Thuispagina » Artikelen » Bio-ethiek » Bijdrage ten behoeve van 'Toetsen en begrenzen' » Christelijk-wetenschappelijke bezinning op de genetische modificatie van levende wezens

CHRISTELIJK-WETENSCHAPPELIJKE BEZINNING OP DE GENETISCHE MODIFICATIE VAN LEVENDE WEZENS

 

Paragraaf 1. Inleiding

Dit rapport beoogt een weergave van de huidige stand van de ontwikkelingen op het terrein van de genetische modifi­catie en de klonering, alsmede een christelijk-ethische evaluatie van beide. De toepas­sing van de gen­techno­logie op zowel plan­ten als dieren als de mens zal beschouwd worden.

Genetische manipulatie vindt zowel plaats door aan uni­versiteiten verbonden wetenschappers als door in dienst van het bedrijfsleven staande onderzoekers. In het eerste geval zal men meer gericht zijn op de verwerving van theoretische kennis en practische ervaringskennis bij het manipuleren van genetisch materiaal, zonder dat het direct helder is of de resultaten ook in economisch opzicht interessant zijn voor het uit de aard der zaak geldelijke profijt beogende bedrijfsle­ven, in het tweede geval is het expliciet de bedoeling dat de onderzoeksresultaten voor het het onderzoek bekostigende bedrijf direct economisch voordeel opleveren. Voorheen sprak men over "zuiver wetenschappelijk onderzoek" (Z.W.O.) respec­tievelijk "toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek" (T.N.O­.), tegenwoordig bekijkt men alles in termen van geld en spreekt men dan ook over eerste respectievelijk tweede respec­tievelijk derde geldstroom-onderzoek.

Ten aanzien van het gentechnologisch onderzoek onder­scheidt men twee belangrijke doelstellingen. De eerste is de be­strijding van menselijke ziektes. Deze doel­stelling kan weer onderverdeeld worden in de directe bestrijding van (erfe­lijke en multifacto­rieel bepaalde) ziek­tes bij individuele patiënten door middel van de zgn. genthe­rapie, en de biotech­nologische productie van geneesmiddelen op industriële schaal voor de mensheid in haar geheel (bijvoorbeeld de productie van insuli­ne)[1]. De tweede doelstelling is vergroting van de (wereld)vo­ed­selproductie.

De verwachtingen ten aanzien van de genetische manipula­tie zijn hoog gespannen. Men hoopt ermee allerlei ziektes, waarvan tot nu toe (op zijn best) alleen levenslange en dus kostbare symptoombestrijding mogelijk was, of waartegen men (op zijn slechtst) helemaal niets kon beginnen, te kunnen bestrijden. Men spreekt dan van gentherapie. En men hoopt er allerlei geneesmiddelen op industriële schaal mee te kunnen gaan produceren, terwijl men zulks voorheen slechts met veel moeite op synthe­tische wijze in het laborato­rium kon. Men denke hier aan geneesmiddelen zoals penicilline.

Ook is het mogelijk om bepaalde gewassen genetisch zoda­nig te modificeren, dat zij, in tegenstelling tot de hen omringende en verstikkende onkruiden, bepaalde krachtige chemische bestrijdingsmiddelen (zgn. herbiciden) weten te overleven, of dat zij het gebruik van bepaalde insecticiden mogelijk maken, waar zulks eertijds niet mogelijk was, met als doel de vernietiging van deze gewassen belagend ongedierte. Verder valt er te denken aan de inbouw in gewassen van genen die resistentie verlenen tegen extreme klimaatsomstandigheden, zoals zeer lage temperaturen of droogte. Hierdoor wordt het bv. mogelijk, om bepaalde gewassen in woestijnen of op berg­hellingen of in poolgebieden te verbouwen, terwijl dat vroeger niet mogelijk was. Bij landbouwhuisdieren is het niet langer niet alleen maar denkbaar, maar ook reeds geschied, dat er genen ingebouwd worden die coderen voor de aanmaak van bepaal­de gewenste mense­lijke eiwitten (men spreekt dan bv. over "transgene konij­nen"). En er zijn nog veel meer toepassingen voorstelbaar, de verbeelding kan hier gemakkelijk aan de macht komen. Het gaat hier steeds om vormen van biotechnologie.

 

Paragraaf 2. Bio-ethische problemen

Naast technische problemen (waar we het nu niet over hebben) doemen er (bio-)ethische problemen op met betrekking tot de genetische modificatie van levende we­zens. Ter verhel­dering volgt eerst in vogelvlucht een uiteenzetting van de belangrijkste wijsgerig-ethische benaderingswijzen.

In de ethische theorie[2] wordt onderscheid gemaakt tussen deontolo­gische en teleologi­sche/ consequentia­listische argu­menten. De eerstge­noemde soort van argumenten wordt gehan­teerd binnen een zgn. normatieve ethiek, ofwel een plicht­ethiek: bepalend voor het resultaat van de morele beoor­deling van een daad is hetgeen aan die daad voorafging, de motivatie tot de daad, de neiging, de intentie van de dader, datgene wat de dader als zijn - morele - plicht beschouwt, het beoogde resul­taat.

De laatstgenoemde soort van argumenten wordt gehanteerd binnen een zgn. doelethiek, ofwel resultaattheorie: bepalend voor de morele beoordeling van een daad zijn de gevolgen ervan, dus het resultaat of het bereikte doel. Bij de deonto­logische argumen­ten gaat het om ethische grond­beginselen, om morele apriori's, bij teleologische argu­menten om de mogelijke gevolgen a posterio­ri (telos = doel(einde)), om voordelen en om risico's. De resultaattheorieën kennen een hedonistische en een eudemonistische variant. Van deze laatstgenoemde vari­ant is het in bredere kring bekende utilisme weer een bijzon­dere versie. Hierin geldt díe beslissing als de moreel juiste, die na een afweging van allerlei relatieve voor- en nadelen tegen elkaar leidt tot het grootst mogelijke geluk, opgevat als econo­misch nut, voor het grootst mogelijke aantal individuen. Aangezien hier het resultaat van de belangen-afweging door­slaggevend is, zou men m.i. ook nu mogen spreken over een plichttheorie: er geldt namelijk een absolute plicht tot een dergelijke relativisti­sche belangen-afweging, waarbij het resultaat daarvan in een bepaalde situatie als ethische norm gaat gelden. Alleen kan er ten principale nooit sprake zijn van algemeengel­digheid van de in die specifieke situatie geldende norm: aan die norm ligt niet een transcendentaal apriori, één of andere categorische imperatief als waarde ten grondslag, maar de veranderlijke omstandigheden ! In andere tijden en/ of in een andere omgeving zou er wel eens een andere norm als maatgevend uit de belangen-afweging voort kunnen vloeien.

