Thuispagina » Artikelen » Wijsbegeerte van de biologie » Het evolutionisme reformatorisch-wijsgerig beschouwd » 7. Korte uiteenzetting van enige kernpunten van de wijsbegeerte der wetsidee

Korte uiteenzetting van enige kernpunten van de wijsbegeerte der wetsidee

Hoofdstuk zeven

KORTE UITEENZETTING VAN DE WIJSBEGEERTE DER WETSIDEE

7.1 Inleiding

 

Zoals al in het vorige hoofdstuk is vermeld, heeft Kuyper, hoewel zelf niet tot een uitgebouwd christelijk filosofisch stelsel gekomen, belangrijke aanzetten gegeven tot het ontstaan van de wijsbegeerte der wetsidee (afgekort: WdW) van prof. dr. H. Dooyeweerd. In dit hoofdstuk geef ik een onvolledige uiteenzetting van deze filosofie, waarbij ik gebruik heb gemaakt van het inleidende werk van L. Kalsbeek[1], en van de in het vorige hoofdstuk reeds genoemde scriptie van drs. A. Zijlstra. Ook geef ik aan in welke onderdelen van dit stelsel Kuypers sporen direct aan den dag treden.

Het hoofdstuk door komt het evolutionisme in het licht van de WdW aan de orde. In volgende hoofdstukken hoop ik na te kunnen gaan in hoeverre de denkbeelden van biologen van deze school, zoals J.H. Diemer en J.J. Duyvené de Wit, in te kaderen zijn in de WdW, en eveneens de visie van Dooyeweerd zelf op het evolutievraagstuk te evalueren.

 

7.2 Uit het hart zijn de uitgangen des levens

 

In de optiek der reformatorische wijsbegeerte, zoals de WdW ook wel wordt genoemd[2], is geen enkele wijsgerige activiteit een neutrale aangelegenheid. Immers, iedere wijsgerige bezigheid is iets concreets, dat in alle modale aspecten der tijdelijke werkelijkheid[3] fungeert, dus ook in het geloofsaspect. Daarnaast zijn er natuurlijk in de structuur van de kosmisch-tijdelijk vroegere modaliteiten, wanneer zij ontsloten zijn, de op de zinkern van het pistische aspect anticiperende zinmomenten. Filosoferen is immers een menselijke handeling, en de gehele persoon van de denker is betrokken bij diens wetenschappelijke arbeid. En hiermee vervalt de mogelijkheid dat het wijsgerig denken neutraal zou kunnen zijn. Om dit verder te verduidelijken het volgende.

Iemand, die in een hypnotische slaap is gebracht, krijgt de opdracht om na het ontwaken de ramen open te zetten. Korte tijd nadat hij weer bij zijn positieven is staat de man plotseling op en doet de ramen open. Wanneer hem nu wordt gevraagd: waarom doe je dat? – dan geeft hij een heel plausibel antwoord, bv.: ‘Het is hier zo benauwd’. Dat, wat de proefpersoon innerlijk dreef tot zijn daad, het motief, is hem onbewust bij gebleven. Dat, waarmee hij zijn daad aannemelijk tracht te maken, is slechts het argument.     

Dit verschijnsel doet zich vaak voor. Zo maakt men bij een collecte voor een goed doel kennis met een keur van argumenten, zoals ‘ik gireer wel’, waarmede het eigenlijke motief, de geldgierigheid, vaak wordt verhuld. Zelden zal het voorkomen, dat iemand, die dit bij zichzelve bespeurt, het openlijk toegeeft.

Bij allerlei discussies, waarbij vele argumenten tegenover elkander worden gesteld, is het van het grootste belang om goed te onderscheiden tussen de diepere drijfveren, de motieven, die soms onbewust de discussie beheersen, en de argumenten, die over en weer worden ‘gehanteerd’. Dan kan het gebeuren, dat, wanneer iemand een argument uit handen wordt geslagen, hij meteen zoekt naar een nieuw argument, want de drijvende kracht van zijn motieven is hierdoor niet verminderd.

Daarom is het uitgesloten, dat motieven, bewust of onbewust, bij het filosoferen wèl buiten spel blijven.

De WdW beweert nu van de humanistische filosofieën dat deze, die bij eerste kennismaking zo geweldig critisch lijken, juist niet critisch genoeg zijn, doordat zij hun eigen grondmotieven niet of niet voldoende hebben opgespoord. Zo schrijft wijlen J.P.A. Mekkes, een vertegenwoordiger van de WdW: ‘Het is de verhulling der grondmotieven, niet hun inhoud, welke een christelijke wijsbegeerte haar humanistische gesprekspartners moet verwijten’[4]. Op welke wijze een wijsgeer een filosofisch stelsel ook bouwt, voordat hij met bouwen begint, heeft er zich in zijn innerlijk reeds veel afgespeeld, wat op het bouwen een beslissende invloed uitoefent, zijn er in zijn hart existentiële beslissingen, dus beslissingen, waarbij hij met heel zijn wezen was betrokken, gevallen. En welke filosoof ook gemeend moge hebben met een schone lei te kunnen beginnen, het is vroom zelfbedrog. Uit het hart en niet uit het hoofd zijn de uitgangen des levens. En dit hart blijft ook bij niet-christenen bepalend voor het wijsgerig denken. Wijsbegeerte als puur rationeel denken, onafhankelijk van iets anders, kan niet bestaan, is niet zelfgenoegzaam, maar het wijsgerig denken is van de religieuze beslissing afhankelijk. Onze ‘ikheid’, onze ‘zelfheid’, ons ‘hart’, uit zich in handelen, spreken, denken, voelen, geloven, zonder daarmede samen te vallen, en is ook de wortel waaruit ons wijsgerig denken opbloeit, gevoed wordt en richting ontvangt. Onze zelfheid bevindt zich buiten de grenzen van het wijsgerig denken, transcendeert dit denken. De geestelijke gesteldheid van deze ‘zelfheid’, van dit ‘hart’, van waaruit de uitgangen des levens zijn, bepaalt principieel de aard van de wijsbegeerte. Deze laatste is daarvan afhankelijk, dus onzelfgenoegzaam. Onze zelfheid is religieus van aard, gaat ons begrip te boven. Immers, omdat zij ons denken transcendeert, kunnen wij dit centrum van ons bestaan met ons denken niet omvatten. Op het immanentiestandpunt worden de grenzen van het wijsgerig denken niet overschreden, tenminste, dat menen de immanentiefilosofieën, maar volgens de WdW rust elke wijsbegeerte op transcendente gronden.

