Hoe het Darwinisme ontvangen werd

Hoofdstuk drie

HOE HET DARWINISME ONTVANGEN WERD

3.1 In Groot-Brittannië

 

De eerste reactie op de ‘Origin of Species’ was negatief, vooral van de zijde van de (politiek) conservatieven: evolutie was een bedreiging voor de religie en dus voor de kerk, die weer een belangrijke steunpilaar was voor de gevestigde orde. Vaak was de achtergrond van wetenschappelijke bezwaren tegen de evolutieleer een onwil om Darwins materialistische wereldbeeld te accepteren, al waren die bezwaren zelf vak reëel. Maar gedurende de jaren ’60 van de vorige eeuw won het evolutionisme meer en meer veld. Hoe langer hoe meer werd men ervan overtuigd, dat de wereld veeleer door natuurwetten dan door goddelijke willekeur wordt geregeerd. Rond 1870 werd het principe van het ontstaan der soorten door evolutie algemeen geaccepteerd, maar het mechanisme van evolutie door natuurlijke selectie, zoals dat voorgesteld is door Darwin, werd in twijfel getrokken. Een direct bewijs van de werking van het mechanisme van natuurlijke selectie ontbrak. Dit werd gezien als een belangrijk manco van de nieuwe theorie.

Uit de ‘Origin of Species’ bleek, dat een aantal bekende verschijnselen, zoals de geografische verdeling van de soorten, goed verklaard kon worden als het mechanisme van natuurlijke selectie voor het ontstaan van nieuwe soorten werd gebruikt als werkhypothese. En de evolutieleer liet zien, dat de manier van classificeren van planten en dieren volgens Linnaeus de relaties tussen organismen en hun gemeenschappelijke evolutionaire voorganger aan het licht brengt. De ‘eenheid van type’ binnen elke volgens het Linnaeïsche systeem van classificeren tot stand gekomen groep planten en dieren behoefde niet langer beschouwd te worden als het resultaat van een of ander mysterieus ‘archetype’, men had nu in de biologie de beschikking over een leidend beginsel om de gedurende twee eeuwen opeengehoopte feiten met elkaar in verband te brengen, overzichtelijk te maken. Maar daar natuurlijke selectie toch in enige mate controversieel bleek, laat het succes van het Darwinisme in de wetenschappelijke wereld zich niet geheel verklaren uit zijn bruikbaarheid als werkhypothese. Meer factoren werkten mee.

Wanneer een theorie vele voordelen, maar ook serieuze beperkingen heeft, hangt het succes ervan af van de wijze waarop ze wordt gepropageerd door voor- en wordt tegengewerkt door tegenstanders[1]. Het werkte in hun voordeel, dat de voorstanders in hun benadering van de theorie niet dogmatisch maar flexibel waren. Men hoefde slechts de meest algemene principes van de Darwiniaanse wereldbeschouwing te aanvaarden om Darwinist genoemd te kunnen worden: evolutie door gemeenschappelijke afstamming als gevolg van adaptatie d.m.v. waarschijnlijk voornamelijk natuurlijke selectie. Zodoende kon critiek altijd ontweken worden door een beroep te doen op de mogelijkheid van additionele mechanismen van evolutie dan door natuurlijke selectie. Daar komt nog bij dat de evolutionisten nooit openlijk lieten blijken van mening te verschillen over details van de theorie. Ze vormden één front.

Iemand die Darwins evolutieleer met verve verdedigd en uitgedragen heeft was Thomas Henry Huxley[2]. Bekend is zijn confrontatie met de geestelijke Wilberforce, die model is gaan staan voor het vermeende spanningsveld tussen geloof en wetenschap. Zulke controverses waren mede verantwoordelijk voor de verspreiding van het Darwiniaanse gedachtengoed. Daarnaast werd Huxley steeds bekender buiten de wetenschappelijke wereld, met name bij de overheid, die hem als wetenschappelijk expert in llerlei gouvernementele commissies liet participeren, waar hij zijn denkbeelden uit kon dragen. Hij was ook lid van de zgn. ‘X-club’, een informele maar zeer invloedrijke groep mannen achter de schermen, die er zorg voor droegen, dat hoe langer hoe meer Darwiniaans gedachtengoed in de wetenschappelijke tijdschriften verscheen[3]. Ook werden jonge wetenschappers met Darwinistische sympathieën op allerlei belangrijke posten in de wetenschappelijke wereld gezet. Dit alles leidde ertoe, dat rond 1880 in Engeland het Darwinisme een algemeen geaccepteerd dogma is geworden, zonder ooit serieus te zijn aangevallen. In de wetenschappelijke wereld werd voor het eerst niet alleen een goddelijke schepping verworpen, maar iedere vorm van teleologie, van het bestaan van een plan in de natuur[4].