Sommigen vinden de beoefening van wetenschap en techniek als zodanig, a priori, verwerpelijk en zondig. Men denke bijvoorbeeld aan de geschriften van wijlen de Nederlandse theoloog en predikant F. de Graaff, en aan iemand zoals dr. M. Oudkerk van het R.I.C.. De in de weten­schapsbeoefening toege­paste methode van de modale abstractie vatten zij steevast maar ten onrechte op als een (intermodale) reductie van de totale, volle (ruim­telijk-tijdelijke) gescha­pen werkelijkheid tot het door de desbetref­fende wetenschapper bestudeerde modale aspect ervan, waardoor die volle werkelijk­heid geweld wordt aange­daan, wordt gedena­tureerd. Voor hen maakt het dan niet uit welke de doelstellin­gen, wat de resul­taten zijn van de weten­schappelijke activi­teiten, of de mens­heid er al of niet veel baat bij heeft: zij zijn er a priori, catego­risch al op tegen, dat is hun (uit hun levensbe­schouwing voort­vloeien­de) plicht ("de­on"). Met zulke mensen valt m.i. over het onderwerp van dit rapport, met alle intel­lectue­le respect natuurlijk, dan ook verder niet te praten.

Anderen menen zelf niet uit te gaan van levensbeschouwe­lijke en morele plichten en apriori's, en maken steeds een belangen-afwe­ging, kijken welke voordelige respectievelijk nadelige conse­quen­ties er a posteriori verbonden zijn aan de toepassing van genetische mani­pulatie in een bepaald geval. Deze lieden hanteren dus een utilistische redeneerwijze.

Ook is het mogelijk, om uit te gaan van morele apriori's die een positievere kijk op wetenschapsbeoefening inhouden, evenwel zonder in het relativisme van de aanhangers van resul­taattheorieën te vervallen. In dit rapport wordt een dergelij­ke benadering verkozen, nl. een christe­lijk-wetenschappelijke benadering, waarbij uitgegaan wordt van de bijbels gefundeerde noties van cultuurman­daat en rentmees­ter­schap.

 

Paragraaf 3. Co-creatie en creatio continua

Er wordt binnen de christelijke traditie ook gewerkt met de gedachte van de co-creatie, maar aan deze idee kleven enige bezwaren die te maken hebben met een bepaalde interpretatie van de gedachte der creatio continua, zoals in het volgende zal blijken.

Ons is in Gen. 1 geopenbaard, dat de schepping voltooid is. God schiep in den beginne, wat zowel een begin van de tijd zelf is als een begin in de tijd, dus een begin van de we­reld­geschiedenis. Immers, God heeft niet Zelf een bepaalde tijd nodig om te scheppen, en de tijd zelf is ook een scheppings­werk, zoals Augustinus reeds zei. Ook betekent dit "in den beginne" een schepping in begin­sel, wat inhoudt, dat alles wat in de loop der eeuwen geboren zal worden, op aarde zal ver­schijnen, zich zal ontwik­kelen, ont­plooien, ontsluiten, in den beginne reeds geschapen is. De schepping is immers vol­tooid[3].

Men moet goed beseffen, dat de Bijbel nood­zake­lijker­wijze over Gods scheppingsactivi­teit in een taal en in termen spre­ekt die begrijpelijk moeten zijn voor ons mensen, in ruimte en tijd beperkte wezens als we zijn.

Door te spreken over een schepping in beginsel wordt het ook gemakkelijker voorstelbaar, dat niet alleen de histori­sche personen Adam en Eva, maar ook wijzelf "in het paradijs zijn geweest", zoals K. Schilder ergens eens heeft geschreven[4], en dat daardoor heilshistorisch bezien in Adam de mensheid in haar geheel in zonde is ont­vangen en geboren, zoals het dogma der erfzonde het formu­leert. Ook wordt het zo gemakkelijker voor­stelbaar, dat het verlossingswerk van de ene historische persoon Jezus Christus, de tweede Adam, een heilshistorische reikwijd­te heeft.

De idee der creatio continua is dan ook alleen in een heel bepaalde zin bruikbaar, nl. "sub specie aeternitatis". Aangezien God eeuwig is, is er voor Hem geen opeenvolging van verleden-heden-toekomst, maar is wat voor ons zich in de loop van duizenden jaren ontvouwt één eeuwigdurend ogenblik, een permanent heden. Er is voor Hem dan ook geen onderscheid tussen schepping en onderhouding, alsof Hij eerst iets gescha­pen heeft en het vervolgens onderhoudt. Om dit uit te drukken is de term "creatio continua" - althans in theologische ver­handelingen - adequaat. Niets wat geschapen is heeft substan­tie in zichzelf, niets creatuurlijks is zelfstan­dig, is auto­noom, maar de totale geschapen werkelijkheid is continu door en door van God de Schepper afhankelijk.

Maar ons, in de categorieën van ruimte en tijd denkende en daartoe noodzakelijkerwijs beperkte mensen, spreekt de onder­schei­ding in de tijd tussen schepping en onderhouding veel meer aan. Maar dan is het niet aan te raden om te spreken over een "crea­tio continua", alsof Gods scheppingswerk in den beginne nog niet af is, maar in de loop der tijden gewoon doorgaat, al of niet met behulp van de mens als co-creator. Want anders komt men in strijd met de openbaring, dat Gods schepping voltooid is.

 

Paragraaf 4. Cultuurmandaat

Wel is ons verderop in Gen. 1 geopenbaard, dat de mens in de dan reeds in zonde gevallen schepping geroe­pen is om de aarde te bebou­wen en te bewaren en om over al het overige geschapene te heersen. Dat wordt in de christelijke traditie als het cultuurmandaat aangeduid. Maar dat heeft niets met scheppen in de ware zin des woords te maken ! Het in het He­breeuws in de (twee) schep­pingsverhalen daarvoor gebruikte woord komt ook nergens anders in de Bijbel voor, en kan dus ook niet met "bebouwen" vertaald worden. Het enige waartoe wij mensen geroepen zijn is het ontsluiten van wat reeds in poten­tie, in beginsel door God geschapen is. Daarbij dient er geen sprake te zijn van roof­bouw op de schepping, van verbruik, maar alleen van gebruik, dus van rentmeesterschap. De mens dient dus het "rentedragend kapitaal" van de schepping zorg­vuldig te bewa­ren en te behoe­den, en mag erover heersen en het beheren, het ontwikkelen, het cultiveren, om te leven van de vrucht ("de rente") ervan. Hij is als een hovenier, die de in potentie zo rijke wildernis in cultuur brengt, er een tuin (Dui. "Zaun", Eng. "town", stad) van maakt, om van de vruchten ervan te leven. Maar het werk van de mens blijft beperkt tot het ontsluiten van reeds ingeschapen potenties, tot het recom­bineren van reeds voor-gegeven materi­aal, en zulks conform Gods richtlij­nen voor goed beheer, voor goed rentmees­ter­schap. Dit is de normatieve, menselijke pendant van het in de natuur plaatsvindende micro-evolu­tiepro­ces, waarbij door muta­ties en vooral door genetische recom­bina­ties nieuwe variaties/ rassen binnen de kaders van de geschapen elementai­re grondty­pen ontstaan. Van werke­lijk scheppen (Schuurman en Van Bruchem spreken zelfs over "tegen-schep­pen"[5]) is geen sprake, sterker: kan ten prin­cipale ook nooit sprake zijn, evenmin als dat er binnen de natuur van een werkelijk creatief macro-evolutiepro­ces sprake is noch kan zijn ! Alle angst daarvoor, voor het "als God zijn" e.d., verraadt slechts een al of niet bewust geloof in de werkelijkheid van het creatieve macro-evolutie­proces[6] en in de mogelijkheid van een spontane generatie !

