Thuispagina » Artikelen » Cultuurfilosofie » Het cultuur-historische aspect en de Babelcultuur » 6. Het verband tussen ontsluiting, de analogieen en de kosmische tijdsrichtingen

6. Het verband tussen ontsluiting, de analogieën en de kosmische tijdsrichtingen

In zijn ‘Inleiding tot de calvinistische filosofie’[1] bespreekt A. Janse de modale anticipaties en modale retrocipaties aan de hand van wat Vollenhoven daarover zegt in zijn ‘Calvinisme en de Reformatie der Wijsbegeerte’[2]. In deze bespreking is het verband met de kosmische tijdsrichtingen weliswaar aanwezig, gelegd, maar dit had van mij wel ietwat explicieter gemogen. Nu kan ik mij indenken, dat de lezer van Janse’s inleiding van de modaliteiten een statische indruk krijgt. Op deze wijze wordt de W.d.W. nu juist vastgezet op systematiek, wat een dodende uitwerking heeft. Om het (weer) in de woorden van Mekkes te zeggen: ‘Het zou, in eigen woorden dezer wijsbegeerte, verstarring in de funderende of retrociperende tijdsrichting betekenen, terwijl het om ontsluiting gaat’[3].

Niet alleen in de inleiding op de W.d.W. van Janse kom ik dit met zoveel woorden ongenoemd blijven van de twee kosmische tijdsrichtingen bij de bespreking van de analogieën tegen. In meerdere inleidingen worden de modale structuren niet dynamisch, maar statisch weergegeven, als zou het hier geen intrinsieke tijdsstructuren betreffen. Sterk wordt dan de indruk gewekt, dat in een modale structuur ‘gelijktijdig’, ‘op een bepaald moment’, naast de zinkern zowel anticipaties als retrocipaties ‘aanwezig’ zijn. Terwijl, zoals gezegd, over anticipaties respectievelijk retrocipaties enkel gesproken kan worden bij beschouwing in de transcendente respectievelijk de funderende richting van de kosmische tijd.

Zo spreekt Kalsbeek[4] over de logische denkeconomie als een op het economische aspect anticiperend zinmoment in de analytische modaliteit zonder daarbij te vermelden, dat er alleen over deze economische analogie gesproken kan worden, dat zij alleen in het blikveld, in zicht is, in geval van een in de transcendente kosmische tijdsrichting ontsloten analytisch aspect. Ook waar hij doelt op de retrocipaties missen wij het verband met de kosmische tijd:

‘Zo zijn er ook in de modale aspecten zinmomenten op te merken, die analogie vertonen met de zinkernen van voorafgaande aspecten’[5].

Tekenend is het ook, dat Kalsbeek in deze inleiding op de W.d.W. ‘voor alle duidelijkheid’ nergens vermeldt, dat retrocipaties principieel niet ontsloten kunnen worden.

Volgens Verburg[6] zijn

‘in de structuur van elk aspect (…) momenten te vinden – Dooyeweerd noemt deze momenten modale analogieën – die terugwijzen naar eerder in de tijdsorde gelegen aspecten, modale retrocipaties, maar ook momenten die vooruitwijzen naar latere aspecten, modale anticipaties’,

zonder gewag te maken van de kosmische tijdsrichtingen. Hij komt dan ook tot een verkeerd begrip van de universaliteit in eigen kring (u.i.e.k.):

‘Maar de modale aspecten kennen ook een universaliteit in eigen kring, in zoverre, dat elk aspect de overige vooronderstelt (cursivering R.B.)’.

Nee, slechts bij beschouwing in de funderende kosmische tijdsrichting kan ten aanzien van een bepaalde zinzijde gezegd worden, dat haar substraatkringen ten aanzien van haar voorondersteld zijn. Over haar superstraatkringen kan in deze kosmische tijdsrichting niet gesproken worden. Terwijl bij beschouwing in de transcendente kosmische tijdsrichting ten aanzien van een bepaalde modaliteit beweerd kan worden, dat zij ten aanzien van haar superstraatkringen funderend is, voorondersteld is. Dit betekent, dat alleen over de u.i.e.k. gesproken kan worden wanneer worde geabstraheerd van de universele kosmische tijd.

Volgens Van Eikema Hommes[7] blijkt het in de modale structuuranalyse, dat ieder aspect universeel in eigen kring is,

‘omdat het in zijn structurele opbouw de gehele tijdelijke orde en samenhang van alle aspecten binnen de universele tijd weerspiegelt’,

en

‘dat de modale structuur van ieder aspect momenten bevat, die terugwijzen naar de zinkernen van vroeger in de universele tijd gelegen aspecten en vooruitwijzen naar die van later in de universele tijd gelegen aspecten’[8].

Ook hier blijkt dus in de beschrijving de band met de kosmische tijd(srichtingen) niet daadwerkelijk door te werken, en wordt de modale structuur derhalve al gauw statisch opgevat. Dit ondanks het veelbelovende begin van de alinea, dat

‘Het tijdskarakter van de modale structuren der aspecten (verder) blijkt (…) uit de interne architectonische opbouw daarvan’[9].

