4. Wetzijde en subjectzijde der geschapen tijdelijk werkelijkheid

 

Datgene wat mogelijk gemaakt wordt door de wet, dus datgene wat bepaald wordt door de modale aspecten en structuurtypen, datgene wat aan die (objectieve) kosmische wetsorde onderworpen (subject) is, wat erdoor beperkt wordt, zijn alle dingen/entiteiten/individualiteiten in hun ordelijkheid/structuurtypiciteit en in hun modale functioneren/wijze van bestaan/wijze van zijn in deze tijdelijke werkelijkheid (‘bepalen’ en ‘beperken’ zijn de, zoals gezegd, positieve respectievelijk negatieve manier om tegen een wet aan te kijken). De WdW noemt dit de beide zijden van deze tijdelijke werkelijkheid, die onverbrekelijk op elkander betrokken, met elkander gecorreleerd zijn[1]: de wetzijde en de subjectzijde, ook wel ‘feitelijkheidszijde’ genoemd. Van der Hoeven zegt het zo:

 

‘Alles vertoont deze zijden (d.w.z. een wets-zijde en een feitelijkheids-zijde, R.B.) uiteindelijk: er is geen ding of feit zonder enige structuur, zonder een eenheid-in-verscheidenheid, die ook zijn ‘universaliteit’ kan worden genoemd en die het vergelijkbaar maakt met andere dingen of feiten[2].

 

  1. de Bruyn Kock:

 

‘In die wysbegeerte van Dooyeweerd word wet- en subjeksy altyd gesien as onverbreeklike korrelate. Daar is geen wet sonder korresponderende wetsonderdaan nie. En elke subjek of wetsonderdaan is gestel onder ’n bypassende wet. Om die rede word ook na die modale aspekte in die Wysbegeerte van die Wetsidee as wetskringe verwys’[3].

 

D.F.M. Strauss:

 

‘The ontic reality is that the correlation between la wand factuality cannot avoid the idea of type-laws’[4]

 

En C. Ouwendorp:

 

‘Eén van de belangrijkste onderscheidingen in Dooyeweerds filosofie is die tussen wets- en subjectszijde van de werkelijkheid. Elk individu is wetmatig – volgens de maat van de wet – onderworpen aan wetten door middel waarvan God Zijn schepping regeert en onderhoudt. De begrippen ‘individueel’ en ‘wetmatig’ strijden dan ook niet met elkaar. Individualiteit gaat echter niet op in wetmatigheid, maar impliceert een zekere speelruimte ten opzichte van de wet’[5].

 

De kosmische wetsorde is dus een transcendentale (of liever, gezien voorgaande, trancendentele, of, nog liever, fundamentele) wetsorde. Hierin wordt de wet dus zoals gezegd op een positieve manier benaderd, als datgene waardoor alles bestaan kan.

 

Intussen is deze transcendentele objectieve kosmische wetsorde niet goddelijk van aard maar, net zoals de aan haar subjecte dingen, processen, menselijke samenlevingsverbanden en instituten e.d., zelve ook geschapen van aard (en daardoor gekenmerkt door zijn zinkarakter) en goddelijk van oorsprong. Deze objectzijde van de tijdelijke werkelijkheid der talloze wetten in al hun modaliteiten en structuurtypen is, zoals gezegd, onverbrekelijk gecorreleerd met de talloze aan hen onderworpen/aan hen subjecte dingen/individualiteiten, die hierdoor de subjectzijde der tijdelijke werkelijkheid vormen. Maar, zoals reeds vermeld, de wijze waarop, dus hoe, deze kosmische wetsorde precies gestructureerd is, zullen wij nooit zeker kunnen weten, nooit kunnen verifiëren, en dus nooit voor eens en altijd in een niet meer te falsificeren begrip kunnen vatten, maar hooguit in een voorlopige (wets)idee kunnen benaderen/kunnen duiden. Van der Hoeven hierover:

 

‘De idee is iets van ons, door ons gevormd en (tastend) geformuleerd. Welnu, deze vorming is in laatste aanleg gemotiveerd door een subjectief, religieus grondmotief. En de wets-idee is als idee inderdaad een subjectieve, theoretische benadering van een wets-structuur die zich niet in enige theoretische greep laat vatten noch door wie dan ook vastgesteld of in bezit gekregen kan worden. Het kan dan ook nooit de bedoeling van de ‘wijsbegeerte der wetsidee’ geweest zijn, wets-structuren te presenteren als een soort ‘dingen’, ook niet als begripsdingen (…)’[6]

 

En D.F.M. Strauss:

 

‘(…) one can only approach this fundamental creational law-order in a limiting concept, i.e., in what Dooyeweerd has called a cosmonomic idea’[7].