Wanneer er dan ook beweerd wordt, dat door de techniek van de genetische recombinatie "de vanaf de schepping aanwezi­ge soortbarrières worden doorbroken"[7], dan klinkt dit drama­ti­scher dan het is. Want een inter-specifieke vermenging van genetisch materiaal vindt ten eerste in de practijk alleen plaats binnen het kader van de biotechno­logie, niet binnen dat van de gentherapie/ genetische modifi­catie. En ten tweede wordt er dan nog binnen de biotechnologie slechts een zeer klein deel van het erfelijke materi­aal, doorgaans slechts één gen, van de ene naar de andere soort van organisme overge­bracht. Maar dan valt het resulte­rende orga­nisme be­zwaarlijk een bas­taard te noemen, als zijnde het - zelf on­vruchtbare - product van een in de Bijbel ongeoorloofde krui­sing van twee dieren van ver­schillen­de soorten, waarbij een vermenging plaatsvindt van hun volle­dige genenpakketten.

 

Paragraaf 5. Conceptionalisme

Vanuit ons christelijk-wetenschappelijk uit­gangs­punt komen wij niet alleen uit bij de meer algemeen cultuur-ethi­sche noties van cultuurmandaat en rentmeesterschap, maar ook bij wat specifiek bio-ethischer waarden. Hierbij valt te denken aan het zgn. conceptionalisme, dat uitgaat van de volledige beschermwaardigheid van alle menselijk leven vanaf de bevruchting. En aan de daarmee gelieerde waarde, dat een menselijke vrucht - in een experiment - nooit enkel en alleen als middel, maar zelf altijd ook als doel gebruikt mag worden. Tevens zou men goed kunnen verdedigen, dat men gentechnologie bio-ethisch bezien alleen voor medische doeleinden aan mag wenden, dus nooit voor verbeteringsgenmanipulatieve, posi­tief-eugenetische, kosmetische of militaire doeleinden. Wij willen dus vanuit ons christelijk uitgangspunt daarom ook geen steun verlenen aan, om maar iets volkomen willekeurigs te noemen, de ontwik­keling van een nieuwe generatie wapens, nl. de geneti­sche, die alleen bepaalde etnische groeperingen m.b.v. een zgn. "etnisch virus" vernietigen of steriliseren, terwijl mensen met andere geneti­sche eigenschap­pen er niet door aange­tast worden (de British Medical Associa­tion heeft hierover bericht tijdens de algemene jaarvergade­ring van de World Medical Association in Zuid-Afrika). Ook zijn wij tegen de prae-implantatie-diagnos­tiek en de prae-natale diagnostiek zolang er nog geen therapie mogelijk is. Want zolang als dat zo is, is de enig over­blijvende reden voor zulke vroege dia­gnostiek een selectieve abortus provocatus, wat wij in princi­pe verwerpen.

Maar omdat wij niet geloven in de mogelijkheid van schep­pen door de mens en ook niet in macro-evolutie, geloven wij ook niet in de mogelijkheid tot het creëren van nieuwe, hogere (begrepen als complexere) soorten in de zin van nieuwe grond­typen, maar wèl in de tech­nische mogelijkheid tot het creëren van nieuwe mensenras­sen, of, liever gezegd, in de mogelijkheid tot het veranderen van een reeds be­staande menselijke vrucht van het ene in het andere ras. Immers, het is wel degelijk denkbaar en spoedig (of nu al ?) ook mogelijk om op allel-niveau d.m.v. genthera­pie muta­ties en recombinaties te induce­ren, wat trouwens in de natuur ook al in de vorm van het zgn. micro-evolutieproces geschiedt (zie hiervoor). Maar aangezien wij, zoals gezegd, alleen medicinale toepassin­gen aanvaarden, en niet kosmeti­sche, achten wij het creëren van nieuwe rassen (of van meer exemplaren van ons lievelings­mensenrastype (waar­bij de smaken ook nog eens onder ons ver­schillen)) overbodig.

Ook uitbreiding van een populair mensenrastype d.m.v. klonering van de gaafste exemplaren ervan achten wij in strijd met Gods geboden. Want klonering is een vorm van ongeslachte­lijke voortplanting ("parthenogenese"), waartoe in de natuur alleen de allerlaagste ongewervelde onderkruipsels zich, zo dat mogelijk zou zijn, verlagen. Maar de Here heeft de mens t.b.v. de voortplanting de huwelijksband aangewezen, waar­binnen man en vrouw tot één vlees zullen zijn. 

Er zal dus door een intra-specifieke genmodificatie per definitie nooit een verandering van soortelijke identiteit ver­oorzaakt kunnen worden. En doordat op medische gronden uitge­voerde gen­the­rapeutische modificaties op allel-niveau altijd maar een zeer klein deel van het genen­pakket betreffen (hoog­uit de vernietiging van een heel chromo­soom in gevallen van aneuplo­die, bv. bij XYY-mongool­tjes), ervaren wij zulke veranderin­gen evenmin als een verande­ring van subjec­tieve, unieke iden­titeit van het embryo als dat wij een mens met het ge­trans­planteerde hart van een mede­mens of van een zwijn in zich plotseling een beetje als die donor of dat zwijn gaan beschou­wen. Bovendien kan ik me geen aandoening, geen indica­tie voor­stellen, waarbij een vervanging in een vroege vrucht van méér dan bv. 50 % van het genoom voor het bereiken van genezing of voor het voork­ómen van een ziekte later nood­zake­lijk is. Men denke hierbij voorts aan de experimen­ten met kikvorseie­ren, waarbij uit het ene ei A zelfs de gehele kern, dus 100 % van het genoom, werd verwij­derd en werd ver­van­gen door de kern van een ander ei, B: is de resul­terende kikker nu kikker A of kikker B ? Vanuit mijn eigen naïeve, voor-theore­tische erva­ring zou ik zeg­gen: het blijft gaan om kikker A, net zoals ik mijn oude fiets als dezelfde blijf beschouwen, ook al is in de loop van vele jaren 75 % van de onderdelen vervangen. De sub­jec­tieve, unieke identiteit kan ten princi­pale niet door genetische modificatie op het spel worden gezet, en blijft uiteindelijk een myste­rie[8].