De triomf van de evolutiegedachte in Groot-Brittannië werd ook veroorzaakt door het onvermogen van de tegenstanders van de nieuwe theorie, die zich niet konden vinden in het volkomen immanente, materialistische karakter ervan en wars waren van de gedachte, dat de geschiedenis van het leven op aarde een aaneenschakeling is van willekeur en ongecontroleerde gebeurtenissen, om een goed alternatief voor de evolutieleer te ontwikkelen en hun niet erg tactvolle manier van optreden. Ze waren ook niet in staat om hun anti-evolutionistische beweging te organiseren[5].

De houding van de geestelijkheid tegenover de natuurwetenschappen had ook zo haar effect. De geestelijken waren uiterst bevooroordeeld ten opzichte van de onderzoeksresultaten van die dagen in het algemeen en van de evolutiedenkbeelden in het bijzonder. Daarnaast waren velen er bijzonder slecht over te spreken, dat geestelijken vergaderingen van natuurwetenschappers trachtten binnen te dringen en de feiten door retoriek te doen vervagen, zodat zij geneigd waren zich bij Darwins aanhang te voegen. Evolutie leverde een uitstekende stok op om de theologen mee te slaan. Het was voor de menselijke ijdelheid een onthutsende gedachte dat de mens en de aap gemeenschappelijke voorouders zouden hebben en daarmee (verre) familieleden van elkaar zouden zijn. Maar in andere opzichten streelde de evolutieleer de menselijke ijdelheid. Eindelijk kunnen de dogma’s der theologen ontlopen worden. Een ondige daad gold niet langer als iets afkeurenswaardigs en slechts, maar slechts als een restant van ’s mensen dierlijke voorlopers. Darwin, geholpen door T.H. Huxley en E. Hackel (zie hierna), was degene die het wetenschappelijke denken en de theologie ontkoppeld heeft.

Sociologische factoren deden ook hun werk. Industriëlen en andere welgestelden zagen in het mechanisme van de natuurlijke selectie van de best aangepasten een handvat dat de natuurwetenschap hun aanreikte om zich weinig te bekommeren om sociale nood. Voor politici vormde de ‘struggle for life’ een prima rechtvaardiging voor een agressief buitenlands beleid en het voeren van oorlogen (zoals de Boerenoorlog!).

 

3.2 Hoe het Darwinisme buiten Groot-Brittannië ontvangen werd

 

Het Darwinisme had en heeft wereldwijd grote invloed. Darwins boeken werden vertaald in de belangrijkste talen op aarde. De ontvangst van het Darwinisme buiten Albion verschilde wel sterk al naar gelang het land[6].

In de Verenigde Staten was de respons van oudere wetenschappers in het algemeen negatief en die van hun jongere collegae positief. De belangrijkste tegenstander was Louis Agassiz. Hij ging, net als Cuvier in Frankrijk, volledig uit van de onveranderlijkheid der soorten als entiteiten in Gods scheppingsplan. Veranderlijkheid van soorten door natuurlijke selectie wees hij af. Echter, doordat hij zijn standpunt tot in het belachelijke doortrok, waarbij hij zelfs variëteiten als soorten ging beschouwen, kwam hij hoe langer hoe meer alleen te staan.

De botanicus Asa Gray[7] echter was een overtuigd evolutionist, maar had problemen met het selectie-mechanisme. Als diep gelovig man was hij erop gebrand te laten zien, dat de evolutieleer te verenigen is met een vorm van natuurlijke theologie. De palaeontoloog Marsh[8] had minder reserves en deed belangrijk werk dat tot dan toe ontbrekende schakels leverde aan de fossielenreeks.

Hoewel in de Verenigde Staten de meeste natuurwetenschappers tot het evolutionisme overgingen, werd er meer dan in Groot-Brittannië naar alternatieven gezocht voor natuurlijke selectie. Men accepteerde weliswaar evolutie, maar was minder geneigd willekeurige variatie en selectie als artikelen in zijn evolutionistische geloofsbelijdenis op te nemen. Echter, in het Amerikaanse zakenleven moedigden Darwins pennevruchten ontoelaatbare handelspractijken aan.

In Frankrijk veroorzaakte de leer weinig opwinding[9]. Pas later in de 19e eeuw gingen Franse wetenschappers geleidelijk over tot het evolutionisme, maar het selectiemechanisme bleef disputabel. Men nam liever de oude opvatting van de erfelijkheid van verworven eigenschappen van de Fransman Lamarck over. Daarbij komt nog, dat de op de Fransman Descartes teruggaande rationalistische manier van denken zich in Frankrijk deed gelden, waardoor men moeilijk een mechanisme, dat op toevallige variatie is gebaseerd, kon aanvaarden.