 

Nog ietwat preciezer uitgedrukt: binnen de WdW wordt ervan uitgegaan, dat men ten diepste noch de subjectieve unieke identiteit van een entiteit, noch de zgn. zinkern van een zinmodaliteit, bv. het levende, ooit in de greep van een begrip zal kunnen krijgen. Met betrekking tot de zinkern der zinmodaliteiten merkt P. de B. Kock op, dat

 

‘Sodanige sinkern of kernmoment (…) in die strengste sin van die woord ondefinieerbaar (is). Dit (d.w.z. de zinkern, R.B.) word intuïtief gegryp, ingesien, raakgevat. (…) Die ondefinieerbaarheid van elke modale sinkern hang saam met die unieksoortige, onherleibare en onafleibare aard daarvan. Dit rus dan ook vir die besef van die Christelike wysgeer onmiddelik op ’n skeppingsdaad van God self. Dit word meesal aangedui met die term soewereiniteit in eie kring[8].

 

Door deze stand van zaken kan men nooit zeker weten of men de loop van de fundamentele structuurtypische, respectievelijk die van de fundamentele modale wetsgrenzen der kosmische wetsorde, die die unieke identiteit respectievelijk die zinkern mogelijk maken, juist heeft bepaald, juist heeft begrepen. De ene keer kan het taxonomische niveau van het elementaire stamtype, dat is dat waarop het Grundtype zich bevindt, dat van het genus zijn, de andere keer dat van de (sub)familia of species. Om met de bioloog en natuurfilosoof J.H. Diemer (een leerling van Dooyeweerd) te spreken:

 

‘Het genus vogel bijv. omsluit de species roofvogel, zangvogel, duif e.a. en ook deze species zijn nog weer genera, d.w.z. nog weer nader te differentiëren in species’[9].

 

Men kan van dat grensverloop ten principale hooguit een wetsidee hebben.  

 

Dit geldt niet enkel voor de wijze waarop de dingen met eenzelfde modale/radicaal-typische kwalificatie in de zgn. stamtypen, afdalend via de bekende, ook binnen de WdW hanteerbare taxons divisie, stam, klasse, orde, familie, geslacht tot en met het elementaire stamtype (zie hieronder), gedurende hun interne ontogenetische ontsluitingsproces zijn getypificeerd (ofwel gespecificeerd). Want zelfs van het aantal modale aspecten (en impliciet dus ook van het aantal rijken binnen de tijdelijke werkelijkheid, zie hieronder) is nooit met zekerheid te stellen dat het er bv. vijftien zijn. De mens heeft er intuïtief weliswaar weet van dat er verschillende zijn, maar blijft er principieel voor open staan dat ooit zou kunnen blijken dat er tot nu toe teveel (of juist te weinig) zijn onderscheiden, nl. wanneer (v.w.b. de eerste mogelijkheid) blijkt, dat een modaal aspect toch tot een ander te reduceren is. Zodra bv. spontane generatie aangetoond kan worden blijkt een aantal modaliteiten ten onrechte te zijn onderscheiden. Zo lang, van de weeromstuit, dat niet is aangetoond, of, op zijn minst, dat niet d.m.v. experimenten aannemelijk is gemaakt, is het werkelijkheidsgetrouwer om uit te blijven gaan van het bestaan van verschillende, onderling onherleidbare modale aspecten: géén constructivisme (zoals aan het begin is gesteld)!

Zo schrijft Dooyeweerd in Sciëntia in dezen:

 

(…) iedere nivellering of reducering van de modale verscheidenheid der ervaringsaspecten (moet) tot theoretisch verwarde probleemstellingen (…) voeren en (wordt) in het verder wijsgerig betoog tot een wezenlijke valstrik (…)’[10].

 

Hetzelfde geldt voor de structuurtypen der individualiteiten, zoals de diersoorten[11]. Door deze laatsten wordt het aantal te onderscheiden soorten, in de zin van de elementaire stamtypen[12], bepaald. Afhankelijk van het gehanteerde criterium ter bepaling van een ‘soort’ (dus afhankelijk van het gehanteerde biologische soort(grens)’begrip’, ofwel van de gehanteerde biologische wetsidee, bv. directe of indirecte kruisbaarheid, die leidt tot slechts een levensvatbaar maar infertiel nageslacht, of tot een vruchtbaar (fertiel) nageslacht), kan blijken, dat er op enig moment toch teveel of toch te weinig soorten zijn onderscheiden. Als men een evolutionist is, dan zal men het na onderzoek (zoals d.m.v. ‘gene-mapping’) of kruisingsexperimenten toch tot eenzelfde soort behoren van individuen of populaties die voorheen tot twee verschillende soorten werden gerekend waarschijnlijk zien als een aanwijzing voor gemeenschappelijke afstamming, voor monofyletisme, voor macro-evolutie. En als men een echte aanhanger van de WdW is, dan zal men dit zien als een aanwijzing, dat er tot nu toe toch teveel soorten werden onderscheiden, waardoor slechts het taxonomisch systeem aan de werkelijkheid zal moeten worden aangepast: het systeem wordt ietsje minder polyfyletisch[13].