Trouwens, geneti­ci hebben berekend, dat er zich in het gene­tisch materiaal van ons allen zelfs een bepaalde hoeveel­heid viraal DNA bevindt. Dan zouden er dus helemaal geen echte, 100 procents mensen meer bestaan, wat natuurlijk ook absurd en in strijd met onze naïeve erva­ring is. Men zie voorts paragraaf 8.

Paragraaf 6. Geneticalisme

Onder het geneticalisme verstaan wij de toepassing van het materialistische beginsel binnen de biologie. Het kent aan het genetische materiaal een dermate grote rol toe, dat het totale organisme, met al zijn levens-, psychische- en eventu­eel aanwezige geestesfuncties, gedurende zijn gehele ontogene­tische ontwikkeling, dus vanaf de conceptie t/m zijn dood, door de uit het DNA bestaande genen wordt gedetermi­neerd. Het zgn. centrale dogma der moleculaire biologie: van DNA tot RNA tot eiwit tot fenotype, dat binnen de (moleculaire) biologie zijn legitieme plaats heeft, wordt hierbij ten onrechte verab­so­luteerd.

Het moge t.a.v. het geneticalisme duidelijk zijn, dat er hier sprake is van een verabsolutering van de relatieve "natu­urpool" van het dialectische religieuze grondmotief van het humanisme, wat bij toepassing van de reductio ad absurdum leidt tot een religieuze tegenstrijdigheid (antinomie). Want indien alle orga­nismen volle­dig gedetermineerd zouden zijn  door hun genen, dan zou ook hun subjectieve individualiteit (de "vrijheidspool", die met de eerdergenoemde "natuurpool" cor-relatief is) volle­dig te be-grijpen moeten zijn binnen het zgn. biologische soort-be-grip, quod non. Want met dit soort­begrip kunnen soortgenoten in genoty­pisch opzicht niet van elkaar onder­scheiden worden (zij bezit­ten allen dezelfde soortelijke identiteit), maar enkel op grond van toevallige omgevingsfac­to­ren, die kunnen hebben geleid tot variaties in de onderlinge verhoudingen van de allelen, waar­door er ver­schillende varia­biliteitstypen ont­staan zijn. En het duide­lijkste blijkt de onjuistheid van de geneti­calis­tische verab­solutering van (het belang van) het genotype in het geval van eeneiïge tweelingen en klonen. Dan immers hebben we te maken met individuen, die niet alleen tot dezelfde soort behoren (wetzijde), maar die ook v.w.b. hun allelen (subject­zijde) voor 100 % met elkander overeenstemmen. Zij behoren dan ook nog eens tot hetzelfde variabiliteitstype. Ieder verschil in fenotype is dan zéker het gevolg van de invloed van toeval­lige omge­vings­facto­ren, van "nurture" i.p.v. van "nature", wat op genetica­lis­tisch stand­punt onbestaan­baar is. Toch blijven wij de beide helften van eeneiïge tweelingen terecht beschouwen als twee afzonder­lijke individuen: hun soortelijke identiteit is het­zelf­de (ze bezit­ten dezelfde genen, behoren tot hetzelf­de genotype), evenals hun variabili­teitstype (ze bezitten ook dezelfde allelen), maar hun subjec­tieve, unieke identiteit is - uiter­aard - verschillend[9].

Ook moge het duidelijk zijn, dat er hier sprake is van een reductionistische benaderingswijze, waarmee in principe alle geschapen, modale grenzen worden uitge­wist, wat zowel in strijd is met de naïeve, voor-theoretische ervaring als met onze voor-theoretische, christelijke geloofsvooronder­stellin­gen. Zou het centrale dogma der moleculaire biologie slechts toege­past worden op de modaal-biotische zijnswijze van een orga­nisme, wij zouden er weinig bezwaar tegen hebben (al spelen er ook ande­re, meer teleologische mechanismen een rol binnen de ontoge­ne­ti­sche ontwikkeling en morfodynamiek van een ontwikke­ling, zie hier­na). In dit geval is er immers slechts sprake van een legitie­me intra-modale reductie (dus géén reductionis­me) bij het methodisch bestuderen van een levend wezen onder het gezichts­punt van zijn biotische zijnswijze, waarbij sl­echts tijdelijk van zijn overige wijzen van in de tijdelijke werkelijkheid functioneren, bv. op psychische wijze of op esthetische wijze, wordt geabstraheerd. De bioloog is daar als bioloog simpel­weg niet in geïnteres­seerd.

De natuurwetenschappelijke methode kan dus niet enkel worden gekarakteriseerd met het woordje "abs­tractie". Want de natuur­wetenschap­per blijft niet daarbij staan, maar her­stelt na analyse en eventuele reductie van de kwantitatieve veelheid aan (kwalitatief gelijkgeaarde) ve­rschijnselen die hij binnen de verkozen zijnsmo­dus ont­waart tot één grond­noe­mer, het systati­sche intermo­dale zinsverband met de overige modale aspecten. Na de abs­tractie van de te bestuderen zinmo­daliteit uit haar kosmisch-tijde­lijke verband met de overige modale aspec­ten en de intra­modale analyse ervan, volgt de synthese in theoreti­sche be­grippen van de door de analyse gevonden gege­vens en het herstel van de kosmologische, intermodale zinsa­menhang, die wij in het dagelijks leven naïef ervaren. "Op deze wijze wordt wetenschapsbeoefening bedreven vanuit geloof en tot geloof, en daarmee wordt het geloofsinzicht versterkt, verrijkt en verdiept zich het voorwetenschappelijk kennen en neemt de verantwoordelijkheid en het besef van rentmeester­schap toe", om met E. Schuurman te spreken[10].

Dus alleen in geval van hante­ring van een monisti­sche, bv. geneti­calisti­sche, benade­rings­wijze binnen het (natuur)we­tenschappe­lijke bedrijf, is er blijvend sprake van een "redu­ction of reality, objecti­fication of what is investi­ga­ted (...)"[11]. Bij hante­ring van een niet-reductio­nistische werk­wij­ze wordt immers niet ge­tracht om de totale werkelijk­heid tot één aspect ervan te reduceren, en wordt niet het totale orga­nisme misver­staan door het bv. slechts onder zijn bioti­sche of fysisch-chemische aspect te beschou­wen en zo zijn totale bestaan als een machine op te vatten. De bewering, dat "These abstractions imply a reduction of the real "thing", or indivi­dual creature under study to an impersonal object (ob­jectifi­cation)"[12], wekt enigszins de indruk, dat het hanteren van de natuurwe­ten­schappelijke methode van modale abstractie, logi­sche analy­se, reductie van de aangetroffen veelheid tot een eenheid binnen de formulering van een natuurwet, en ten­slotte herstel van het intermodale zinsverband, wel uit moet gaan van, en wel moet leiden tot een monistische werkelijk­heidsop­vat­ting.

