7. Het genoom en het basistype

 

Het is de uitdaging voor de taxonomie om te achterhalen welke genen er bij een bepaald elementair stamtype horen. Wil men bepalen of twee organismen tot hetzelfde basistype behoren, dan kan men, uitgaande van de juistheid van dit model althans, reeds zonder een kruisingsproef uit te hebben gevoerd, volstaan met ‘gene mapping’ van hun genen. Vermoed men dat bij twee organismen de genen identiek zijn, dan kan men door kruising de proef op de som nemen: is het nageslacht levensvatbaar en fertiel, dan behoren zij tot hetzelfde ‘Grundtype’. Of men stelt, dat het nageslacht niet ook nog eens vruchtbaar behoeft te zijn, omdat infertiliteit een handicap is waarmee valt te leven. Fertiliteit wordt dan bepaald door tolerante genen. Het zijn in ieder geval de essentiële genen die bepalen of er een levensvatbaar nageslacht komt. Die kunnen dat al bepalen ten tijde van de bevruchting, door een versmelting van de haploïde geslachtscellen al of niet mogelijk te maken. Zulk een versmelting zal bv. al niet plaats kunnen vinden wanneer homologe paarvorming tussen de chromosomen van de paringspartners niet lukken wil t.g.v. onverenigbaarheid tussen bepaalde essentiële genen op de wederzijdse chromosomen.                 

 

Dit micro-evolutieproces, deze variabiliteit ter wetzijde in de natuur is te zien als de natuurlijke pendant van het proces van de van plaats en tijd/cultuur afhankelijke, variabele subjectieve positivering van normen vanuit de constante, fundamentele normbeginselen, welke laatste de wetstructuur der normatieve aspecten constitueren. De positieve, d.w.z. de in een bepaalde cultuur geldende, normen zijn dan de evenknie van een binnen de genenpool van een bepaalde populatie overheersende variant van een gen, dus van een bepaald allel. De ‘soortelijke identiteit’ van een cultuur wordt dan bepaald door de positivering van de universele, algemeen-menselijke normbeginselen/waarden. En de normbeginselen zijn dan de pendant van de genloci, van de fundamentele wetzijde van organismen.

 

Van de weeromstuit bestaat er, zoals gezegd, ook een bepaalde wetmatigheid, een bepaalde ordelijkheid, aan de subjectzijde, die het mogelijk maakt dat individuele subjecten ook aan de wetten/orde onderworpen kunnen zijn: hieruit blijkt niet alleen dat wet en subject op elkander betrokken, onderling onverbrekelijk gecorreleerd zijn, maar ook blijkt uit die onderworpenheid dat elk concreet actueel ding zowel individuele als universele trekken vertoont. Ouwendorp geeft het volgende voorbeeld:

 

‘Twee paarden delen in de universele wijze van paard-zijn: dit paard en dat paard (de individuele zijde), ze zijn beiden een paard (de universele zijde). Het individuele paard is in zijn paard-zijn juist niet individueel. Het beantwoordt aan de universele condities of wetten die gelden voor alle paarden. (…) Zo is elke subjectieve entiteit meer dan individueel. Alle paarden zijn in hun zus en zo gestructureerdheid paarden. Tegelijk kan men zeggen dat elk paard uniek is. Elk individueel paard respondeert op een unieke wijze op de universele condities die gelden voor alle paarden; niet alle paarden responderen identiek. Er is een vrijheidsmarge voor deviatie, variatie, differentie, kortom voor individualiteit, maar alleen binnen het ‘framework’ van universaliteit. Een individualiteit is ook alleen bestaanbaar binnen zo’n ‘frame-work’. Universaliteit en individualiteit zijn dan ook altijd correlaat’[1]  

_________________________________________________________________________________________________________

[1] C. Ouwendorp: ‘Het probleem van het universele en individuele’: p. 53; Phil. Ref. 59 (1) (1994)