 

Maar de WdW-aanhanger zal binnen de biologische vakwetenschap nooit als dogmatisch uitgangspunt hanteren dat monisme/monofyletisme uitgesloten is. Hij zal alleen maar beweren dat de empirie, waaraan recht moet worden gedaan, voorlopig veel meer wijst op pluraliteit, op polyfyletisme, dan op monofyletisme. De veranderingen die inderdaad empirisch aantoonbaar plaatsvinden in deze wereld maar die niet leiden tot reductie van modale of typische wetstructuren tot elkander, ziet hij als veranderingen binnen de kaders van deze constante  transcendentele wetstructuren, wat de reden voor hem is te onderscheiden tussen micro- en macro-evolutie[14].

 

En hier blijkt het fundamentele belang a) van het onderscheid dat de WdW maakt tussen de voormelde wetzijde en de subjectzijde dezer tijdelijke werkelijkheid. Dit onderscheid hangt samen met b) het onderscheid dat (naast dat tussen de diverse, onderling onherleidbare structuurtypen) binnen de WdW gemaakt wordt tussen de diverse, onderling onherleidbare modale aspecten. Met name haar onderscheid tussen het kinematische ofwel bewegingsaspect enerzijds, en het fysisch-chemische ofwel energetische aspect anderzijds is hierbij van belang.  

 

Ad a) Voor wat betreft het onderscheid tussen wet- en subjectzijde: de empirisch aantoonbare, en ook aangetoonde, micro-evolutie van individualiteiten vindt plaats binnen de transcendentele modale (want radicaaltypische) en structuurtypische kaders der entiteiten, dus aan de subjectzijde der tijdelijke werkelijkheid. De mogelijkheid van het zelfs ook maar plaats kunnen vinden van macro-evolutie van transcendentele modale aspecten en structuurwetstypen der individualiteiten wordt op WdW-standpunt, dus op filosofische gronden, ontkend, a priori reeds, los van de empirie! Dit heeft niets met constructivisme te maken, maar alles met recht doen aan de eigen alledaagse werkelijkheidsbeleving. Want hoe moet een verandering, i.c. een in elkander overgaan/een reductie tot elkander, van zulke fundamentele structuren, die juist (de constatering van) elke verandering mogelijk maken, worden geconstateerd? Zoiets ziet de WdW-aanhanger als (epistemo)logisch onvoorstelbaar! Dooyeweerd zelf hierover:

 

‘De tijdelijke werkelijkheid fungeert in een verscheidenheid van modale aspecten, die zelve niet aan verandering in den tijd onderworpen zijn, maar veeleer een constant en grondleggend modaal kader vormen, waarbinnen de individueel veranderlijke dingen, gebeurtenissen acten, handelingen, en samenlevingsverhoudingen haar variabele functies hebben, en dat die variabele functionering eerst mogelijk maakt’[15].

 

Meer met betrekking tot de biologie schrijft Strauss:

 

‘(…) the prejudiced and premature pre-occupation by Darwin and his followers with change prevented modern (neo-)Darwinian biology to come to terms with the fact that change always presupposes something constant. The one-sided emphasis on change actually denied constancy its rightful place’[16];

 

‘In spite of its pre-occupation with change neo-Darwinian biology is confronted with the fact that both within biology and paleontology the acknowledgement of constancy is of equal importance’[17].

 

En met betrekking tot het fysisch-chemische aspect schrijft hij:

 

‘Physical changes presuppose some form of continuation, for only on the basis of something that endures is it meaningful to point towards changes’[18].

 

Hier gaat het om het eeuwenoude filosofische vraagstuk van de continuïteit/discontinuïteit, dat stamt uit de klassieke Oudheid en in de vroege Middeleeuwen herleefde in de zgn. universaliastrijd tussen realisten en nominalisten, waarbij de laatsten het bestaan van grenzen ten diepste ontkenden. Binnen een materie-monistisch stelsel zoals het macro-evolutionisme[19] tracht men,  uitgaande van het continuïteitspostulaat en daarmee arbeidend op de grondslag van het nominalisme, alle discontinuïteiten te reduceren tot een vloeiend continuüm, tot één grote materiestroom.