Maar binnen een geneticalistische beschouwingswijze worden, zoals gezegd, ook de anders geaarde, "hogere" vermo­gens[13] van organismen gedacht volledig bepaald te zijn door hun biotische, genetische substraat.  

 

Paragraaf 7. Kan de systeemtheorie voldoende weerstand bieden aan het reductionistische geneticalisme ?

Binnen de theoretische biologie geldt het teleologische organicis­me als de tegenhanger van het reductionisme van het atomistische, deterministische, mechani­cistische materialisme, en van het vitalisme. Het orga­nicisme heeft vooral vorm gekre­gen in de systeemtheorie van de bio­loog-filosoof L. von Berta­lanffy[14]. De systeemleer komt van oorsprong echter niet voort uit de biolo­gie, maar is als systeem-filoso­fie te beschouwen als de toe­passing van de cybernetica (stuur­kunde), waarvan de bekende N. Wiener de vader is, op de andere vakweten­schappen, wier inte­gratie beoogd wordt via de cyberne­tische beginselen, zoals informatie en communicatie[15]. Ze bevat als waardevol ele­ment de erkenning van het bestaan van een ver­schei­den­heid aan onderling onherleidbare kwalitei­ten (al kan ze dat niet vol­houden vanwege haar emergentie-evoluti­onisti­sche uitgangs­punt, zie hierna). Schuurman schrijft over de systeemfiloso­fie: "Van de systeem­filoso­fie (...) kan in elk geval in­zicht in de nadelen en de kwalen van het mechanistisch wereld­beeld en van het industrie­le tijdperk geleerd worden"[16].

Binnen deze theorie worden levende organismen be­schouwd als hiërarchisch geordende systemen, waarbij het geheel méér, en daardoor ook kwali­tatief ánders is dan de som der delen. Die meerwaarde zit hem dan in de onderlinge relaties tussen de delen, in de organisatie van de delen tot een groter geheel. Er wordt in dezen wel gesproken over een cybernetisch systeem. Wanneer er maar genoeg relaties tussen de delen zijn ontstaan, wanneer hun organisatie, hun structuur, in de loop van een geleidelijk, continu evolutieproces maar voldoende gecompli­ceerd is geworden, dan verschijnen (emer­geren) er volgens deze theorie op het hogere niveau, plotseling, kwalita­tief nieuwe eigen­schappen[17]. De bekende J. Ellul schrijft over de systeem­theorie: "Het systeem leek met de werkelijkheid te korrespon­deren door te laten zien dat het geheel van de delen iets anders is dan de simpele optelling ervan en dat hun kombinatie kwalitatief verschillend is van de afzonderlijke delen. Er is namelijk sprake van relaties tussen de delen en het is de verzameling van deze relaties die kenmerkend is voor het geheel"[18]. Men denke bv. aan moleculen, die eigenschappen bezitten die de hun constituerende atomen missen. En om met Van der Steen in zijn be­schrij­ving van het orga­ni­cisme te spre­ken: "Fysica en chemie kunnen zich hoog­stens met onder­de­len van organismen en de eigenschap­pen daar­van bezig­houden. Een orga­nisme als geheel heeft ook eigen­schappen die niet toege­schre­ven kunnen worden aan welke onder­delen dan ook; men denke bijvoorbeeld aan doelgericht gedrag van organismen. Theorieën over dergelijke eigenschappen kunnen nooit geredu­ceerd worden tot fysica en chemie omdat deze eigenschappen doodeenvoudig niet binnen het blikveld van deze wetenschappen vallen"[19]. Von Bertalanffy zelf definieert het levende orga­nis­me als een in een hiërarchische orde georganiseerd, open systeem (een geheel) van een groot aantal verschillende delen (Jochemsen en Bunge[20] spreken over "subsys­te­men"), die met elkaar in inter­actie zijn[21].

Er is, zeker binnen complexe biolo­gische systemen, sprake van vele verschillende organisa­tie-niveaux[22]:

organisatie-niveau          elementen             structu­ren

-­-------------------------------------------------------------

 

1. micro-fysisch         protonen, electronen         atoom

 

2. chemisch                     atomen                molecuul

 

3. biochemisch                 moleculen               DNA

 

4-a. biologisch            macromoleculen              cel

 

4-b. biologisch                cellen                 organen

 

5. psychosomatisch          organen, C.Z.S.           lichaam

 

6-a. micro-sociologisch       individuen          kudde, groep

 

6-b. macro-sociologisch        groepen            maatschappij

In een verdere onderverdeling kan men van de cel via weefsels en organen naar orgaanstelsels komen. Verder kan men van de organismen opstijgen naar biocoenosen en verder naar biogeocoenosen en naar de biosfeer.

Men ziet aan het schema van Jeuken, dat de verschillende organisatie-niveaux (Jochemsen: "lagen") soms van een ver­schil­lende kwalita­tieve aard zijn (1, 2 en 3 bv. zijn allen fy­sisch-chemisch gekwali­ficeerd, terwijl 4 radicaal anders is gekwalificeerd, nl. biotisch), en soms dezelfde modale kwali­ficatie kennen (cel­len, weefsels en organen bv. bezitten allen de biotische kwalificatie). 

Verschillende niveaux worden dus gekenmerkt door het bezit van eigen­schap­pen, die niet aanwezig zijn op de lagere niveaux, dus die t.o.v. de lagere niveaux "nieuw" zijn, en er niet toe te reduceren zijn. Vol­gens de systeemleer zijn zij gedu­rende de evolutie bij het complexer worden van de materie op een gege­ven moment plotse­ling "verschenen". Jochemsen: "Typical for such a system is that when one moves from one layer to a higher layer new phenomena (nova) can be observed that the lower subsystems do not possess"[23]. Dit noemt men het "emer­gentie-evolu­tionis­me"[24]. Zo zou bv. "het" leven door spon­tane generatie plotse­ling moeten zijn ontstaan, toen eenmaal niet-levende materie inge­wikkeld genoeg geworden was. Eén en ander zou dan mogelijk geweest zijn, doordat biologi­sche syste­men open systemen zijn: ze ontvangen energie van buiten[25], uiteinde­lijk van de zon, waar­door er in de evolu­tie, volgens de sys­teemthe­orie, groei naar grotere com­plexi­teit mogelijk zou zijn[26].