Zo is hier dan een onoverbrugbare tegenstelling, dé absolute, niet theoretische, maar religieuze antithese, niet door mensen gesteld, maar geconstateerd, tussen twee opvattingen van wijsgerig denken, waartussen geen synthese mogelijk is. Hier heeft Kuyper belangrijk voorbereidend werk verricht, door te stellen, dat ‘alle stralen van ons leven als in één brandpunt samenvallen’[5], en dat brandpunt is dan ons hart, waaruit de uitgangen des levens zijn (Spr. 4:23). Geloven en denken – dus ook filosoferen – zijn voor Kuyper intrinsiek met elkander verbonden in het hart van de mens. Het is één en dezelfde mens die gelooft èn denkt[6].

In het voorwoord van het eerste deel van zijn hoofdwerk ‘De Wijsbegeerte der Wetsidee’[7] vertelt Dooyeweerd welk een ommekeer deze opmerkingen van Kuyper over de verhouding van geloven en denken in zijn denken heeft veroorzaakt: ‘Aanvankelijk sterk onder de invloed van de Neo-Kantiaanse wijsbegeerte, later van Husserls phaenomenologie, betekende het grote keerpunt in mijn denken de ontdekking van de religieuze wortel van het denken zelve, waardoor mij een nieuw licht opging over de doorlopende mislukking van alle, aanvankelijk ook door mijzelf ondernomen, pogingen een innerlijke verbinding tot stand te brengen tussen het Christelijk geloof en een wijsbegeerte, die geworteld is in het geloof in de zelfgenoegzaamheid der menselijke rede. Ik ging verstaan, welke centrale betekenis toekomt aan het ‘hart’ dat door de Heilige Schrift telkens weer als de religieuze wortel van heel het menselijk bestaan wordt in het licht gesteld’.

 

7.3 Het Archimedisch punt

 

Wanneer oudtijds een boer zijn schouw door een sloot voort boomde, zette hij zich met zijn vaarstok af tegen de vaste wal. Wanneer hij, staande in zijn schouw, zou trachten vooruit te komen door zich met de stok op de bodem van zijn schuit af te zetten, zou niemand hem voor heel snugger aanzien. Het gelukte Von Münchhausen wel, zichzelf bij zijn pruik op te trekken, maar daar was het dan ook een verhaaltje voor.

Net zoals de boer, heeft ook het wijsgerig denken zo’n vast punt, nodig waarvan het kan uitgaan, waarin het zijn laatste steunpunt vindt, het zgn. Archimedisch punt. Bevindt dit steunpunt zich nu binnen het wijsgerig denken (immanent) of daarbuiten (transcendent)? Met de boer en Von Münchhausen voor ogen lijkt dit een vraag waarover geen verschil van mening mogelijk is. Het Archimedisch punt van de wijsbegeerte moet klaarblijkelijk buiten dit terrein zelve orden gezocht en volgens de WdW in de religie.

Het moge wat wonderlijk lijken, maar de immanentiefilosofen geven dit nooit gewonnen. Zij willen, filosoferende, binnen de wijsgerige grenzen blijven en binnen deze grenzen hun laatste steun vinden. Met bewonderenswaardige denkkracht experimenteren zij met het huzarenstukje van Von Münchhausen.

Een voorbeeld is Descartes. Ook volgens hem moet de vaste grond voor ons waarheidzoekend denken onbetwijfelbaar zijn. Hij vond zijn Archimedisch punt in het feit van het denken zelf. Het wijsgerig denken vindt de laatste grond in zichzelve, het Archimedisch punt is immanent. Het rationele denken, startende vanuit dit Archimedisch punt, gaat nu alle voorstellingen  en overtuigingen die het in het bewustzijn aantreft, inclusief de Godsidee, aftasten en onderzoeken, of deze voor de rechterstoel van de ratio kunnen standhouden. Ook Kant trachtte het in de kosmische wetsorde (zie hierna) ingebedde, theoretisch wijsgerige denken van deze wetsorde los te maken, om het vervolgens schijnbaar autonoom te doen optreden.

Wat Descartes en Kant bij het stellen van de ratio als Archimedisch punt is ontgaan is dit, dat hun ikheid, hun zelfheid, die de autonomie van de rede stelde, niet met dat denken samenvalt, er niet in opgaat. Die mysterieuze zelfheid staat transcendent achter dit denken en bestuurt het. Wat hen is ontgaan is, dat hun ik, hun zelfheid, hun ‘hart’, aan deze methode van filosoferen onvoorwaardelijk vertrouwen, geloof heeft geschonken, een religieuze daad dus.

Het tegenovergestelde wordt betoogd door o.a. de grondvester en aanhangers van de WdW. Dooyeweerd stelt: ‘Het Archimedisch punt der wijsbegeerte is hier gekozen in de in Christus herboren wortel van het mensengeslacht, waaraan wij deel hebben in de religieuze, de tijd transcenderende wortel onzer individuele persoonlijkheid, in onze herboren zelfheid[8].

Vanuit het door de WdW aangewezen Archimedisch punt bezien wij de kosmos met andere ogen dan de humanist. Het is dan niet meer mogelijk om de kosmos te zien als rustend in zichzelve, als zelfgenoegzaam. Het zijn van de kosmos is een afhankelijk, een creatuurlijk zijn (zie ook § 7.6). De kosmos wijst boven zichzelve uit nar de Archè (Oorsprong), naar God, uit Wie en door Wie en tot Wie alle dingen zijn. Dit onzelfstandige, boven zichzelve uitwijzende karakter van het creatuurlijk zijnde is door Dooyeweerd betiteld met de naam ‘zin’.

 

7.4 Het grondmotief der WdW

 

Zo wordt elk wijsgerig denken bewust of onbewust gedreven door religieuze grondmotieven, die onverbrekelijk samenhangen met het Archimedisch punt van dit denken. Het grondmotief dat, naar WdW-opvatting, een christelijke filosofie behoort te beheersen wordt door Dooyeweerd geformuleerd als dat van schepping, zondeval en verlossing (j.H. Diemer (zie het volgende hoofdstuk) spreekt van ‘herschepping’) door Jezus Christus in de gemeenschap van de Heilige Geest. Wat houdt dit grondmotief in?

God had bij de schepping niets tegenover Zich dat een eigen oorspronkelijk bestaan had. God heeft Zich als Schepper geopenbaard als enige en absolute Oorsprong (Archè) aller dingen. God schiep de mens naar Zijn beeld, dus niet als iets, maar als een iemand en wel een iemand die, in niet van God afgevallen staat, in zijn diepste wezen, zijn ‘hart’, de religieuze ‘wortel’ of het ‘centrum’ van zijn bestaan, innig met God en met zijn medemens verbonden is door de band der liefdedienst. Dit openbaart zich in alle aspecten van zijn levensuitingen.

Deze mens is geroepen de natuur te ‘onderwerpen’, dat wil zeggen, alle krachten en mogelijkheden die in de schepping liggen en op ‘ontsluiting’ wachten, door zijn cultuurarbeid tot ontplooiing en differentiëring te brengen, tot eer van God en tot heil van de naaste.