 

Ook volgens J.J. Duyvené de Wit, een andere bioloog uit de school van Dooyeweerd, wijst het wetenschappelijke feitenmateriaal op een discontinue bouw van de organische wereld en wordt dit ook door vooraanstaande evolutionisten geleerd, waarbij laatstgenoemden toch , zo betoogt hij, vast blijven houden aan de transformistische idee van een continue bouw, zodat zich bij hen een dualistische tegenstelling openbaart tussen wetenschap (die op discontinuïteit wijst) enerzijds en geloof (in continuïteit) anderzijds:

 

‘The result is that scientifically established knowledge pertaining to discontinuity is not allowed to claim its rights in a view of organic totality as long as the latter is governed by the supra-scientific and speculative faith in continuity; Here we clearly recognize the effect of the science-ideal of classical Humanism in its attempt to demolish the real order of creation and to substitute it by a structureless view of reality in which all phenomena are ordered in a continuous causal series[20].

 

De WdW, die, anti-constructivistisch van benadering, recht wil doen aan de naïeve werkelijkheidservaring, blijft daarentegen uitgaan van de onderlinge onherleidbaarheid der constante zijnswijzen, in dit geval i.h.b. van die van het kinematische aspect tot het fysisch-chemische aspect (zie hieronder sub b)). Het laatstgenoemde bevindt zich binnen de kosmische tijdsorde ook nog eens op een positie na het eerstgenoemde, d.w.z. dat het fysisch-chemische aspect gefundeerd is in het bewegingsaspect. Terecht schrijft Strauss dan ook:

 

‘The kinematical retrocipation in the physical aspect is found in permanence (= physical endurance)[21].

 

Van de constantie der elementaire stamtypen/Grundtypen binnen het biotische aspect mag hetzelfde gezegd worden.

 

Zo er al sprake zou kúnnen zijn van enige onderlinge  reduceerbaarheid, dan betekent dit op grond van hun chrono-kosmologische posities dat het energetische aspect van de verandering juist herleid zou moeten kunnen worden tot de kinematische zinmodaliteit van de constantie, resulterend in de positie: alle verandering is slechts schijn; de ware werkelijkheid, haar diepste wezen, is het Zijn: ‘Het Zijnde is’, zoals Parmenides placht te leren.            

 

Dit beseffende, kan de aanhanger van de WdW rustig achterover leunen bij het gadeslaan van het zinloze, nu al anderhalve eeuw voortdurende  pogen der reductionisten, waaronder de evolutionisten en andere materialisten, om hun ‘missing links’, waarvan het op hun gradualistisch standpunt in de diverse aardlagen zou moeten wemelen, te vinden en om spontane generatie in het lab tot stand te brengen, en kan hij in vertrouwen wachten op allerlei binnen druppelende empirische resultaten vanuit biologische deeldisciplines zoals de genetica, de populatiebiologie, de biochemie en de celbiologie, en ook vanuit de paleontologie, die zijn wijsgerige systeem ook nog eens a posterori bevestigen. Bij dit laatste zou bv. gedacht kunnen worden aan wat de paleontoloog Stephen J. Gould, tezamen met N. Eldredge de grondlegger van de theorie van de ‘punctuated equilibrium’, schrijft:

 

‘Abrupt appearance (the punctuations of punctuated equilibrium) might well be attributed tot he admittedly gross imperfection of our geological archives (…) But how can imperfection possibly explain away stasis (the equilibrium of punctuated equilibrium)? Abrupt appearance may record an absence of information, but stasis is data. Eldredge and I became so frustrated by the failure of many colleagues to grasp this evident point (…) that we urged the incorporation of this little phrase as a mantra or motto. Say it ten times before breakfast every day for a week, and the argument will surely seep in by osmosis: ‘stasis is data; stasis is data…’. The fossil record may, after all, be 99 percent imperfect, but if you can, nonetheless, sample a species at a large number of horizons, well spread over several million years, and if these samples record no net change, with beginning and end points substantially the same, and with only mild and errant fluntuation among numerous collections in between, then a conclusion of stasis rests on the presence of data, not on absence!’[22]  

 