Men ziet in wat voor een tot tegenstrijdigheden leidende boch­ten weten­schappers zich wringen om het specula­tieve, reductionistische transfor­matie-principe van het macro-evolu­tionisme, met zijn continu­teits-postulaat, te handhaven: men pretendeert ener­zijds vast te houden aan een geleidelijke (want evolutio­naire) ontwikke­ling, en postuleert andererzijds oncritisch en botweg het plotselin­ge verschijnen van disconti­nue, kwalitatief volkomen nieuwe en onherleidba­re eigenschap­pen, omdat men niet toe wil geven aan het reductionistische, mechanicistische materie-monisme van een consequent evolutio­nisme. De conclusie moet dan ook zijn dat zij, die niet aan de stelling van het biologistische geneticalisme, dat álles door "de genen" gedetermineerd wordt, willen, voor een deugde­lijk alternatief níet terecht kunnen bij de systeemtheorie, daar die theorie haar op zich veelbelovende anti-reductionis­ti­sche pretenties niet kan volhouden, daar ze vanwege haar emergen­tie-evolutio­nisme tóch moet beweren, dat álle functies/ vermo­gens van een levend organisme, ondanks hun eigenaard, vanzelf ontstaan/ verschenen zijn gedurende het evolutiepro­ces, zodra het erfe­lijk materiaal complex genoeg geworden was. Om met Schuurman te spreken: "Met het systeemdenken kan men het leven, het ekonomische, de mens, enz. niet in de greep krij­gen. Wel voert men die pretentie. Toch is met betrekking tot de mens bijvoor­beeld duidelijk in te zien dat in de systeem­theorie de mens wordt gezien door de bril (onderstreping Schuurman, R.B.) van de systeemtheorie en de computertechniek. In het cybernetisch wereldsysteem is de mens niet meer dan een cybernetisch sub-systeem, waarvan de vrijheid en de verant­woordelijkheid steeds meer gevangen raken in het grote cyber­netisch wereldnet­werk"[27]. Hij noemt dit de "cyber­neti­sche reductie", die tot gevolg heeft, dat "Alle gege­ven en gescha­pen gehelen (...) eerst (worden) geïnterpreteerd als cyberne­tische machines die zich vervolgens in hun gedrag moeten aanpassen bij het grote alles-omvattende cybernetische wereld­systeem", waardoor ge­sproken zou kunnen worden over een nieuw technicisme, namelijk het cyberne­tisme[28].

 

Paragraaf 8. De reformatorisch-wijsgerige benadering: geen deel-geheel-verhouding, maar een vervlechting van structuren 

 Doordat de systeemtheorie gevangen blijft binnen het reductionistische denken in hiërarchische deel-geheel-verhou­dingen, weet ze, zo bleek boven, niet werkelijk om te gaan met de kwalita­tieve verscheiden­heid aan zijnswijzen binnen de tijdelijke werke­lijkheid.

Dankzij het gemaakte onderscheid tussen twee ervaringsho­ri­zonten, nl. de modale en de entitaire/ structuur­typische, is dat in de structuurtheorie van Dooyeweerd geheel anders. Hier worden levende wezens beschouwd als zgn. enkapti­sche struc­tuurgehelen: twee, drie of vier onherleidbaar verschillend gekwa­lifi­ceerde individuali­teits-(sub)structuren zijn hier (tijde­lijk) onder­ling vervlochten tot één totaliteitsstruc­tuur, die als zodanig een typisch omsluitend vormgeheel be­zit[29]. Vanwege die verschillende modale kwali­ficatie staan deze sub-structu­ren onderling niet in een hiërarchisch geor­dende deel-geheel-ver­houding, maar elke substructuur voor zich door­kruist het gehele lichaam van het organisme. De enkapti­sche struc­tuurver­vlechting is aanwezig in alle delen van het lichaam van het organisme. Hier zijn de cellen, weefsels, organen, en ook de onderdelen van de cellen, zoals de celker­nen, en de genen, geen "niveaux" of "lagen", zoals in de sys­teem­theorie, maar delen van het levende organisme, dat van het levende lichaam op zijn beurt géén deel, maar een substruc­tuur/ deelstructuur is. Kalsbeek: "De levende delen der cel worden door Dooyeweerd gevat onder de naam "levend organisme". De cel als geheel omvat ook de niet-levende stoffen als water, enzymen, enz. en is dus met dit levend organisme niet iden­tiek. Dit geldt ook voor de lichamen in hun totaliteit. Dooye­weerd maakt dus onderscheid tussen een levend lichaam en een levend organisme, dat van het eerste een deelstructuur is"[30]. Jo­chemsen: "Howe­ver, in that philosophy these substruc­tures do not refer so much to physi­cally recog­nisable subsys­tems or parts but rather repre­sent some of the modes of being, or aspects that can be dis­tinguis­hed in reali­ty"[31]

De genen dienen hier dus opgevat te worden als biotisch gekwalificeerde delen van het levende organisme, niet als delen van het levende lichaam. Net zoals alle overige delen van het levende organisme (cel­len, weef­sels, organen, zie hierboven) van een levend wezen bestaan zij uit enkaptisch gebonden fysisch-chemisch gekwali­ficeerde materie. Zodra t.g.v. het overlijden van het levende wezen de tijdelijke binding binnen het enkaptische structuur­ge­heel wegvalt, komt de fy­sisch-chemische substructuur in haar eigen­wettelijkheid vrij, en volgt het ontbindingsproces[32].

Zoals gezegd zijn de enkaptisch vervlochten deelstructu­ren uit de aard der zaak van een verschillende modale kwalifi­catie. Anders immers zou er niet over enkapsis gesproken kunnen worden, maar over een deel-geheel-verhouding. Maar een enkaptisch structuurgeheel als een uit delen bestaand geheel benaderen zal alleen geschieden wanneer men een reductio­nis­tisch uitgangspunt hanteert. En die modale eigenaard van de deelstructuren is onher­leid­baar, de verschil­lende sub­structu­ren behouden binnen de (haar kwalificerende) enkap­tische structuurtotali­teit t.o.v. elkander haar eigenwet­te­lijkheid, haar souvereini­teit in eigen kring, haar relatieve autonomie. Dit betekent, dat de modale functies/ vermogens die kenmerkend zijn voor de na-biotische substructuren, dat wil in geval van de mens zeggen de psychi­sche en de geestelijk-normatieve functies, niet reductionis­tisch bepaald (kunnen) worden door de biotisch gekwalificeerde genen. De kosmisch-tijdelijk latere, na-biotische (sub)structu­ren zijn wèl (in de retroci­pe­rende kosmische tijdsrichting) gefundeerd in de biotische (en in de fysisch-chemi­sche) substructuur, maar worden er niet door gedetermi­neerd. Wat men wèl kan stellen is, dat er geen menselijk (geestelijk) en dierlijk (psychisch gekwalificeerd) leven mogelijk is zonder de funde­ring in het biotische sub­straat van het levende organisme, dat op zijn beurt weer is gefundeerd in de materie van de fy­sisch-chemische substruc­tuur.