De zondeval, het tweede facet van bovengenoemd grondmotief, heeft, vanwege de betrokkenheid van heel de tijdelijke werkelijkheid op de mens (zie hierna), grote gevolgen gehad. Het wezen der zonde is het ongehoorzaam afgewend zijn van God, het menen van de mens het zonder God te kunnen stellen. Zijn ‘hart’, dat op de eeuwige God was gericht, richt zich nu op iemand of iets in deze tijdelijke werkelijkheid, een afgod, in welke antieke of moderne gedaante ook. Hierdoor wordt niet alleen onze verhouding tot God radicaal bedorven, maar ook de inter-menselijke verhoudingen lijden eronder.

Het feit van de zonde blijkt dagelijks een ontstellende realiteit te zijn. De zonde heeft het beginsel der cultuureconomie (zie § 7.7) geschonden, waardoor het ontsluitingsproces zich niet meer volgens de wetten en normen van de kosmische wereldorde, die geen antinomieën kent, op een volkomen harmonieuze wijze kan voltrekken, waardoor de ene cultuurkring zich ten koste van de andere overdadig ontwikkelt. Echter, de structuur van het geschapene, de scheppingsordeningen zelve, zijn door de zonde niet aangetast. Om met Dooyeweerd te spreken: ‘Nóch de structuren van de onderscheiden aspecten der werkelijkheid, nóch de structuren, die de aard der concrete schepselen bepalen, nóch de Goddelijke beginselen als richtsnoer voor het menselijk handelen zijn door de zondeval veranderd’[9]. Dat il dus zeggen, dat een steen valt zoals hij viel vóór de zondeval en dat Gods liefdegebod onveranderd is blijven gelden. Waar de zonde heerst is dat steeds door de mens, die alles wat God ten goede heeft gegeven ten kwade gebruikt. Ook de logische wetten voor het denken heeft de zonde niet verstoord, maar het denken van de van God afgevallen wijsgeer wordt gedreven door foutieve grondmotieven. En door de zonde heeft de mens zijn geloofsfunctie niet verloren, mar deze is nu niet meer gericht op de eeuwige God, maar op iets tijdelijks.

Het tegenovergestelde van de werking der zonde vindt nu plaats door de verlossing door Jezus Christus in de gemeenschap van de Heilige Geest (het derde facet van het christelijk grondmotief). Aan deze verlossing krijgt de mens deel door wedergeboorte en bekering, waardoor de gemeenschap met God wordt hersteld.

Nu volgt de dagelijkse strijd om alle levensuitingen weer te laten richten door de liefde tot God en de naaste. Een strijd onder vallen en opstaan, want pas bij de voleinding zal het worden: God alles en in allen. Tot die tijd blijft de zonde haar greep houden ook op het wedergeboren hart, waardoor de mens slechts kan leven uit de vergeving der zonden.

De zonde zou nog ernstiger gevolgen hebben gehad zo God niet in Zijn gemene gratie, geworteld in Jezus Christus, dit proces had gestuit, door Zijn zon te doen opgaan over bozen en goeden en zowel aan gelovigen als aan ongelovigen gaven en talenten te schenken. Dooyeweerd beweegt zich hier in de lijn van Kuyper, die in ‘Het Calvinisme’ betoogt: ‘De zonde, zoo spreekt het Calvinisme in overeenstemming met de Schrift, de zonde ongebreideld en ongetemperd aan zich zelve overgelaten, zou onverwijld een algeheele verwildering van het menschelijk leven tot uitkomst hebben gehad’. ‘Maar God heeft dit, omdat het tot algeheele vernietiging van zijn Goddelijke kunstwerk zou leiden, niet geduld’. ‘Waar het kwaad niet uitkomt, of niet uitkomt in die schriklijkheid, danken we dit niet daaraan dat onze natuur niet zoo diep bedorven is, maar aan God alleen die door zijne gemeene genade het uitslaan van de vlam uit het smeulend vuur belet’[10].

 

7.5 De wetsidee

 

Ieder stelsel van wijsbegeerte gaat uit van de zekerheid van een zekere wetsorde, van enig idee omtrent de wet, van een wetsidee, die niet kan worden bewezen, maar waarin wordt geloofd. Zo geldt er een wetsorde voor het waarheidzoekend denken. Ieder, die hiermede bezig is, erkent, bewust of onbewust, de gelding van deze ordening voor het denken. Bewijzen kan hij deze niet, want het ‘bewijs’ gaat reeds van deze gelding uit. Zo gaat ook iedere wijsgeer uit van een bepaalde idee omtrent de ordeningen, die de wetszijde van de tijdelijke werkelijkheid vormen. Dooyeweerd geeft zich uitvoerig rekenschap van de wetsidee van zijn eigen stelsel, weshalve hij zijn stelsel getypeerd heeft met de naam: wijsbegeerte der wetsidee.

Het spreekt vanzelf, dat de wetsidee van iedere wijsbegeerte bepaald wordt door het Archimedisch punt, van waaruit het wijsgerig denken vertrekt, en door het religieuze grondmotief, waardoor dit denken wordt voortgedreven. Dit Archimedisch punt is voor een christelijke wijsbegeerte het waarachtig geloof in de openbaring Gods, waarvan Jezus Christus het centrum is. In schema:

 

Archimedisch punt   wijsgerig denken   à wetsidee van enige wijsbegeerte

           |                             ^        

           |                             |

           |                 drijft    |  voort

            ------------à    grondmotief

 

Hoe heeft Dooyeweerd de wetsidee van zijn eigen wijsbegeerte, die door bovengenoemd Archimedisch punt en het daaruit volgende grondmotief wordt bepaald, nu nader geformuleerd?

De wijsbegeerte der wetsidee definieert de kosmos als een samenhangend geheel van, al dan niet enkaptisch vervlochten, zgn. typische individualiteitsstructuren/zijnden/entiteiten, die wij ervaren binnen de zgn. plastische ervaringshorizon. Individualiteitsstructuren zijn structuren van voorwerpen, gebeurtenissen, daden, processen, etc.. Al die individualiteitsstructuren fungeren in elk van de vijftien modale aspecten/modaliteiten van de zgn. modale ervaringshorizon der tijdelijke werkelijkheid waarin wij leven, binnen de modale subject-object-relatie, hetzij actief als subject, hetzij passief als object. Voor elk aspect zijn eigensoortige wetten/normen gesteld, elk aspect omsluit een eigen wetskring. Hoewel fungerend in alle aspecten, treedt in elke individualiteitsstructuur een bepaald aspect zozeer op de voorgrond, dat deze structuur door dat aspect wordt getypeerd/gekwalificeerd. Zo wordt de individualiteitsstructuur van de individualiteit ‘steen’ getypeerd door het fysische aspect, die van een boom door het biotische en die van een hond door het sensitieve aspect.