Het evolutionisme had een enorm grote invloed op de Duitse geest. Sir Archibald Geiki[10], die in 1868-869 een reis door Oostenrijk maakte, merkte op: ‘Wat mij vooral trof was de absolute heerschappij, die de werken van Darwin thans over de Duitse geest oefenen’. Het ligt voor de hand, dat Bismarck door het Darwinisme werd beïnvloed bij zijn besluiten tot het voeren van zijn agressie-oorlogen. Na afloop van de verloren oorlog met het Pruisen van Bismarck kwam het Oostenrijkse parlement in 1866 bijeen om te beraadslagen over de wederopbouw van het land, waarbij een vooraanstaand parlementslid zich afvroeg, of Darwin gelijk heeft of niet. Friedrich Nietzsche (1844-1900) nam integraal Darwins ideeën over, maar betreurde het, dat Darwin zijn denkbeelden niet tot hun uiterste, logische consequenties doorvoerde. Nietzsche klaagt, dat Darwins behandeling van de evolutieleer ‘geen oproep is tot de strijd om de aarde voor te bereiden voor de Supermens, maar een rustgevend geloof, dat het evolutieproces vanzelf goed terecht komt; dat ons milieu automatisch betere mensen voortbrengt; dat de natuurlijke selectie nog aan de gang is’.

In tegenstelling tot Engeland hield men in Duitsland weinig rekening met de religieuze gevoelens in het volk en talmde men niet in de lijn van de evolutieleer door te redeneren en de uiterste logische consequenties – alles, tot en met de oorsprong van het leven, mechanisch te verklaren – eruit te trekken. Verschillende Duitse wetenschappers, van wie Ernst Haeckel de bekendste is, zagen in Darwins verwerping van enige vorm van plan, van ontwerp in de natuur een wapen in hun strijd tegen religieuze orthodoxie. In de jaren ’70 van de vorige eeuw is ‘Darwinismus’ zeer populair geworden. Haeckel wilde de evolutietheorieën van Darwin, Lamarck en Goethe synthetiseren en een op die leer gebaseerde godsdienst stichten, die op de scholen in plaats van het christendom geleerd zou moeten worden. Zijn opvatting over evolutie rekende volledig met een Schepper af, want Darwins leer werd niet alleen toegepast op levende materie, maar ook op doe, op de oorsprong van het leven zelf. Op de één of andere manier maakte het ‘overleven’ van de best aangepasten onder de stukjes dode materie ze levend. Haeckels ideeën werden door de rationalisten in Duitsland en later ook in Engeland geestdriftig ontvangen. Darwinisme werd synoniem voor verzet tegen de gevestigde religie en voor een geloof in de vooruitgang van de mensheid. Volgens Haeckel worden biologische rassen in directe respons op het milieu gevormd, waarna de strijd om het bestaan tussen de verschillende rassen zou bepalen welk ras er overbleef. Evolutie leidde altijd tot hogere organismen; de mens is de tot nu toe hoogste vorm van leven en bezit het vermogen tot nog hogere ontwikkeling. Haeckel ontwikkelde uiteindelijk de filosofie van het monisme, die leerde, dat geest en stof twee aspecten van één universele substantie zijn. Het is waarschijnlijk, dat zich mede uit dit monisme de nazi-filosofie ontwikkeld heeft.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



[1] D. Hull: Sociobiology: a scientific Bandwagon or a travelling Medicine Show?; in: M.S. Gregory et al., eds.: Sociobiology and Human Nature; San Francisco: Jossey-Bass (1978)

[2] L. Huxley: The Life and Letters of Thomas Henry Huxley (2 vols.); London (1900); reprinted Farnborough, Gregg International (1969); W. Irvine: Apes, Angels and Victorians: The Story of Darwin, Huxley and Evolution; London (1955); reprinted Cleveland, Meridian Books (1959); H.C. Bibby: T.H. Huxley: Scientist, Humanist and Educator; London (1959); A. Ashforth: Thomas Henry Huxley; Boston (1969); J.R. Ainsworth Davis: Thomas H. Huxley; New York (1973)

[3] M. Ruse: The Darwinian Revolution: Science Red in Tooth and Claw; Chicago (1979)

[4] Teleologie is de leer van het doelmatig ingericht zijn van de schepping, alles heeft doel en zin; disteleologie is de tegenovergestelde leer.

[5] A Desmond: Archetypes and Ancestors: Paleontology in Victorian London, 1850-1875; London (1982)

[6] Th. F. Glick (ed.): The comparative Reception of Darwinism; Austin and London (1974)

[7] A.H. Dupree: Asa Gray; Cambridge, Mass. (1959)

[8] Ch. Schuchert en C.M. Levene: O.C. Marsh: Pioneer in Paleontology; New Haven (1940)

[9] Y. Conry: L’introduction du Darwinisme en France au XIXe siècle; Paris (1974); J. Farley: The initial Reaction of French Biologists to Darwin’s ‘Origin of Species’; J. Hist. Biology 7: pp. 275-300 (1974); R.E. Stebbins: France; in: Glick (ed.): The comparative Reception of Darwinisme, pp. 117-167 (1974)

[10] Nature, Vol. I: p. 22 (1869)