Maar omgekeerd geldt, dat de fysisch-chemische materie nergens in de levenloze natuur zulk een ontplooiing/ verdie­ping kent als in de levende natuur. Binnen de enkaptische structuurgehelen van planten, dieren en mensen komt men chemi­sche verbindingen tegen, die nergens in de levenloze natuur aangetroffen worden. De fysisch-chemische substructuur wordt ontsloten onder leiding van het structuur-principe van het enkaptische structuurgeheel. Bij planten is dat biotisch gekwalificeerd, bij dieren psychisch. Bij de mens is er de act­struc­tuur, die als zodanig modaal ongekwalificeerd is, maar die iedere mogelijke normatieve kwalificatie kan aannemen[33]. Zo ontstaat de typische vorm van de desbetref­fende plant of het desbetreffende dier, waardoor een indeling in soorten/ naar soorte­lijke identiteit mogelijk is.

Deze structuur-principes van de enkaptische totaliteits­structuren uit de reformatorische wijs­begeerte zijn enigszins vergelijk­baar met de zgn. "regula­tie­centra" (zoals de kern t.a.v. de cel bij planten en dieren, en het CZS t.a.v. het gehele organisme bij hogere dieren) van De Vries[34]. Jochemsen: "In many types of system one of the subsystems assumes a control function as regulation centre (...) Such a regulation centre also functions as a centre of identity. So, in a cell the nucleus can be seen as a regu­lati­on centre. The central and autonomic nervous systems perform that functi­on in higher animals"[35]; "At the level of the biotic sub­struc­ture, the nu­cleus, contai­ning the genetic information, can be seen as the regula­tion centre and, there­fore, centre of identity of the unit of biological life, the cell (...) At the level of the sensitive­ly qualified substruc­ture, the central nervous system (CNS) functions as a regula­tion centre for the organism as a whole. As the regula­ting centre of the highest and qualifying sub­structure it has a regulating role in the realisation and opening-up of the lower substructures and the expression of identity at the level of those substructures"[36].

Het voert te ver om hier de gehele structuurtheorie van de wijsbegeerte der wetsidee van Herman Dooyeweerd c.s. weer te geven. Wij besluiten dan ook met de mededeling, dat binnen deze filosofie ervan uit wordt gegaan, dat er een ge­schapen verscheidenheid aan modale aspecten bestaat[37] die het uit­gangs­punt vormt voor de indeling van planten, dieren en anor­ganis­men in verschillende rijken, welke laatste onderling onher­leid­baar zijn, zolang een intermodale herleiding nog niet is aange­toond[38]. De indeling in structuurtypen daalt van de drie rijken niet verder af dan t/m het niveau van de soorte­lijke identiteit: de soortelijke identiteit discrimineert niet tussen de exemplaren van één bepaalde soort. Zoals in par. 6 reeds is vermeld, bezitten alle individuen van dezelfde soort dezelfde soortelijke identiteit; individuele ver­schillen, die bv. kunnen leiden tot een verschillende uiterlijke verschij­ningsvorm, tot een verschillend fenotype/ rastype, zijn hier het gevolg van een combina­tie van ener­zijds het bezitten van ver­schillende alle­len (er is dan sprake van soortgenoten met een verschillend variabili­teitstype), en andererzijds toeval­lige omge­vingsin­vloeden. Maar t.a.v. dit laatste merken wij op, dat de subjectieve, unieke identiteit van individuen natuurlijk niet  opgevat mag worden als de resul­tante van de inwerking van toeval­lige omgevingsfactoren. En zelfs als twee individu­en genetisch 100 % identiek zijn, dus als zij zelfs voor 100 % dezelfde allelen bezitten, het­geen het geval is bij eeneiïge tweelin­gen, dan nóg blij­ven wij hen beschouwen als twee afzon­derlijke individuen. Binnen de reformatorische wijsbegeerte wordt dan ook over de subjectieve, unieke identi­teit gesproken als "een geheimenis", doordat ze zich, juist vanwege haar uniciteit, onttrekt aan wetenschap­pelijk onder­zoek, dat uit de aard der zaak gericht is op algemene wetma­tigheden. Deze unieke identi­teit is op het stand­punt van die filoso­fie dan ook nooit te reduce­ren tot de soortelij­ke iden­titeit, wat het genetica­lisme beweert[39].

En ook Jochemsen stelt zich op dit standpunt: "With respect to the identity of individual entities, a distinction is made between the species-identity and the subjective indi­vidual identity of each entity, that is, a plant or an ani­mal"[40]; "In order to evaluate the impact of gene­tic modifica­ti­on on the identity of an animal it is important to maintain the distinc­tion between species-identity and individual iden­ti­ty"[41]. En ook volgens hem is het zo, dat "the manifestation of the species-identity can be studied scientifically, (where­as) this is not possible for the unique subjective identity. It withdr­aws itself from scientific analysis precisely because it is unique and does not fall under scientific studies of regu­larities in reality[42]. Maar, vragen wij ons hierbij af, hoe kan Jochemsen hier enerzijds beweren, dat de soortelijke identiteit wèl openstaat voor wetenschappelijke bestudering, maar andererzijds in de vol­gen­de alinea opmerken, dat op grond van het voorgaande niet alleen de unieke identiteit, maar óók de soortelijke identi­teit niet bepaald/ gedetermi­neerd wordt door het DNA ? Immers schrijft hij: "On the basis of the above reasoning, we conclude that neither the species-identity nor the individual identity of animals is determined by the DNA"[43]. Want, vragen wij, in welke genotypische zin verschil­len eenei­ïge tweelingen en (andere) klonen dan van elkaar ? Mijns inziens kan men daarom binnen een wat hij een "bottom-up" view noemt, maar wat juist een "top-down" view is[44], wel dege­lijk beweren, dat een orga­nisme gedetermi­neerd wordt door zijn genotype/ DNA, wat Jochemsen zelf dus trou­wens ook be­weert: "Look­ing "bottom-up" (wat dus eigenlijk "top-down" moet zijn, R.B.) one can say that the genotype (onderstreping R.B.) provides species-specifi­cally limited (onderstreping R.B.) developmental potential for the higher substructures"[45].

Binnen een "bottom-up view" (wat Jochemsen dus juist een "top-down view noemt) daarentegen geldt die determinering door het DNA/ door het genotype inderdaad niet. Waar de soortelijke identiteit gecorreleerd is met de "top-down view", daar komt binnen de "bottom-up view" de unieke identiteit in het zicht. Inderdaad kan men hierbinnen zeggen, dat "the animal, under the guidance of its "quality of inwardness" takes advantage of this developmental potential and uses its genetic endowment as a "resource" for its survival and development"[46], en dat, hoewel het genotype in de funderende richting de randvoorwaar­den voor de ontogenetische ontwikkeling, voor de morfodyna­miek, van elk organisme consti­tueert, de subjectieve, feite­lijke ontwikke­lingsgang in de anticiperende richting juist plaatsvindt in wisselwer­king met omgevingsfac­toren, en onder leiding van het struc­tuurprincipe van het organis­me, dat hierdoor zelf ten princi­pale dus niet afhanke­lijk kan zijn van het genotype, zoals het geneticalisme wil. 