Van Riessen[10] noemt retrocipaties die analogieëen, die binnen een modaliteit voor haar fungeren onontbeerlijk zijn, in tegenstelling tot de anticipaties. Maar merken wij op, dat niet een zijnswijze fungeert, maar een entiteit of een mens, en dat in alle modi gelijkelijk, op steeds andere wijze, en hetzij als subject, hetzij (al of niet actueel, al of niet mogelijk) als object. Steeds zijn alle modi transcendentaal voorondersteld. Het is niet zo, dat men in een modaliteit, geabstraheerd van de kosmische tijdsrichtingen, ‘op een bepaald moment’, een zinkern plus een aantal anticipaties en retrocipaties aan kan treffen. Binnen een modaliteit kan men naast de zinkern altijd slechts retrocipaties aantreffen wanneer men ‘kijkt’ in de funderende kosmische tijdsrichting. Terecht schrijft Van Riessen zelve dan ook op p. 193, dat de gesloten ofwel restrictieve zijnswijze behalve de zinkern slechts retrocipaties vertoont[11]. Daarom is het een beetje verwarrend om anticipaties op te vatten als die analogieën, die ‘hoewel zij erin zitten’ voor het ‘fungeren van een zijnswijze’ – en Van Riessen zal wel alleen het subjectieve fungeren op het oog hebben – niet onontbeerlijk zijn. Want anticipaties bezitten altijd de kwalificatie van (‘zitten in’) het modale aspect waarheen zij verwijzen. Om een voorbeeld te geven: logisch gevoel is een anticipatie van het sensitieve naar het analytische aspect (ipso facto dus in de transcendente kosmische tijdsrichting geschouwd). Deze logisch gekwalificeerde anticipatie komen wij alleen bij de normale volwassen mens tegen, daar alleen deze subjectief logisch kan fungeren, daar alleen bij deze de sensitieve modaliteit gedurende zijn ontogenetische ontwikkeling verdiept, ontsloten wordt. Er kan dus niet beweerd worden dat deze logisch gekwalificeerde anticipatie ‘niet nodig’ is voor het ‘fungeren van de sensitieve zijnswijze’. Zij is eenvoudigweg niet aan de orde bij schouwen in de retrociperende kosmische tijdsrichting! Het logische aspect kan alleen in objectieve zin een rol spelen. Bij een koe bv. kan de sensitieve zijnswijze ten principale niet ontsloten worden, aangezien bij een koe deze modaliteit de kosmisch-tijdelijk laatste is in welke zij subjectief functioneert. Het is enkel mogelijk dat zij objectief in de logische modaliteit fungeert, bv. als zij deel uitmaakt van een kudde die door de boer wordt geteld. En bij een kind is de situatie dezelfde, maar kan er interne ontsluiting in de transcendente kosmische tijdsrichting plaatsvinden.

Bij Ouweneel ontbreekt de dynamiek evenzeer:

‘Een van de opmerkelijkste ontdekkingen omtrent de modale aspecten is, dat in elk aspect alle andere aspecten weerspiegeld worden. Oftewel: elk aspect omvat (cursivering R.B.) ‘verwijzingen’ naar (of analogieën met) alle andere aspecten’[12];

‘In elk van de modale aspecten van de werkelijkheid wordt heel de kosmische werkelijkheid weerspiegeld, tot uitdrukking gebracht. De modale structuur van een modaliteit omvat (cursivering R.B.) dan ook een ‘zin-kern’ (die bij het logisch aspect omschreven zou kunnen worden als ‘denkend onderscheiden, uiteenstellen, volgens logische normen’) en een aantal ‘analogieën’, die of terugverwijzen naar vroegere modaliteiten (retrocipaties) of vooruitwijzen naar latere modaliteiten (antecipaties)’[13].

Hij noemt in dit verband nog het ten gevolge van dit zijn misverstaan van Dooyeweerd door hem ingevoerde onderscheid tussen oriëntationele en referentiële analogieën, dat door Verkerk (zie hierna) is overgenomen.

Popma[14] en Van Woudenberg[15] tenslotte maken evenmin duidelijk dat zij het verband van de analogieën met de kosmische tijdsrichtingen ingezien hebben. In de contexten van de aangehaalde loci wordt er geen melding gemaakt van de kosmische tijdsrichtingen.

 

 

[1] En wel op de pp. 75-77

[2] P. 33

[3] TB: p. 10

[4] LK: p. 102

[5] T.a.p.

[6] M.E. Verburg: ‘Grenzen van het theoretisch denken’; Baarn (z.j.): p. 23

[7] H.J. van Eikema Hommes: ‘Inleiding tot de wijsbegeerte van Herman Dooyeweerd’; ’s-Gravenhage (1982): p. 40

[8] T.a.p.

[9] T.a.p.

[10] H. van Riessen: ‘Wijsbegeerte’; Kampen (1980): p. 192

[11] Nogmaals: een entiteit of de mens kan in zulk een restictieve modaliteit in potentie altijd objectief fungeren, bezit daar altijd de mogelijkheid toe, en tevens in potentie subjectief wanneer het restrictief zijn niet obligaat maar facultatief is, dus indien er interne ontsluiting van plaats kan vinden.

[12] W.J. Ouweneel: ‘Woord en Wetenschap’; Amsterdam (1987): p. 124

[13] A.w.: p. 128, noot 20

[14] K.J. Popma: ‘Inleiding in de wijsbegeerte’; Kampen (1956): p. 19, pp. 25-26

[15] R. van Woudenberg: ‘Gelovend denken’; Amsterdam (1992): pp. 76-78