Iedere wetskring bestaat uit een wetszijde, d.i. de wet/norm  voor die modaliteit door de Schepper gesteld, en een subjectszijde, dat wat aan die wet/norm onderworpen is. De WdW borduurt hier duidelijk voort op Kuyper: ‘Geen leven buiten u in de natuur, of in dat leven ordeningen, die men thans natuurwetten noemt, een woord dat we aannemen, mits er niet wetten van de natuur, maar wetten voor de natuur onder verstaan worden. Evenzoo ordeningen des hemels voor het firmament boven, en ordeningen der arde beneden, waardoor die aarde staan blijft, omdat, gelijk de Psalmist zegt, die ordeningen Gods knechten zijn. Alzoo dus ook ordeningen Gods voor mijn lichaam, voor het bloed dat door mijn aderen stroomt en voor de ademhaling der longen. En zoo voortgaande, ordeningen Gods in mijn verbeeldingsleven op aesthetisch terrein, en zoo ook ordeningen, ordinantiën Gods voor alle menschelijk leven op zedelijk gebied. Niet enkele summiere, algemeene geboden, die het concrete telkens aan mij zelven ter beslissing overlaten, maar gelijk Gods ordinantiën op zedelijk terrein tot in het kleinste en bijzonderste afdalend, en mij aanzeggend hoe God het wil’[11]. Kuyper hanteert hier dus een pluriforme benadering van de werkelijkheid, verscheidene modale aspecten, zinmodaliteiten, zinzijden aan die werkelijkheid onderscheidende, die heel goed Dooyeweerds gedachtengang bepaald kan hebben. Dooyeweerd onderscheidt immers, zoals hierna zal worden aangegeven, net als Kuyper o.a. een fysisch, een biotisch, een aesthetisch en een ethisch aspect.

Zoals gezegd functioneert al het concrete in deze tijdelijke werkelijkheid in alle vijftien modale aspecten hetzij als subject, hetzij als object. Zo functioneert een plant in de volgens de kosmische tijdsorde eerste/vroegste vijf aspecten (zie hierna) als subject (en plant heeft een aantal bladeren, beweegt, leeft etc.) en in de overige als object. Een plant is voorwerp, object, van zien, analyseren, geloven etc.. Een dier heeft één subjectsfunctie meer, nl. de sensitieve. Alleen de mens fungeert in alle modaliteiten als subject.

Het al of niet zichtbaar zijn der dingen, hun analyseerbaarheid, hun culturele bewerkbaarheid, hun schoonheid of lelijkheid, hun mogelijkheid om als juridisch of economisch object te fungeren, enz. behoren heel wezenlijk tot hun individualiteitsstructuur en al deze aspecten zijn los van de mens, die ziet, analyseert, die bewerkt, die waardeert en vergeldt, onbestaanbaar. Van een ding, losgedacht van de menselijke ervaringshorizon, blijft niets over.

Samenvattend: een individualiteitsstructuur fungeert in x modale aspecten als object, in y modale aspecten als subject, waarbij x + y = 15. En elk modaal aspect kent weer een wetszijde en een subjectszijde.

Op dit punt breng ik Kuypers critiek op de evolutieleer vanuit het oogpunt van de aesthetica in herinnering. Op het standpunt van het evolutionisme dient schoonheid uit nut verklaard te worden. ‘De zaak zou dan deze zijn, dat in de dierenwereld het wijfje zich door schoone manlijke vormen voelt angetrokken en daardoor aan den sierlijk gevormden man milder kans op voortteling van zijn nageslacht bood’[12]. En als wij mensen van iets schoons genieten, dan is dat slechts subjectieve gewaarwording, ‘en niets waarborgt u het daaraan beantwoorden van een objectief schoon’[13]. Zo worden de objectsfuncties van individualiteitsstructuren totaal kiskend. ‘De objectsfuncties zijn voor het subjectivisme meestal niet meer dan subjectieve bijdragen van de kant van de mens[14]. Zo wordt de mens zingever van het bestaan, wordt schoonheid een puur subjectieve gewaarwording van de mens, de mens legt de natuur schoonheid op. En als schoonheid in de dierenwereld een rol speelt in de sexual selection, dan moet er schoonheidszin bij dieren aanwezig zijn, moeten dieren dus actief als subject fungeren in het aesthetische aspect! Volgens de WdW kan een dier alleen passief als object fungeren in het aesthetische aspect. Een dier kan mooi gevonden worden, maar het kan zelf niet iets mooi vinden.

Modaliteiten (die bepaalde aspecten/kanten/zijden van het creatuurlijk zijnde zijn) heten ook wel zinzijden. De grenzen tussen de modale aspecten heten daarom zingrenzen. Datgene waardoor een zinzijde (= (zin)modaliteit) wordt gekarakteriseerd, gekwalificeerd, is haar zinkern. De zinzijden zijn onderling onherleidbaar, ofwel, de zinkern van iedere modaliteit handhaaft de souvereiniteit in eigen (wets)kring. Zo is bijvoorbeeld het ruimtelijke aspect, hoe nauw ook verbonden met het arithmetische (het ‘getallige’), niet daaruit te verstaan of te verklaren. De wetskring van aspect a geldt dus niet voor (de subjectszijde van) aspect b. Ter vergelijking: met een thermometer kan men niet de luchtdruk meten. Ook in de toekomst niet, hoe zeer de thermometer ook verfijnd en geperfectioneerd wordt, want luchtdruk is niet te herleiden tot temperatuur. Daarom ook zal volgens de WdW het denken nimmer uit de hersenwerking te verklaren zijn, het logisch gekwalificeerde denken is principieel niet tot de fysisch/chemisch gekwalificeerde processen in de hersenen te herleiden. Wanneer iets uit niets anders bestaat dan uit bewegende stoffelijke deeltjes, atomen of wat dan ook, dan kan hieruit nooit iets anders voortkomen dan een andere groepering van diezelfde bewegende deeltjes. Maar nooit kan uit zo´n groepering of beweging van stofdeeltjes iets ontstaan, wat we ´pijn´ noemen, of ´vreugde´, ´verdriet´, ´denken´, ´zien´ of ´horen´. Deze bewustzijnsverschijnselen zijn in wezen noch beweging, noch groepering van atomen, maar iets van principieel andere aard dan fysisch- chemisch gekwalificeerde verschijnselen. Daarom is in de optiek der WdW het gedurige pogen der natuurwetenschappers om levende organismen langs fysisch-chemische weg uit levenloze materie te laten ontstaan (spontane generatie) en de levensverschijnselen zodoende tot fysisch-chemische processen te herleiden, zinloos.