Alternatief wijsgerig denken, dat uitgaat van het bestaan van autonome substanties i.p.v. van de visie van de WdW dat de gehele tijdelijke werkelijkheid, ook in haar voltijdelijke eenheid, niet zozeer een autonoom zijnde is, als wel heteronome zin, is hiertegenover niet in staat om adequaat om te gaan met dit probleem van de continuïteit/discontinuïteit. Dit immanentie-denken (zo genoemd omdat het de oorsprong van alles immanent zoekt in iets schepselmatigs, binnen de tijdelijke zintuiglijk ervaarbare werkelijkheid, i.p.v. in iets transcendents, zoals de beroemde baron Von Münchhausen trachtte zich aan de eigen haren uit het moeras te trekken) is niet in staat om zowel een plaats te geven aan het binnen het kader van de micro-evolutie inderdaad optreden van graduele, continue[23], constant[24] voortdurende verandering van individuen, als recht te doen aan het element van de constantie, waardoor alle verandering van  discontinue individuen (punten, ‘punctualiteiten’) eerst mogelijk wordt[25]. Want ten opzichte waarvan moet de verandering van een, immers zelfgenoegzame,  ‘substantie’ dan afgemeten worden? Men loopt op het autonome immanentie-standpunt betreffende dit vraagstuk aan tegen de regressus ad infinitum.

 

Deze onmogelijkheid van macro-evolutie, van reductie van het kinematische aspect tot het fysisch-chemische aspect, is ook helder (zij het misschien niet altijd even inzichtelijk, wat iets anders is) geïllustreerd met behulp van computersimulaties, waarmee een zgn. ‘fitnesslandschap’ wordt gecreëerd[26]. Voor opwaartse macro-evolutie van essentiële genen, die de transcendentele structuur van een oertype constitueren, is het ten eerste noodzakelijk dat een genoom groeit, dat het nieuwe genen krijgt, en ten tweede, dat het nieuwe gen codeert voor een nieuw, ingewikkelder functioneel eiwit, dat ook nog eens passen moet binnen het complexe metabolische systeem, waarbinnen het a.h.w. ‘geadopteerd’[27] moet worden, in de lange tocht op weg van amoebe naar mens. Deze tocht is een tocht die van een lagere bergtop waarop een essentieel gen, dat dus hooguit neutrale mutaties kan verdragen, qua basepaar-volgorde enkel binnen de ruimte van nauwe grenzen functioneert, in het fitness-landschap leidt naar een hogere top, waarop een functioneel nieuw, dus niet verwant eiwit zou moeten ontstaan. En deze veronderstelde tocht voert, op gradualistisch evolutionistisch standpunt, via willekeurig en vrij (want zonder selectiedruk) muteren, door een dal van pseudogenen. Maar deze pseudogenen zijn ‘steeds dodere’ genen, t.g.v. de accumulatie van zeer veel meer schadelijke mutaties dan positieve, omdat er in deze wereld nu eenmaal oneindig veel vaker schadelijke dan nuttige mutaties optreden[28]. Het optreden van een terugmutatie naar het ‘oude’ wildtype eiwit zal al zeer snel na de eerste mutatie, die het gedupliceerde gen (genduplicatie moet zorgen voor de noodzakelijke groei van een genoom) t.b.v. de ‘verbouwing’ lam heeft gelegd en zo gevrijwaard heeft voor selectiedruk, statistisch practisch volstrekt onmogelijk worden. Om van het bereiken van een andere, hogere top van functionaliteit maar helemaal niet te reppen. Er is m.a.w. geen moment voorstelbaar waarop een zwaar gemuteerd pseudogen codeert voor een eiwit dat zowel de oude functie (die gecodeerd wordt door het gen waarvan het een duplicaat is en dat een normaal door-functioneren van het organisme waarin dit alles zou moeten plaats vinden waarborgt) heeft als de nieuw gewenste functie vervult, dat dus fungeert als een ‘missing link’. Er zal in het dal van dode genen niet gecodeerd worden voor enig intermediair eiwit, integendeel: de chaos zal door het vrij muteren eerder enorm zijn geworden. Een wel functioneel eiwit zal óf de oude functie moeten volvoeren, óf de nieuwe. Er is geen tussenweg. Nooit zal de door velen zo gehate discontinuïteit verdwijnen door de afstand tussen de bergtoppen in het fitness-landschap tot in het oneindige op te knippen. Constantie is niet te reduceren tot verandering, discontinuïteit niet tot continuïteit – zie ook hierna ad b)! Dit is wat ook Behe de ten diepste ‘onherleidbare complexiteit’ noemde.             

