Prof. dr. J.J. Duyvené de Wit

Hoofdstuk tien

J.J. DUYVENE DE WIT

10.1 Inleiding

 

Naast Diemer was J.J. Duyvené de Wit (1909-1965) een tweede bioloog die een aanhanger was van de WdW. Na zijn opleiding te Utrecht, die in 1939 beëindigd werd met een proefschrift over een endocrinologisch onderwerp, werd hij hoogleraar in de zoölogie aan de V.U. te Amsterdam, om in 1951 hoogleraar zoölogie aan de universiteit van Oranje Vrijstaat (Zuid-Afrika) te worden.

Aangezien Duyvené de Wit geheel in de lijn ligt van Dooyeweerd en Diemer voor wat betreft zijn visie op het evolutionisme, komen in dit hoofdstuk voornamelijk die punten van critiek op de evolutietheorie aan de orde, waarin De Wit wat explicieter is dan zijn voorgangers.

 

 10.2 De Wits critiek op de evolutietheorie

 

Ook De Wit ziet de evolutietheorie als een filosofische doctrine, hoewel zij zich ook volgens hem presenteert als een bij uitstek wetenschappelijke theorie over de wording en de structuur van de kosmos. Want de theorieën over mutatie en natuurlijke selectie worden gebruikt om aan het speculatieve metafysische principe van de transformatie wetenschappelijke status te geven[1]. En net zoals iedere andere filosofie komt de evolutietheorie voort uit een religieus aprioristisch grondmotief (§ 7.2), dat zich noodzakelijkerwijze onttrekt aan wetenschappelijke verificatie en in geloof moet orden aangenomen[2].

Hoewel het wetenschappelijke feitenmateriaal wijst op een discontinue bouw van de organische wereld, en dit ook door vooraanstaande evolutionisten wordt geleerd, blijven laatstgenoemden vasthouden aan de transformistische idee van een continue bouw[3], zodat zich bij hen een dualistische tegenstelling openbart tussen wetenschap (die op discontinuïteit wijst) enerzijds en geloof (in continuïteit) andererzijds. ‘The result is that scientifically established knowledge pertaining to discontinuity, is not allowed to claim its rights in a view of organic totality as long as the latter is governed by the supra-scientific and speculative faith in continuity[4].

Uit het gegeven, dat het wetenschappelijke feitenmateriaal wijst op een discontinue bouw van de organische wereld (zie hierna) vloeit volgens Duyvené de Wit voort, dat de organismen niet middels transformatie uit voorouders zijn ontstaan, maar spontaan op aarde verschenen. Dit verschijnsel noemt hij ‘spontane generatie’. Dit is een inductief uit de wetenschappelijke data ontstaan begrip zonder verklaringspretentie, een docta ignorantia[5], die de grens van het wetenschappelijk onderzoekbare aangeeft. ‘Here, in fact, we are faced with the limits of possible scientific inquiry which, from the biological standpoint, cannot and should not be transgressed by unverifiable and therefore meaningless speculations (…)’[6]. ‘(…) spontaneous generation (…) comes up from biology itself, acting as a legitimate limiting concept of our scientific horizon of experience[7].

De op de continuïteitsidee gebaseerde afstammingsdoctrine bestaat uit twee delen: de speciale theorie en de algemene theorie[8]. De speciale theorie handelt over het voor experimenteel onderzoek toegankelijke verschijnsel der micro-evolutie[9] en is een onderdeel van de populatiegenetica. De speciale theorie leert, dat onderdelen van een bepaalde populatie geografisch geïsoleerd kunnen raken van de moederpopulatie, zich aan de nieuwe omgeving kunnen aanpassen en dan in de loop der tijd in genetisch opzicht zodanig van de moederpopulatie kunnen gaan verschillen, dat er sprake is van een nieuw ras of zelfs een nieuwe soort[10].