De vijftien tot nu toe onderscheiden modale aspecten zijn in een bepaalde volgorde geplaatst:

                       Aspect                                                zinkern

  1. Het arithmetische aspect                     discrete hoeveelheid
  2. Het ruimtelijke aspect                         continue uitgebreidheid
  3. Het kinematische aspect                     beweging
  4. Het fysische aspect                             de energetische wijze van werking
  5. Het biotische aspect                            het levende (vitale)
  6. Het sensitieve aspect                           gevoel
  7. Het logische aspect                             de analytische onderscheidingswijze
  8. Het historische aspect                         vormende macht
  9. Het linguïstische aspect                       symbolische betekening
  10. Het sociale aspect                                omgang
  11. Het economische aspect                      spaarzame wijze van beheer
  12. Het aesthetische aspect                        harmonie
  13. Het juridische aspect                            vergelding
  14. Het morele aspect                                liefde in tijdelijke levensverhoudingen
  15. Het pistische aspect                             geloof

Om welke reden zijn de modale aspecten in deze volgorde geplaatst?

Zoals boven al is aangegeven, is het logisch gekwalificeerde denken in principe niet tot fysisch-chemisch gekwalificeerde processen in de hersenen te herleiden. Maar dit neemt niet weg, dat denken het normaal functioneren van deze fysisch-chemisch gekwalificeerde verschijnselen in de hersenen als basis, als fundament, kan ontberen: bij hersenbeschadiging kan het denken niet normaal meer functioneren. Aan een steen kunnen we opmerken, dat deze als subject wel binnen het fysische aspect kan functioneren zonder dat ook te doen binnen het biotische aspect, het omgekeerde is echter niet het geval. De fysisch-chemisch gekwalificeerde processen, die een onmisbare rol spelen bij bv. de voeding en ademhaling van een plant, vormen immers een fundamentele levensvoorwaarde voor dit organisme. En voor een plant heeft het subjectief binnen het biotische aspect kunnen functioneren een binnen het sensitieve aspect subjectief functioneren weer niet nodig, terwijl het leven van een dier ervan getuigt, dat het sensitieve aspect wel het biotische als grondslag behoeft.

Op grond hiervan is de bovenstaande volgorde der modaliteiten ontstaan, de aspecten met lagere nummers vormen de fundering voor die met hogere nummers. De WdW spreekt in dit verband van vroegere en latere aspecten. Deze opeenvolging is de kosmische tijdsorde, waarin dus de kosmisch vroegere aspecten alle kosmisch latere funderen. De funderende modale aspecten zijn substraatkringen, de gefundeerde aspecten zijn dan de superstraatkringen ten opzichte van de funderende. Het eerste aspect, het arithmetische, heeft geen substraatkring en het laatste, het pistische, geen superstraatkring. Deze beide worden grenskringen genoemd. In iedere modaliteit zijn naast de hiervoor genoemde zinkern ook van elke andere zinzijde zinmomenten aanwezig, die overeenkomst vertonen met de zinkernen van die andere zinzijden, waar ze dus op vooruitgrijpen (anticiperen) voor het geval dat het de zinkernen van kosmisch latere, gefundeerde modaliteiten betreft, of naar terugwijzen (retrociperen) wanneer het om zinkernen van kosmisch vroegere, funderende zinzijden gaat. Deze anti- en retrocipaties worden analogieën genoemd. Het moge duidelijk zijn, dat het aritmetische aspect geen retrocipaties kent en het pistische aspect geen anticipaties. Verder spreekt men van een directe anticipatie of retrocipatie wanneer het een analogie met de zinkern van een direct voorafgaand of volgend aspect betreft en van een indirecte in geval van een analogie met een verder in de kosmische tijdsorde gelegen zinzijde. Als gevolg van deze analogieën weerspiegelt elk aspect als het ware alle andere. De WdW noemt dit universaliteit in eigen kring[15]. Een voorbeeld: logisch gevoel en rechtsgevoel zijn zinmomenten in het sensitieve aspect, want ze zijn door de zinkern van dit aspect gekwalificeerd, die op deze wijze de souvereiniteit in eigen kring, dus de onherleidbaarheid van het sensitieve aspect, handhaaft. Logisch gevoel is een directe, rechtsgevoel een indirecte anticipatie respectievelijk op de zinkern van het logische en van het juridische aspect.

Voor de ware aard van de universaliteit in eigen kring kan de immanentiefilosofie geen oog hebben, doordat zij geen oog heeft voor de onderlinge onherleidbaarheid der aspecten. Zij zoekt het Archimedisch punt immers binnen het tijdelijke, door iets relatiefs te verabsoluteren, d.w.z. de correlata ervan ertoe te willen reduceren. Dit kan verstrekkende gevolgen hebben. Een onderzoeker kan namelijk onder de ban komen van de wetmatigheden, die aan één of meerdere zinzijden van de tijdelijke werkelijkheid zijn op te merken, bv. van die der fysische modaliteit. Hij meent hier dan de sleutel te hebben gevonden voor de oplossing van ieder wereldraadsel en schijnbaar past deze sleutel op elk slot. Zo ontstaan de zgn. –ismen. Als bv. de wetten die van Godswege aan de fysische modaliteit gesteld zijn worden verabsoluteerd, tot eeuwige wetten van de natuur in plaats van vóór de natuur geproclameerd worden, dan beheersen deze wetten alle andere, niet in haar eigen aard erkende zinzijden. Dit bedoelde Kuyper, toen hij schreef, dat in het laatste kwart der 19e eeuw de mensheid met het evolutiedogma de beschikking had over en alomvattend filosofisch stelsel, een uit één beginsel afgeleide levens- en wereldbeschouwing, dat met de pretentie optrad door middel van zijn monistische mechaniek ‘heel den kosmos, en alle levensproces in dien kosmos, tot in zijn eersten oorsprong te verklaren’[16]. Alles zou verklaard kunnen worden door de leer van de enkel met meetkundig-mechanische eigenschappen uitgeruste en enkel volgens mechanische wetten op elkaar inwerkende atomen. Zo leidt de evolutietheorie, als uiterste logische consequentie, tot een –isme, namelijk het materialisme. Bij planten, dieren en mensen zou men volgens het materialisme te doen hebben met een wat ingewikkelder samenstelling van de materie dan bij objecten in de anorganische natuur, maar ook hier zou het tenslotte om niets anders gaan dan om stoffelijke deeltjes, die zich volgens dezelfde natuurwetten zouden gedragen. Voor een onherleidbaar biotisch aspect is dan geen plaats meer, voor een onherleidbaar sensitief aspect evenmin. Om Haeckel te citeren: ‘Het bewustzijn is, evenals de gewaarwording en de wil der hogere dieren, een werktuigelijke arbeid van de zenuwcellen en als zodanig terug te voeren tot scheikundige en natuurkundige processen in het plasma van deze’[17]. Hiertegenover stelt Kuyper, geheel in de lijn der WdW: ‘Maar wat ik voor de sfeer van het geestelijke vindiceer is de zelfstandigheid van karakter, is een eigen principe, en dienvolgens het recht om tegen elk absoluut mechanisch, d.i. atomisch stelsel, niet alleen bedenkingen in te brengen, maar er van eigen standpunt critiek op uit te oefenen’[18].