 

Ad b) Dankzij haar voornoemde onderscheid tussen een kinematisch aspect en een energetisch aspect echter is de WdW, zoals al naar voren kwam, wèl in staat om aan zowel het fenomeen der constantie als dat der verandering recht te doen[29]. Zij ziet de modale aspecten als universeel aanwezige eigenschappen van de dingen[30]. Dit impliceert, dat alle dingen altijd in alle zinmodaliteiten fungeren, d.w.z. alle dingen vertonen kenmerken, hebben eigenschappen van alle modale aspecten. Zo ervaren wij voor-theoretisch dat alle dingen zowel veranderen als constant blijven ondanks al die veranderingen die er plaats vinden in de loop van hun bestaan - bij organismen is dat gedurende hun ontogenese. Gezien hun vroege positie binnen de kosmische tijdsorde kunnen alle dingen binnen het kinematische aspect en binnen het fysisch-chemische aspect altijd alleen maar als subject functioneren. De zinkern van het bewegingsaspect is, hoe paradoxaal het ook klinken moge, constantie. Ietwat anders uitgedrukt: constantie kenmerkt de wetzijde van de kinematische modaliteit van de kosmische tijd. We noemden dit reeds eerder. Dit moet namelijk zo begrepen worden, dat onder ‘beweging’ de eenparige beweging in haar zuivere vorm, in de kern, moet word verstaan. En uit zichzelf gaat deze voor altijd, met een constante snelheid, door[31]. Dit wordt geformuleerd in de Eerste Wet van de thermodynamica. Energietoevoer zou voor een versnelling of voor een vertraging, dus voor een verandering zorgen (Tweede Wet van de thermodynamica). Strauss hierover:

 

‘I consider it to be more appropriate to speak about the kinematical time-order of constancy. As such, the nuclear meaning of the kinematical aspect underlies all references to dynamics and change, since change could only be detected on the basis of something constant. The best concise designation of the continuous flow of a uniformly moving body is given by the single word constant: its movement is constant, i.e. not accelerated or decelerated’[32]

 

Dat ieder ding een subjectfunctie binnen het bewegingsaspect vervult duidt erop, dat er aan ieder ding een constante zijde, een transcendentele wetzijde, valt te onderkennen. En aan de subjectzijde van elk ding is er iets te onderkennen waardoor het ook erop aangelegd is om subject aan de wetzijde te kunnen zijn: de wet-matig-heid, de ordelijkheid van elk ding. Ieder ding gedraagt zich naar de maat van de (natuur)wet. Strauss heeft hierop, in navolging van H. van Riessen, gewezen:

 

‘The (universal) conditions for being this or that type of thing must be distinguished from the (universal) way in which particular entities evince their conformity with these conditions (laws) (…) The structure (composition) of an entity (…) reveals what is correlated with (and therefore (is) distinct from) the order for entities. A structure for has the meaning of a law for, while a structure of represents the universal way in which individual entities reveal their conformity with the given law for their existence (also known as their law-conformity)’[33];

 

‘Terecht onderscheidt hij (dat is Van Riessen, R.B.) tussen wet en wetmatigheid/orde en ordelijkheid. Tevens heb ik van hem geleerd dat wetmatigheid (ordelijkheid) behoort bij datgene wat onderworpen is aan de wet (hetzij een subject, hetzij een object) – want slechts datgene wat onderworpen is aan de wet kan de maat van de wet bezitten en zodoende wet-matig optreden[34]’.    

 

De zinkern van het fysisch-chemische aspect daarentegen is verandering. Binnen dit aspect is er sprake van de onomkeerbare causaliteitsrelatie van oorzaak en gevolg. Ook in dit modale aspect fungeert ieder ding. Alles in de tijd, alles wat onderworpen is aan de tijd(structuren), de subjectzijde der dingen, heeft niet alleen iets constants aan zich, maar is ook aan fysisch-chemische verandering onderhevig. En ook aan de wetzijde is er  verandering te onderkennen. Deze is zichtbaar bij het ontsluitingsproces, het wordingsproces, zoals dat te zien is bij de ‘soortvorming’, bij de uitwaaiering over de aarde van de pluripotent geschapen oertypen[35]. Dit verbaast ons niet, gezien de eerder genoemde onverbrekelijke correlatie van wetzijde en subjectzijde.