De algemene theorie is vanuit de speciale theorie geconstrueerd en kan niet experimenteel worden geverifieerd[11]. Zo leert ze dat de mensheid ten gevolge van een ononderbroken evolutieproces via een reeks van species is ontstaan uit een oercel. Deze experimenteel onverifieerbare theorie wordt nu met wetenschappelijke autoriteit gepresenteerd: ‘Thus, in this theory, the so-called transformist principle is present, which not only proclaims the mere possibility of a natural transition of an original genotype into another one, but claims that it really occured’[12]. ‘The transformist doctrine thus makes itself guilty of a twofold reversal of truth: first, the generally acknowledged fact that nothing at all is known about the becoming of man (zie hierna, R.B.), is annuled by the supra-scientific confirmation that man has evolved from the animal kingdom; second, scientific status is conferred on this supra-scientific statement’[13].

Waarom wijst het wetenschappelijke feitenmateriaal, met name dat vanuit de palaeontologie en de genetica, volgens Duyvené de Wit op een ten gevolge van een spontaan verschijnen van de eerste vertegenwoordigers van de verschillende plante- en diersoorten discontinue bouw van de organismenwereld, zelfs zo sterk, dat ‘the transformist principle, even in its seemingly innocent disguise of ‘working hypothesis’, can no longer be maintained’[14]?

Voor wat de palaeontologie betreft komt dit door het ontbreken van vele essentiële overgangsvormen tussen de verschillende taxonomische eenheden. Hierover bestaat volledige consensus tussen transformistische wetenschappers zoals Simpson, Mayr en Dobzhansky enerzijds en De Wit andererzijds. Dit geldt zowel voor het dierenrijk als voor het plantenrijk als voor de mens. De Wit citeert dan ook de transformisten. Mayr[15]: ‘There is not merely one ‘missing link’, but a whole series of grades of ‘missing links’ in hominid history’. Dobzhansky[16]: ‘The evidence required to decide where and when the tranformation of Australopithecus to Homo took place is lacking’. Nooit is er een ook maar bij benadering continue sequentie tussen verschillende ordes gevonden, de kloven tussen de verschillende taxonomische eenheden zijn van systematische aard. ‘None of the large breaks has actually been filled by real, continuous sequences of fossils. The reality of the existence of these breaks cannot be doubted. This regular absence of transitional forms is not confined to mammals alone, but it is an almost universal phenomenon, as has long been noted by palaeontologists. It is true of almost all orders of all classes of animals, both vertebrate and invertebrate. A fortiori, it is also true of the classes themselves, and of the major animal phyla, and it is apparently also true of analoguous categories of plants’[17]. Hoewel de kloven tussen sommige structuurtypes door ontdekkingen, bv. van Archaeopteryx en Archaeornis, kleiner zijn geworden, worden ze er niet door gevuld[18].

Zoals al vermeld is (zie eerder in deze paragraaf) houden de evolutionistische biologen en palaeontologen ondanks dit getuigenis der fossielen dogmatisch vast aan hun transformistische ideologie. Dit ziet De Wit als een geloofsdaad. Echter, ‘this clearly amounts to an illegitimate depreciation of generally accepted scientific evidence in favour of a speculative postulate accepted on faith!’[19]. De zuiver speculatieve macro-evolutionaire doctrine overvleugelt het palaeontologisch bewijsmateriaal, dat op een discontinue bouw van de organismenwereld wijst. Hier ziet De Wit de werking van de humanistische geloofsleer geopenbaard: ‘Here we clearly recognize the effect of the science-ideal of classical Humanism in its attempt to demolish the real order of creation and to substitute it by a structureless view of reality in which all phenomena are ordered in a continuous causal series’[20].

In een poging om toch enige wetenschappelijke status aan het transformisme te geven is in evolutionistische kring de hypothese opgeworpen, dat de overgangsvormen weliswaar bestaan hebben, maar dat ze zo gering in aantal waren en zo snel evolueerden, dat fossilisatie niet heeft kunnen plaatsvinden. Dit heeft De Wit gebracht tot en behandeling van de kwestie of er vanuit de genetica bewijzen worden geleverd die wijzen op het mogelijk zijn van een transitie van het ene structuurtype in het andere.