Andere onderzoekers, in het bijzonder gegrepen door het aspect dat zij op hun studieterrein hebben leren kennen, hebben de neiging om alle andere aspecten tot dít aspect te herleiden. Zo is voor de psycholoog Heymans de gedachte, dat het sensitieve (psychische) aspect zou kunnen worden herleid tot het fysische, een absurde. Hoe zou ooit een bewustzijnsverschijnsel zoals bijvoorbeeld pijn kunnen worden herleid tot een beweging van stoffelijke deeltjes? Integendeel: het ware wezen der dingen is van psychische aard. Voor Haeckel c.s. waren de hersenprocessen de reële werkelijkheid en zijn de bewustzijnsverschijnselen slechts een bijkomend gevolg hiervan, bij Heymans is het juist andersom. De psychische processen zijn nu juist de reële processen en deze ‘verschijnen’ ons als materiële processen.

Wanneer het bewegen van de hersenatomen slechts de verschijningswijze is van de psychische processen van het bewustzijn, waarom zal dan de gang der sterren niet de openbaringswijze zijn van een wereldbewustzijn? Zo komt Heymans tot de leer der albezieldheid, het psychisch monisme, dat de tegenhanger is van het materie-monisme der evolutionisten. Hier wordt dus de psychische modaliteit verabsoluteerd, wat leidt tot psychologisme.

De –ismen wijzen op een verabsolutering van wat betrekkelijk is: materialisme, psychologisme, logicisme, historisme enz.. Dit is zoals gezegd steeds het gevolg van een kiezen door de immanentiefilosoof van zijn Archimedisch punt binnen het wijsgerig denken zelf, waardoor iets, wat onzelfgenoegzaam is, absoluut gesteld wordt.

 

7.6 De zin van de werkelijkheid

 

Wat is de zin van de werkelijkheid? Wat is de zin van voor- en rampspoed, van vreugde en smart? De WdW betoogt, dat de filosofie deze vraag niet kan beantwoorden, dit ook niet hoeft, daar het reeds bekend is uit andere bron, nl. de openbaring. Wat wij weten, door geloof, van de zin is dus niet het resultaat van wijsgerige bezinning, maar een gegeven voor de wijsbegeerte.

De WdW leert, dat het creatuurlijke zijn geen zin hééft, maar zin is. Wat is hiermee bedoeld? Van Riessen, één van Dooyeweerds geestverwanten, onderscheidt in het creatuurlijke zijn o.m. het ontstaan, het bestaan en de bestemming van het zijn[19], daarbij wijzende op Rom. 11:36. Het geschapen zijn is zowel in zijn ontstaan, als in zijn bestaan, als in zijn bestemming een door en door afhankelijk zijn. Zo is de zin van heel de kosmos in de zin van bestemming: de dienst van God, al het geschapene bestaat tot Gods eer.

Evenwel, de relatie van het zijn met God komt niet alleen uit in de bestemming van het zijnde, maar ook in het ontstaan en in het bestaan. Het zijnde is niet van eeuwigheid en bestaat niet uit en door zichzelf. Het is ontstaan door een scheppingsdaad van de souvereine God en wordt door Hem van ogenblik tot ogenblik in stand gehouden. Het creatuurlijke zijn is een volledig afhankelijk zijn. Er is dan ook mar één zijn dat geen zinkarakter heeft en dat is het absolute, zelfgenoegzame, eeuwige zijn van God.

Als voorbeeld zij het ooievaarsnest genoemd. Het nest staat zowel in zijn ontstaan, als in zijn bestaan, als in zijn bestemming geheel in relatie tot het leven van de ooievaar, het kan niet uit zichzelf verklaard worden. Men kan niet spreken van een stapel takken die door de ooievaar als nest kan worden benut, als hiermede het nest wordt bedoeld. De stapel takken wordt immers niet slechts als nest gebruikt, het is een nest. Het is daartoe door de ooievaars gebouwd, zijn bestaan is niet anders dan als nest-zijn te typeren, en bij leegstand is zijn bestemming nog altijd: als nest gebruikt gaan worden.

Op het begrip zindynamiek ga ik kortheidshalve maar niet in.

 

7.7 Het ontsluitingsproces

 

De menselijke samenleving in de grijze oudheid was een stuk primitiever en ongedifferentieerder dan wij die nu kennen, net zoals een bevruchte eicel in vergelijking met een volwassen individu dat is. Wat nu in de biologie ontogenie wordt genoemd, heet in de WdW het ontsluitingsproces.

De differentiëring van de menselijke samenleving voltrekt zich ‘naar haar historisch aspect door de ‘vertakking’ der cultuur in de eigen geaarde machtssferen van wetenschap, kunst, staat, kerk, bedrijf, handel, school, vrij organisatiewezen, enz. enz.’[20]. Tot in onze tijd bestaan er volkeren en volksstammen, die zijn blijven steken in de geslotenheid van een ongedifferentieerde cultuur. Deze geslotenheid ging noodzakelijkerwijs gepaard met een geïsoleerd bestaan t.o.v. het cultuurbevruchtend verkeer met hoger ontwikkelde volkeren. Zo’n afgesloten primitieve samenleving ligt gewoonlijk onder de ban van een heidens natuurgeloof, waarin traditie en overlevering zozeer oppermachtig zijn, dat ieder begin van ontsluiting in de kiem wordt gesmoord. Deze toestand kan slechts doorbroken worden wanneer zo’n volk, bv. door onderwerping aan een cultureel hoger ontwikkeld volk of door de komst van zendelingen,  in aanraking komt met hogere culturen en daardoor mede wordt opgenomen in de vaart der volkeren. Hier valt op hoe groot de rol is van een bepaald geloof bij het gesloten blijven van een primitieve samenleving. Ook elk ontsluitingsproces vindt plaats onder leiding van het geloof; de wijze waarop hangt af van het soort geloof. In dezen is dus de WdW in flagrante tegenspraak met de visie van de evolutionisten, waarin de beschavingen van primitieve volksstammen gezien worden als de logische consequentie van hun op een lagere sport der evolutietrap staan, en die in de lijn ligt van Wallace’s ervaringen met primitieven (zie § 5.2).