 

Op deze wijze doet de WdW zowel recht aan de voor-theoretische ervaring van de modaal dus universeel aanwezige constantie van de discrete, discontinue individuen in deze tijdelijke werkelijkheid, als aan de naïeve ervaring van modaal dus universeel aanwezige verandering binnen de continue speelruimte van hun soortelijke categorie, aangezien zij de eerste vier modale aspecten van de kosmische tijdsorde (het aritmetische, het ruimtelijke, het kinematische en het fysisch-chemische aspect) erkent als tot elkander onherleidbaar, als alle vier soeverein in eigen modale (structuur)wetskring. Noch de in het voorgaande geschetste macro-evolutionistische poging tot fysicalistische reductie van het kinematische aspect van de constantie tot het erdoor gefundeerde fysisch-chemische aspect van de verandering, noch de poging tot nominalistische reductie van het ruimtelijke aspect der continue uitgebreidheid tot de aritmetische zinzijde van de discrete punten, door welke laatste poging het werkelijke bestaan van categorieën (van universalia) ten diepste ontkend wordt, is gelukt.    

________________________________________________________________________________________________________

[1] hetgeen inhoudt dat het zinloos is, over één van beide te handelen los van de andere.

[2] J. van der Hoeven: ‘Wetten en feiten’: p. 111, in: ‘Wetenschap Wijsheid Filosoferen’, Assen (1981) 

[3] P. de B. Kock: a.w.: p. 107

[4] D.F.M. Strauss: ‘Between postmodernism, positivism and (new) atheism’; Koers – Bulletin for Christian Scholarship 80(1): p. 4

[5] C. Ouwendorp: ‘Het probleem van het universele en het individuele’: p. 26, voetnoot 1; Phil. Ref. 59 (1) (1994)

[6] J. van der Hoeven: a.w.: p. 102 

[7] D.F.M. Strauss: ‘The modal aspects as points of entry to our experience of and reflection on created reality’:         p. 166, in: ‘Wetenschap, wijsheid, filosoferen’, Assen (1981)

[8] P. de B. Kock: a.w.: p. 103

[9] J.H. Diemer: Boekbespreking van J. Kalma’s De Mensch; een evolutiebeeld. Menschwording, Philosophia Reformata 6 (1941): pp. 145/58, m.n. p. 156.

 

[10] Sciëntia: p. 133

[11] In een voetnoot op p. 134 wordt in Sciëntia het transcendentele onderzoek naar deze individualiteitsstructuren door Dooyeweerd, ‘na dat der modale structuren, wel het belangrijkste positieve onderdeel van de Wijsbegeerte der Wetsidee’ genoemd.

[12] Door R. Junker en S. Scherer ‘Grundtypen’ (Eng.: ‘basic types’) genaamd, binnen het Amerikaanse creationisme ‘created kinds’, door P. Borger ‘baranomen’ en door P. Scheele ‘oertypen’. Ik geef de voorkeur aan hantering van de term die Dooyeweerd al gebruikte in de jaren dertig van de vorige eeuw, dus ‘elementair stamtype’. Zijn leerling J.H. Diemer sprak in diezelfde tijd ook wel over het ‘biotype’. Ook is sprake van het ‘genotype’. In de ‘New Critique’ wordt ‘stamtype’ vertaald met ‘genotype’ of ‘primary type’. Maar deze term wordt ook wel gebruikt om de situatie m.b.t. een enkele genlocus weer te geven: die kan homozygoot dominant, heterozygoot, of homozygoot recessief zijn. De eerste twee genotypen geven dan hetzelfde fenotype ofwel variabiliteitstype ofwel rastype te zien.    

[13] Overigens vormt het bestaan van voor een bepaald basistype unieke genen (de zgn. weesgenen) een sterke aanwijzing voor polyfyletisme.

[14] Er is dus geen enkele biologische (en geen enkele filosofische) reden om te denken dat er geen harde grenzen, dus grenzen die evolutionair niet te overbruggen zijn, tussen groepen organismen bestaan. Er is, biochemisch, moleculair-biologisch en celbiologisch bezien, zelfs alle reden om het tegendeel te beweren: er is alle reden om het bestaan van harde grenzen te veronderstellen. Dat is de onherleidbare complexiteit. Ieders alledaagse ervaring rechtvaardigt deze positie ook. Evenals (kennelijk) het fossielenverslag, als ik af mag gaan op hetgeen vooraanstaande, niet-creationistische paleontologen hierover gezegd hebben.