Volgens de algemene evolutietheorie is een constructief evolutieproces van een oercel tot de mens het resultaat van de volgende processen[21]: 1) een geleidelijk toenemen en complexer worden van nucleair genetisch materiaal (DNA) in opeenvolgende levensvormen; 2) mutaties; 3) natuurlijke selectie (die leidt tot een overleven van de aan een bepaald milieu genetisch best aangepaste individuen); 4) (geografische) isolatie, waardoor stabilisatie van nieuw gevormde rassen en soorten (soorten in de zin van biospecies).

Ad 1) Duyvené de Wit betoogt dat er geen bewijzen zijn voor en geleidelijke toename van genetisch materiaal naarmate organismen complexer worden. Zo is het genoom van protozoa (eencelligen) net zo complex als dat van metazoa (meercelligen). Nieuwe genen ontstaan niet door toename van de hoeveelheid DNA, zoiets is alleen mogelijk door radicale modificatie van bestaande genen[22].

Ad 2) Ook mutaties kunnen niet verantwoordelijk zijn voor een constructief evolutieproces, zo leert De Wit. Want mutaties zijn bijna altijd schadelijk voor het organisme, verminderen bijna altijd de vitaliteit en/of fertiliteit. Haldane heeft laten zien dat de afname van de vitaliteit van een populatie ruwweg even groot is als de som van alle mutatiefrequenties in die populatie[23]. Zodoende zal natuurlijke selectie de individuen met de laagste mutatiefrequenties bevoordelen. Mutaties zijn niet verantwoordelijk voor soortsvorming, ze vergroten slechts de heterozygotie van een populatie (van een bepaald gen ontstaan er meerdere allelen). ‘As a result of mutation we may get alteration with respect to certain existing characters, but after a number of generations a ceiling is attained beyond which no further change occurs (…) In other words, transformation of a given basic genotype into another one as a result of a series of one-directional mutations cannot be produced experimentally’[24]. ‘It is thus recognized that the mutation theory fails to explain the origination of new species and a fortiori that of the higher categories which account for the diversity of the organic World in the past and present’[25]. Om zijn verhaal kracht bij te zetten citeert De Wit nog eenkele  op wetenschappelijk bewijsmateriaal gestoelde uitspraken van transformisten[26].

Volgens Duyvené de Wit zijn niet mutaties, maar recombinaties in reeds aanwezig genetisch materiaal verantwoordelijk voor de genotypische variatie waarop natuurlijke selectie werkzaam is[27]. ‘Recombination produces far more selectively important phenotypes than does mutation. Through recombination alone a population can generate ample phenotypic variability for many generations without any genetic input whatsoever’[28]. Maar ook recombinatie kan niet verantwoordelijk zijn voor macro-evolutie. ‘The real problem of speciation is not how to produce difference but rather how to escape from the cohesion of the gene complex which is responsible for the coadapted harmony of the gene pool’[29].

Ad 3) Het mechanisme der natuurlijke selectie is verantwoordelijk voor de aanpassing van populatiën aan nieuwe ecologische omstandigheden. Dit proces kan zich herhalen wanneer het m ilieu opnieuw verandert. Maar ten gevolge van dit proces vermindert wel de heterozygotie van een populatie. En men kan zich indenken, dat wanneer een deel van een populatie geografisch geïsoleerd raakt van de moederpopulatie dit gepaard gaat met een verarming van het genenbestand. Immers, hoe minder individuen, hoe minder genetische variatie (niet alle allelen die in de moederpopulatie aanwezig zijn, zijn eveneens vertegenwoordigd in de dochterpopulatie). Dan moge een populatie weliswaar zeer sterk aan het nieuwe milieu aangepast zijn, maar een nieuwe ingrijpende verandering in de ecologische situatie leidt dan maar al te eenvoudig tot uitsterving. Dobzhansky: ‘It is the decrease of the plasticity of the genotype of the bygone generations which gradually minimizes adaptability to changing environments to such an extent that the species is no longer fit for survival’[30]. Rensch: ‘Natural selection normlly cuses increasing adaptation, which may nevertheless lead finally to the extinction of a line of descent’[31].