Het ontsluitingsproces in de menselijke samenlevingen hangt onverbrekelijk samen met het ontsluitingsproces dat in de modale aspecten is op te merken. Een voorbeeld. De koe en de koeherder op de alpenweide zijn mede door het bezit van hun ogen gevoelig voor lichtindrukken. Beiden zien de omgeving. Hierdoor kan de koe voedsel vinden en afgronden vermijden. De koeherder kan dit ook, maar is daarnaast in staat om van het uitzicht te genieten. De koe en een jong kind kennen deze schoonheidszin niet, doordat hun gevoelsleven hiervoor gesloten is. De  dierlijk-sensitieve subjectsfunctie van de koe is voor deze en andere hogere gevoelens definitief gesloten. Bij het kind echter is de mogelijkheid van de ontsluiting latent aanwezig. Bij het opgroeien kan het ontsluitingsproces zich realiseren door middel van een differentiatie van het gevoel tot logisch gevoel, taalgevoel, gevoel voor schoonheid, rechtsgevoel enz.. 

Hoe wordt nu in de WdW dit ontsluitingsproces verstaan? Zoals al bleek (§ 7.5) hangen de modaliteiten niet alleen met elkaar samen d.m.v. inbedding in de kosmische tijd, maar ook via de analogische zinmomenten in hun modale structuur. In bovenstaand voorbeeld hebben we te maken met het sensitieve aspect, waarin mens en dier fungeren. Het ontsluitingsproces houdt hier nu in, dat de nog latente zinmomenten in het sensitieve aspect, die anticiperen op de zinkernen van de superstraatkringen, zich gaan openen. Zo ontstaan bv. aesthetisch gevoel als een ontsloten anticipatie op de aesthetische modaliteit en godsdienstig gevoel als een ontsloten anticipatie op het pistische aspect. De modale structuur van het sensitieve aspect bevindt zich dus in het dierenleven in gesloten toestand: de universaliteit in eigen kring is er wel, maar het sensitieve aspect heeft slechts retrocipaties op de substraatkringen, er is geen interne ontsluiting mogelijk van de anticipaties o.l.v. na-sensitieve subjectfuncties, een dier kan in de na-sensitieve modi enkel (externe) objectfuncties vervullen, bv. fungeren als aesthetisch object. Bij de mens echter worden bij een normale ontwikkeling in de sensitieve modaliteit de anticipaties op de normatieve aspecten intern ontsloten. Door ontsluiting van die anticipaties wordt de gevoelszin dan op ‘hoger plan’ gebracht, in betekenis verdiept. Dit alles geldt ook voor de andere aspecten.

Dooyeweerd heeft nu de volgende terminologie ingevoerd: wanneer de anticipatiesferen van een modaliteit nog gesloten zijn, openbaart deze modaliteit zich nog in starre, restrictieve gestalte. Door het ontsluitingsproces leren we het aspect kennen in expansieve of verdiepte toestand. Zo zijn een steen, een plant en een dier alle drie subject aan de wetten der fysische modaliteit. Maar de fysische modaliteit openbaar zich in de steen slechts in starre, restrictieve gestalte, in het lichaam van plant, dier en mens evenwel in verdiepte, expansieve gestalte. Daardoor komen in het organische bv. chemische verbindingen tot stand die niet in de anorganische wereld voorkomen.      

Uit zichzelf kan het fysische aspect niet tot ontsluiting komen. De levensfunctie maakt ontsluiting mogelijk. Daarom spreekt Dooyeweerd van leidende en geleide functies. De levensfunctie is dan de leidende en de biotische anticipatie in het fysische aspect de geleide functie. En onder leiding van de logische denkfunctie ontsluit zich de sensitieve gevoelszin tot het verdiepte logische gevoel (de geleide functie).

Is bij het pistische aspect, dat geen superstraatkringen heeft, wel ontsluiting mogelijk? Hier speelt het hart als religieuze worteleenheid van het menselijk bestaan de hoofdrol. De religieuze geaardheid van het hart bestuurt en richt het gehele leven van de mens, dus ook zijn geloofsleven, hetzij op God, hetzij op een afgod. In de pistische modaliteit behoort derhalve de ontsluiting van de geloofsfunctie tot de subjectszijde, een openbaring van de Archè of van wat als zodanig geloofd wordt tot de wetszijde van dit aspect. Bij de van God afgevallen mens is die vermeende oorsprong dan één of meerdere verzelfstandigde, verabsoluteerde, vergoddelijkte modale aspecten van de kosmos. Het hart is dus gegrepen door iets schepselmatigs.

Bij primitieve volkeren met een heidens natuurgeloof, waarin mysterieuze natuurkrachten worden vergoddelijkt, bevindt de geloofsfunctie zich in gesloten toestand. Bij de mens ontbreekt het besef, dat hij de dieren en de dingen te boven gaat. Zelfs het persoonlijkheidsbesef kan verloren zijn gegaan[21]. In het totemisme zijn clangenoten adelaars of kangoeroes of wat ook. En zolang de geloofsfunctie zich in restrictieve toestand bevindt, kan ze niet de voor de ontsluiting der kosmisch-tijdelijk vroegere aspecten benodigde leidende functie vervullen, waardoor iedere ontsluiting van het historisch cultuuraspect en van de andere normatieve aspecten onmogelijk is.        

De ontsluiting van het pistische aspect kan langs tweeërlei weg plaatsvinden. De weg, waarlangs het geloof tot positieve ontsluiting komt, wordt door God Zelve gebaand. Door de evangelieprediking wil Hij de harten der mensen veranderen. Dit geschiedt in de wedergeboorte uit de Heilige Geest, met Wie God op aarde aanwezig is sinds Pinksteren. De andere weg, die niet tot God terugvoert, is die van de zelfbewustwording van de mens in de vermeende autonomie van de rede. ‘De geloofsfunctie komt in haar afvallige richting boven de starre geslotenheid van het primitieve natuurgeloof uit, zodra de mens zich bewust wordt van de suprematie zijner ‘redelijke’ functies boven de ‘redeloze’ natuurkrachten’[22]. Dit ontsluitingsproces hangt onmiddellijk samen met het uittreden van een volk uit een primitieve cultuurtoestand. Deze weg van geloofsontsluiting voert van de vergoddelijking van onbegrepen natuurkrachten tot het geven van culturele vorm aan het afgodisch geloof. Maar hoezeer deze vontsluiting ook haar goede vruchten in kunst en wetenschap heeft afgeworpen, de geloofsfunctie blijft gericht op een afgod. Zo kan men geheel vertrouwen op de natuurwetenschappelijke methode. Deze weg van geloofsontsluiting leidt van de verabsolutering van niet-normatieve aspecten tot verzelfstandiging van normatieve.

