’, dat in de definitie van het huwelijk nooit een huwelijk kan zijn. Juist door bezwaar te maken tegen het standpunt van hen, die het huwelijk willen reserveren voor een man met een vrouw, verraden zij, dat er ook volgens hen wel degelijk een door ieder mens voor-theoretisch ervaren onderscheid tussen homo’s en hetero’s is. Ook zij bewegen zich, door hun bestrijding van het standpunt van hun tegenstanders, binnen het discours van hun tegenstanders. Hun hen kunnen bestrijden, hun met hen kunnen communiceren, vooronderstelt het bestaan van het onderscheid tussen homo’s en hetero’s, dus verraadt het bestaan, ook in hun ogen, van ongelijke gevallen, die dan ook ongelijk behandeld mogen en ook behoren te worden! Het is hun dus onmogelijk om buiten Gods scheppingsorde te treden, zelfs al in hun denken. Als zij consequent zouden zijn, zouden de progressieven niet eens met hun tegenstanders communiceren en hen dus niet kunnen bestrijden, doordat zij werkelijk geen onderscheid tussen homo’s en hetero’s zien binnen hun discours.

Binnen de neocalvinistische traditie worden de in de scheppingsorde gegrondveste, voor-theoretisch ervaren, kwalitatieve onderscheidingen wijsgerig verantwoord in het kosmologische beginsel van de soevereiniteit in eigen kring. Dit beginsel, gegrond in de Heilige Schrift en in de schepping, is de enige waarborg tegen allerlei soorten van reductionisme en voor onze grondrechten en vrijheden tegenover overheidswillekeur en verwording van een staat tot totalitarisme.

Het is ook op basis van dit beginsel dat ik tot slot van deze bijdrage dan ook zou willen pleiten voor afschaffing van art. 1 van de Grondwet. De Grondwet dient ter bescherming van de burgers en hun verbanden tegen overheidsinmenging. De Grondwet geldt niet voor de onderdanen, maar voor de overheid! De overheid dient zich tot haar eigen taak te beperken, en de eigenwettelijkheid van de niet-statelijke samenlevingsverbanden, zoals politieke partijen, en de burgerlijke vrijheden te eerbiedigen, zodat we niet afglijden richting totalitarisme, en wij als burgers ons vroeg of laat gedwongen zullen zien om zulk een tiranniek geworden overheid, die zichzelf niet ziet als dienstbaar aan haar burgers, maar voor wie de onderdanen er haars inziens zijn voor haar (en 'Brussel'), met geweld te bestrijden. Artikel 1 is in strijd met de vele grondwetsartikelen die ruimte geven aan de diverse grondwettelijke vrijheden, zoals de vrijheid van godsdienst, onderwijs, vergadering en vereniging. Die vrijheden worden zoals gezegd ten principale slechts door het (neo)calvinisme, op basis van dit beginsel van de soevereiniteit in eigen kring, gewaarborgd. Radicale aanhangers van de Verlichting, zoals mevrouw Terlouw (inderdaad: dochter van Jan Terlouw, coryfee van de partij van hen die zich ‘vrijdenkers’ noemen), zijn juist de grootste bedreigingen voor onze vrijheden. Nu, met de uitspraak van de Hoge Raad tegen de S.G.P., zien wij echter een prevaleren van het overbodige artikel 1, waardoor sinds de invoering ervan in de jaren tachtig de grondwet innerlijk tegenstrijdig is gemaakt, boven vele andere, onze grondrechten beschermende grondwetsartikelen. Dit is een zeer kwalijke zaak. Ter onderbouwing hiervan zou ik willen verwijzen naar de uitstekende bijdrage van (de helaas R.K. geworden maar zulks pas na - naar ik van hem begreep - uit de P.K.N. van Zwolle op uiterst onchristelijke, liefdeloze wijze weggepest (sic) te zijn; ik blijf hopen op en bidden voor een terugkeer van hem en zijn gezin tot de ware, dat is naar Gods Woord gereformeerde kerk) Erik van Goor ‘De Hoge Raad heeft gesproken’ d.d. 09-04-2010 op deze webstek hieromtrent.