Men schat dat maar liefst 99% van alle dier- en plantesoorten die ooit de aarde bewoond hebben reeds is uitgestorven[32]. Volgens Mayr[33] is uitsterven één van de opvallendste evolutionaire verschijnselen. Duyvené de Wit ziet hier de werking van een met de tweede wet van de thermodynamica (van de toename van de wanorde/entropie) uit de natuurkunde vergelijkbare wet, wat totaal in tegenspraak is met de idee van een vooruitgang en verbetering brengend evolutieproces.

Om de zaak te redden heeft een aantal evolutiebiologen verklaard dat het uitsterven van organismen niets met verarming van de gene-pools van populatiën als gevolg van natuurlijke selectie te maken heeft. Daartoe vatten ze soorten op als levende organismen, die een fase van opkomst, een fase van bloei en een fase van verval waarna uitsterving zouden doormaken. Net zoals een individueel organisme niet doodgaat als gevolg van verlies van genetisch materiaal maar als gevolg van ouderdom, sterven soorten niet uit van een door een verminderde recombinatiepotentie veroorzaakte afname van het aanpassingsvermogen, maar van ‘ouderdom’. Maar: ‘We know, however, that a phyletic unit is not a ‘living being’ or a superorganism, but an assemblage of individual organisms which are genetically connected by the function of propagation. It is exactly the genetical aspect of the phylum which is affected by natural selection and, as a result of the depletional effect of the latter, contrives its extinction’[34].

Ten aanzien van het mechanisme der natuurlijke selectie kan een belangrijke conclusie worden getrokken. Als alle hedendaagse soorten genetisch verarmd zijn[35], dan moeten de polytypische populatiën van hun voorouders veel rijkere gene-pools bezit hebben. Maar zulke voorouders kunnen onmogelijk afstammen van organismen met nóg rijkere gene-pools die weer geëvolueerd zouden zijn uit primitieve eencelligen of uit in de oersoep drijvende conglomeraten van eenvoudige organische moleculen[36]. De mens zou dan afstammen van dierlijke voorouders met een veel groter genpotentieel, terwijl de mens volgens de evolutieleer juist het eindproduct is van een verondersteld proces van constructieve soortsvorming! ‘Here, the impressive absurdity becomes clear in which the transformist doctrine entangles itself when, in flat contradiction to the factual scientific evidence, it dogmatically asserts that man has evolved from the animal kingdom![37]. Hier openbaart zich het reeds eerder in deze paragraaf genoemde dualisme bij bij evolutiebiologen tussen geloof in de evolutietheorie enerzijds en de wetenschappelijke feiten andererzijds.

Het alternatief, zonder in onwetenschappelijke speculatiën te vervallen, is, dat betrekkelijk kleine populatiën van met enorme recombintiepotentiën begiftigde dier- en plantesoorten op verschillende plaatsen en tijden op arde moeten zijn verschenen[38]. Zo komt De Wit inductief tot invoering van de term ‘spontane generatie’ (zie eerder in deze paragraaf). Maar over deze vroege voorouders van de huidige plante- en diersoorten kan de palaeontologie ons volgens Duyvené de Wit niets leren. Want aangezien fossilisatie een zelden voorkomend verschijnsel is, zijn er hoogst waarschijnlijk alleen fossielen van een bepaalde soort ontstaan toen er reeds een betrekkelijk groot aantal individuen was ontstaan. Dit alles geldt ook voor de polytypische species Homo: ‘In the retrospective direction of geological time, the human population has, however, decreased numerically to a level beyond which fossilization did not occur. Underneath this level we are confronted with a probably vast period in which human life was certainly present but in which no tracé is left as to man’s bodily features. This means that, viewed from the scientific angle, the object of investigation entirely recedes from the field of observation proper. Consequently, biological science will never be able to detect the physical changes to which earliest mankind was subject during its ‘pre-fossil’ history, whose ‘extensions’ only demonstrate themselves in its ‘post-fossil’ period’[39]. ‘The oldest human fossil remains which have been found so far originated from populations which had already become distributed over large parts of the Aziatic and African continents’[40]. Zo maakt De Wit de gevolgtrekking dat de vraag naar de oorsprong van de mens ontoegankelijk is voor de wetenschappelijke methode en dat men, uit wetenschappelijk oogpunt, uitkomt bij de docta ignorantia[41].