 

Paragraaf 9. Conclusie

Op grond van de in de vorige paragrafen gegeven overwe­gingen kan dan ook met Jochemsen[47] geconcludeerd worden,

"tha­t, on the one hand, the view that the genetic information is not all-determining leads to the conclusion that a change of DNA-content in itself is not necessarily a violation of the species-identity nor a severe violation of the individual identity", met deze kanttekening, dat een wijziging in een DNA-sequentie zelfs ten principale de unieke identiteit van een individu niet kan aantasten. En in de klinische practijk van een gentherapie zal toch meestal slechts een (zeer) gering deel van het genoom (meestal één gen) gemodificeerd behoeven te worden, en zal hooguit (nl. in geval van aneuploïdie, wat zou leiden tot mentale afwijkingen zoals het syndroom van Down), lijkt mij, één heel chromosoom - in het kader van een kiembaan­gen­the­rapie - ver­nietigd behoeven te worden, waar­door ook de soorte­lijke identiteit niet onbedoeld dreigt te worden mee-gemo­difi­ceerd.

  


    [1] Er zijn nog wel meer doelstellingen voorstelbaar, zoals de productie van vergiften zoals zenuwgassen ten behoeve van biologische oorlogvoering, en onderzoek ten behoeve van de kosmetische industrie, maar die worden momenteel feitelijk niet of nauwelijks nagestreefd, waardoor de roep om een ethische bezinning erop ook niet zo luid is.

    [2] Zie nader hierover bv.: W. Leendertz en F.J. de Jong: "Beknopte inleiding tot de ethiek", Deventer (1974): pp. 13/ 68, m.n. pp. 25/7

    [3] Gen. 1: 34

    [4] de vrijgemaakten onder ons zullen wel weten wáár precies ...

    [5] C. van Bruchem en E. Schuurman: "Is alles wat kan, verantwoord ?"; aanzet voor publikatie Marnix-stichting; versie 28-5-'96; p. 13

    [6] zie hierover ook: [mijn gentherapie-manuscript en D. Vreugdenhil: "Biotechnologie en het sojaboon-effect, Bijbel en Wetenschap 22 (4) (1997), p. 53]

    [7] Van Bruchem en Schuurman, p. 5; zie ook Seldenrijk, p. ....

    [8] Natuurlijk denke men hierbij ook aan het schaap Dolly. Dat schaap ervaart iedereen ook als een uniek individu, hoewel ze een exacte kopie is van haar moeder.

    [9] Zie ook par. 8

    [10] in zijn artikel "Kultuurkritische evaluatie van het systeemdenken en de computertechnolo­gie", p. 136; verschenen in: "Systeemdenken en samenlevingsproblematiek"; Amsterdam (1981)

    [11] H. Jochemsen: "Genes and Identity: A Study of their Relationship in the context of transgenic Husbandry Animals", p. 17

    [12] a.w., p. 18

    [13] Ik spreek hier eigenlijk liever over kosmisch latere modale functies.

    [14] Zie zijn "Theoretische Biologie", deel I (1932); andere bekende systeemdenkers zijn R.L. Ackoff, K.E. Boulding, M. Bunge en E. Laszlo.

    [15] Zie E. Schuurman: "Kultuurkritische evaluatie van het systeemdenken en de computertechnolo­gie", p. 123; verschenen in de eerdergenoemde bundel "Systeemdenken en samenlevingsproblematiek", Amsterdam (1981)

    [16] a.a., p. 126

    [17] De gedachten gaan hier onwillekeurig uit naar Thomas Kuhns "The Structure of scientific Revolutions"

    [18] J. Ellul: "Systeemtheorie en christendom"; in: "Systeemdenken en samenlevingsproblematiek"; bundel, onder redactie van S. Strijbos verschenen t.g.v. het derde lustrum van de Centrale Interfacul­teit van de Vrije Universiteit te Amsterdam van 17 tot 19 october 1979.

    [19] W. J. van der Steen: "Inleiding tot de wijsbegeerte van de biologie"; Utrecht (1973), p. 171

    [20] In zijn "Ontology II: A world of systems (Treatise on basic philosophy, vol. 4), Dordrecht-Boston-London (1979), p. 9 e.v..

    [21] a.w., p. 83

    [22] vrij naar: M. Jeuken: "Materie, leven, geest", Assen (1979), p. 82

    [23] a.w., p. 21

    [24] Men herkent hier niet alleen overeenkomsten in met het neoplatonisme (Plotinus), maar ook met de ontologie van Nicolai Hartmann, waarmee Dooyeweerd zijn structuurtheorie geenszins vereenzelvigd wenste te zien.

    [25] in cybernetische terminologie: "input"

    [26] t.a.p.

    [27] a.a., p. 128

    [28] t.a.p.

    [29] cf. L. Kalsbeek: "De wijsbegeerte der wetsidee", Amsterdam (1983, p. 279

    [30] a.w., p. 277

    [31] a.w., p. 22

    [32] a.w., p. 280

    [33] Zie ook voetnoot 38.

    [34] genoemd bij Jochemsen, a.w., pp. 22, 24

    [35] a.w., p. 22; uit de context van p. 22 wordt het alleen niet duidelijk, of er binnen een organisme volgens De Vries sprake is van één of van meerdere regulatiecentra. In dit laatste geval zou elk subsysteem dan zijn eigen regulatiecentrum hebben, wat in strijd is met de structuurtheorie van Dooyeweerd c.s..

    [36] a.w., p. 24

    [37] los van de enorme structuurtypische verscheidenheid van eenzelfde modale kwalificatie

    [38] De mensheid wordt zelfs niet als een apart rijk beschouwd, maar de mens neemt als modaal ongekwalificeerd, geestelijk wezen op dit standpunt een volstrekt unieke positie in.

    [39] Zie ook par. 6.

    [40] a.w., p. 23

    [41] a.w., pp. 24/5

    [42] a.a., p. 23

    [43] t.a.p.

    [44] Binnen de reformatorische wijsbegeerte spreekt men niet over een "top-down view", maar over  beschouwing in de funderende (ofwel retrociperende) richting van de kosmische tijd, en niet over een "bottom-up view", maar over beschouwing in de transcendentale (ofwel anticiperende) richting van de kosmische tijd.

    [45] t.a.p.

    [46] t.a.p.

    [47] a.w., p. 25