[15] H. Dooyeweerd: ‘Het substantiebegrip in de moderne natuurphilosophie’, Phil. Ref. 15 (1950 (2)): pp. 163-164

[16] D.F.M. Strauss: ‘A perspective on (neo-)Darwinism’: p. 20; zie ook a.w.: p. 10, zijn ‘Philosophy – Discipline of the Disciplines’: p. 490, en zijn: ‘Taal en historiciteit als bemiddelaars tussen geloven en denken’: voetnoot 1 op pp. 134-135; Phil. Ref. 50 (2) (1985)

[17] D.F.M. Strauss: ‘Philosophy – Discipline of the Disciplines’: p. 496

[18] D.F.M. Strauss: ‘The modal aspects as points of entry to our experience of and reflection on created reality’:

  1. 164; in: ‘Wetenschap, wijsheid, filosoferen’, Assen (1981)

 

 

[19] Zie hiervoor ook: D.F.M. Strauss: ‘Did Darwin develop a theory of evolution in the biological sense of the word?’; South African Journal of philosophy 26 (2): pp. 190-203

[20] J.J. Duyvené de Wit: ‘The impact of Herman Dooyeweerd’s christian philosophy upon present day biological thought’, in de bundel Philosophy and Christianity, Kampen (1965), pp. 405/33, m.n. p. 421

[21] D.F.M. Strauss: a.w.: t.a.p. 

[22] S.J. Gould: ‘The structure of evolutionary theory’: pp. 758-759; The Belknap Press of Harvard University Press, Cambridge, Massachusetts and London, England (2002).

[23] Continuïteit is overigens een retrocipatie naar het ruimtelijke aspect: er is geen verandering mogelijk zonder de haar funderende continuïteit ofwel ruimtelijke uitgebreidheid, die de zinkern van het ruimtelijke aspect is. Er is slechts micro-evolutionaire verandering mogelijk binnen de speelruimte van een bepaalde, deze verandering funderende categorie/soort. Dit subjectieve functioneren van elke entiteit/elk individu in het ruimtelijke aspect houdt in, dat elke entiteit tot een bepaalde categorie/soort behoort (Van Riessen).

[24] Constantie als de retrocipatie binnen de modale structuur van het energetische aspect richting het hem funderende kinematische (= bewegings) aspect (zie hierna).

[25] Discontinuïteit wijst terug naar het arithmetische aspect: geen constantie zonder de haar funderende modaliteit van discrete, dus van elkander afgegrensde, elk voor zich unieke punten (discontinuïteiten). Dit subjectieve functioneren van elke entiteit/ elk individu in het arithmetische aspect houdt in, dat elke entiteit uniek is (Van Riessen).    

[26] Zie hiervoor: P.M. Scheele: ‘Degeneratie’, Amsterdam (1997): pp. 63-101, passim; R. Junker en S. Scherer (red.): ‘Evolutie – Het nieuwe studieboek’; uitg. st. ‘De oude wereld’ (2010): p. 82; Stephen C. Meyer: ‘Darwin’s Doubt’; HarperCollins Publishers, New York (2014): pp. 185-208.

[27] De term is van P.M. Scheele, naar wiens werk ‘Degeneratie’ ik in dit verband verwijs, evenals naar ‘Evolutie’ van H. Junker en S. Scherer.

[28] J. Sanford (2005) noemt dit het verschijnsel van de genetische entropie.

[29] Zie hierover van D.F.M. Strauss o.m.: ‘Taal en historiciteit als bemiddelaars tussen geloven en denken’: p. 139-140; Phil Ref. 50 (2) (1985)

[30] Zie bv. C. Ouwendorp: ‘Het probleem van het universele en het individuele’: p. 49; Phil. Ref. 59 (1) (1994)

[31] Een eenparige beweging is een beweging waarvan de snelheid in grootte en in richting niet verandert, dat wil zeggen, een beweging die geen versnelling of vertraging kent (dus constant is, R.B.). Het begrip eenparigheid komt uit de kinematica of bewegingsleer, een onderdeel van de mechanica. Uit:  http://nl.wikipedia.org/wiki/Eenparige_beweging

 

[32] D.F.M. Strauss: ‘The significance of Dooyeweerd’s philosophy for the modern natural sciences’: pp. 132-133, in: S. Griffioen en B.M. Balk (red.): ‘Christian Philosophy at the Close of the Twentieth Century’ Kampen (1995)

[33] D.F.M. Strauss: ‘Intelligent Design – a Descendant of Vitalism?’: Tydskrif vir Christelike Wetenskap (2015 (3)): pp. 71-72 

[34] D.F.M. Strauss: ‘Taal en historiciteit als bemiddelaars tussen geloven en denken’: p. 136; Phil. Ref. 50 (2) (1985)

[35] Als de andere (en bijna altijd als enige beschouwde, of in elk geval als enige genoemde) manifestatie van variabiliteit aan de wetzijde wordt (terecht) de positivering aan de wetzijde der normatieve aspecten gezien, waardoor aan bepaalde waarden binnen verschillende culturen en in verschillende tijdperken op verschillende wijze in (cultuur-specifieke stelsels van) normen vorm wordt gegeven.