 

 10.3 Het corticotype

 

Als slot van dit hoofdstuk zou ik aandacht willen besteden aan een critiekpunt van Duyvené de Wit  op de evolutieleer dat ik niet bij Diemer en Dooyeweerd ben tegengekomen, wat overigens niet vreemd is, daar de biologische vakwetenschap ten tijde van Diemer nog niet zo ver gevorder was en angezien de jurist/wijsgeer Dooyeweerd wellicht niet met de materie bekend was.

Als een belangrijke tekortkoming van de afstammingsleer ziet De Wit haar volledig uitgaan van de genetica, waarbij alle organismen, van de eenvoudigste eencelligen tot de mens, middels hun genen alzijdig met elkander samen zouden hangen. Duyvené de Wit echter is van mening, dat de hoofdkenmerken van alle organismen in het geheel niet worden gedetermineerd door de nucleaire chromosomale genen, hoewel deze inderdaad wel van groot belang zijn bij de ontogenese, maar door de in de iedere eicel omgevende cortex gesitueerde, zgn. ‘morphogenetische veldstructuur’[42]. De embryogenese is dus primair niet genetisch maar corticaal bepaald! De Wit citeert Raven[43]: ‘The group-specific fundamentals of the body plan, which make the developing animal e.g. to an anuran or a bony fish, are determined by factors residing in the cortex and the cytoplasm of the fertilized egg. Only after completion of the first phases of development, up to the beginning of gastrulation, do the nuclear genes begin to unfold their activity in order to establish the intraspecific characters of the developing organism. They do so by interaction with the surrounding cytoplasm, which had already previously become different in different cells by the preceeding chemodifferentiation’[44]. Volgens De Wit is de hoeveelheid genotypische informatie (die benodigd is voor de ontwikkeling van het organisme tot en volwassen individu) die in de eicelcortex aanwezig is 100 tot 1000 keer zo groot als die in het genoom[45].

Bovengenoemde conceptie van het corticotype werpt ook een nieuw licht op het proces der bevruchting. Bevruchting vindt immers, in het licht van bovenstaande, niet pas plaats bij versmelting van de mannelijke en vrouwelijke prae-nucleï der gameten, maar al bij het samengaan der beide corticale componenten[46].

 

10.4 Besluit

 

J.J. Duyvené de Wit kan beschouwd wordeen als een typische vertegenwoordiger van de school van Dooyeweerd. Hij ging bij de interpretatie van wetenschappelijk feitenmateriaal consequent uit van het christelijke geloof en van de calvinistische wijsbegeerte en schuwde daarbij de confrontatie met vooraanstaande transformisten niet. Dat hij zich als bioloog duidelijk oriënteerde aan de WdW blijkt bv. duidelijk uit zijn inaugurele rede bij de aanvaarding van de leerstoel physiologie aan de V.U. in 1950[47], waarin hij op p. 14 uitspreekt, dat de WdW rijke beloften inhoudt ten aanzien van het trachten te komen tot een integratieve biologische wetenschapsbeschouwing. Net zoals Diemer en Dooyeweerd acht Duyvené de Wit dit slechts mogelijk wanneer ingezien worde, ‘dat de structurele wetmatigheid van het levende organisme uitsluitend in correlatie met het functionele gebeuren binnen het biotische aspect kan worden gevat’[48].

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



[1] J.J. Duyvené de Wit: ‘The impact of Hermaan Dooyeweerd’s Christian philosophy upon present day biological thought’; uit: ‘Philosophy and Christianity’; Kampen (1965): pp. 405-433: p. 405 (impact); zie ook § 6.4

[2] J.J. Duyvené de Wit: ‘Reflections on the architecture of the organic World and the origin of man’; in: ‘A new Critique of the transformist Principle in evolutionary Biology’; Kampen (z.j.): pp. 42-62: p. 42 (Reflections)

[3] A.w., p. 43

[4] T.a.p.

[5] A.w., p. 60; zie ook §§ 9.3 en 9.5

[6] T.a.p.

[7] A.w., p. 46

[8] A.w., p. 47

[9] Cf. de §§ 6.4, 7.9, 8.7 en 9.4

[10] T.a.p.; Voor Duyvené de Wit houdt deze soortsvorming niet een transformatie van het ene stamtype in het andere in. De structuurtypen hebben immers, zoals hij in impact, p. 416, betoogt, transcendentaal wetskarakter, zijn voorondersteld en als zodanig niet causaal genetisch te verklaren. Voor Duyvené de Wit is er sprake van een ras, wanneer er nog wel enige ‘gene-flow’ is tussen het nieuw gevormde ras en de moederpopulatie, en is er sprake van een soort, wanneer de dochterpopulatie genetisch volledig is geïsoleerd van haar moederpopulatie (Reflections, p. 53). De Wit hanteert dus voor de bepaling van een soort de definitie van de biospecies, die gebaseerd is op onderlinge kruisbaarheid. Wanneer het criterium de uiterlijke verschijningsvorm (het phaenotype) is om van hieruit het genotype te bepalen, dan gaat men voor zijn soortsbegrip uit van het concept van de morphospecies.  

[11] Reflections, p. 47

[12] T.a.p.

[13] A.w., p. 48

[14] A.w., p. 47

[15] E. Mayr: ‘Animal species and evolution’; The Bellknap Press of Harvard University Press (1963): p. 637 (species)

[16] T. Dobzhaansky: ‘Mankind evolving’; Yale University Press (1962): p. 187

[17] Impact, p. 421

[18] T.a.p.

[19] Reflections, p. 48

[20] Impact, p. 421

[21] A.w., p. 422, Reflections, p. 51 en J.J. Duyvené de Wit: ‘Pierre Teilhard de Chardin – the founder of a new pseudo-christian evolutionary mysticism’; in: ‘A new Critique of the transformist Principle in evolutionary Biology’; Kampen (z.j.): pp. 6-41: pp. 26-27 (Teilhard)

[22] Impact, p. 422, Teilhard, p. 27, Reflections, p. 52

[23] Impact, p. 422

[24] Reflections, p. 53

[25] Impact, p. 423

[26] Reflections, p. 53

[27] A.w., p. 54; impact, p. 423

[28] T.a.p.

[29] T.a.p.

[30] T. Dobzhansky: ‘Genetics and the origin of species’; Columbia University Press (1953): p. 73

[31] B. Rensch: ‘Evolution above the species level’; Methuen & Co., Ltd. (1959): p. 297

[32] Impact, p. 424; Reflections, pp. 55-56

[33] Species, p. 620

[34] Reflections, p. 56

[35] En dat moeten ze zijn, wil men het mechanisme van de natuurlijke selectie kunnen handhaven; als ze dat nl. niet zijn, speelt het mechanisme van de natuurlijke selectie een rol van weinig of geen betekenis en daarmede ook het micro-evolutieproces.

[36] Impact, p. 424, Reflections, p. 57

[37] T.a.p.

[38] T.a.p.

[39] A.w., p. 60

[40] T.a.p.

[41] T.a.p.

[42] Impact, p. 426

[43] Ch. P. Raven: ‘Oogenesis: the Storage of Developmental Information’; Pergamon Press; Oxford (1961)

[44] Impact, p. 426

[45] T.a.p.

[46] A.w., p. 427

[47] J.J. Duyvené de Wit: ‘Gezichtspunten voor een integratieve biologische wetenschapsbeschouwing’; A’dam (1950)

[48] A.w., p. 14