Het ontsluitingsproces is, volgens de WdW, gegrond in de schepping. Het is een ontplooiing in de tijd van het met de schepping gegevene (wording). Indien er geen zonde in de wereld ware, zou dat wordingsproces zich volgens de wetten en normen van de kosmische wetsorde, conform het beginsel der cultuureconomie, volkomen harmonieus voltrekken; de ene cultuurkring ontwikkelt zich dan niet ten koste van de andere. Maar door de verstoring van de zonde is er disharmonie in het ontsluitingsproces opgetreden. Hoe vindt dit plaats? Dit vindt plaats wanneer de cultuurontsluiting onder leiding staat van het in verkeerde richting ontsloten geloofsaspect, waarbij de ontsluiting op een afgod binnen de geschapen tijdelijke werkelijkheid gericht is, waardoor het bovengenoemde beginsel der cultuureconomie geschonden wordt. In het humanisme heeft deze verkeerd gerichte ontsluiting van het geloofsaspect geleid tot een verabsolutering van de natuurwetenschappelijke methode: het empirisme.

Intussen heeft dit Verlichtingsgeloof naast het romanisme en het calvinisme in het Westen een enorme invloed gekregen op het ontsluitingsproces van de beschaving, de economie, het rechtsleven, de moraal enz.. De evolutieleer is er de belichaming van.      

De natuurwetenschappelijke methode van denken heeft op het haar krachtens het beginsel van de souvereiniteit in eigen kring toekomende terrein van de natuurwetenschap veel vruchten afgeworpen. Eveneens in de op de wetenschap gefundeerde techniek. Maar waar deze methode werd toegepast op het gebied der geesteswetenschappen, waar men dus het sensitieve aspect trachtte te herleiden tot het fysische, waar zijn souvereiniteit in eigen kring door de empirie werd geschonden, heeft zij tot ontsporing geleid. Een individualistische opvatting van de menselijke samenleving was het gevolg. Ik denk hier aan het ‘laissez-faire’-princiep van het Victoriaanse Engeland, aan het Spencerianisme. Het liberale ik-tijdperk verschijnt ten tonele. De eigen aard van staat, kerk, gezin (voorheen hoeksteen der samenleving) enz. werd uit het oog verloren. Een individualistische moraal werd op het evolutionaire nuttigheidsprincipe opgetrokken. En nog steeds zijn dit empirisme en dit utilitarianisme springlevend, tot in christelijke kring toe!

Overigens, vanwege de overal doorheenlopende religieuze antithese houdt bovenstaande niet in, dat het ontsluitingsproces volkomen harmonieus en conform het principe der cultuureconomie verlopen zal als de leiding maar in handen is van de pistische functie die op de ware Archè gericht is. Kortheidshalve laat ik dit punt rusten.

 

7.8 De zelfheid en haar relaties

 

Zoals bekend leert Dooyeweerd, dat de ikheid (het hart) van de mens fungeert in alle aspecten van onze modale ervaringshorizon/van deze tijdelijke werkelijkheid (bv. denken, voelen, geloven), maar in geen enkel aspect geheel opgaat, zelfs niet met het geheel der zinmodaliteiten samenvalt. Men denke hierbij aan een plant waarvan de ongedeelde wortel zich bovengronds vertakt (de modaliteiten). De zelfheid nu is de ongedeelde wortel van onze individuele persoonlijkheid. Zij staat in een drietal relatiën: de zojuist genoemde relatie van de ikheid tot de modale aspecten waarin zij fungeert, haar relatie tot het ik der medemensen, en tenslotte de relatie van de zelfheid tot de Archè (of wat daarvoor gehouden wordt). Het is deze derde relatie die het diepste wezen der zelfheid bepaalt, in de beide andere relatiën openbaart zich dit diepste wezen. De derde relatie nu is de religie. Religie ‘is religio, d.i. verbinding, relatie tussen de creatuurlijke zin (dat door en door afhankelijk zijn is, R.B.) en het Zijn der Archè’[23]. De ikheid van ieder mens is daardoor religieus van aard, wordt daarom genoemd: de religieuze wortel van ons bestaan. Dooyeweerd maakt derhalve streng onderscheid tussen religie en geloof. Het voltijdelijke, religieuze ik openbaart zich noodzakelijkerwijze ook in het tijdelijke geloofsaspect. Aangezien God de mensen niet alleen in gemeenschap met Hem, maar ook in gemeenschap met elkander geschapen heeft, had ieders religieuze wortel in den beginne deel aan de ‘religieuze wortelgemeenschap van het menselijk geslacht’. Deze is echter in Adam van God afgevallen, maar in Jezus Christus in beginsel hersteld[24]. Zie ook § 7.3 over het Archimedisch punt der WdW. Ook Kuyper gebruikte voor ’s mensen religieus geaarde ikheid de wortelmetafoor: ‘Zoo waarachtig als elke plant een wortel heeft, schuilt onder elke levensuiting een beginsel. Die beginselen hangen onderling samen en vinden hun moederkiem in een grondbeginsel, en uit dat grondbeginsel ontwikkelt zich logisch en systematisch dat geheel van heerschende begrippen en denkbeelden, dat feitelijk onze levens- en wereldbeschouwing uitmaakt’[25].

Op het kennisprobleem en de transcendentale critiek op het theoretische denken ga ik kortheidshalve niet uitgebreider in.

 

7.9 De identiteitservaring

 

Er wordt een kastanje gepoot. Twintig jaar later staat er een flinke boom. Van de oorspronkelijke kastanje is niets meer over, evenmin als van de eerste blaadjes en stengels. Toch ervaren we hem als dezelfde boom. Wat garandeert nu de identiteit van de boom? Wanneer we op zoek gaan naar het blijvende dat de identiteit van een ding waarborgt, dan moeten we de structuur van het ding in het oog vatten. De theorie der modale aspecten kan ons in het onderzoek naar de individualiteitsstructuren op weg helpen.

Het is niet moeilijk in te zien, dat de boom subjectsfuncties heeft tot en met het biotische aspect. Daarbij komt, dat de boom wordt gekarakteriseerd, wordt gekwalificeerd door de biotische modaliteit. In de op de biotische modaliteit volgende aspecten heeft de boom objectsfuncties. Deze liggen ‘gesloten’ in de tijdelijke werkelijkheid en ze zijn ‘betrokken’ op de mens (en het dier v.w.b. de sensitieve objectsfunctie). De sensitieve objectsfunctie van de boom wordt ontsloten zodra deze door een mens of dier wordt waargenomen. En hoe zouden wij mensen actief als subject in het logische aspect kunnen fungeren als de individualiteitsstructuur van de boom niet analyseerbaar ware?

Zo fungeert de boom in alle modaliteiten, hetzij als subject, hetzij als object. Wanneer nu al deze modale aspecten in hun onderlinge samenhang worden samengevoegd, is het nog steeds niet duidelijk wat de constante factor is die de identiteit van de boom garandeert. Hoe is alles tot een innerlijke structuureenheid geworden? De boom (in het algemeen: een ding) is meer dan de som van zijn modale functies. Dit is het punt waar de theorie der modale aspecten niet meer gebruikt kan worden.

Een centrale rol wordt gespeeld door de kwalificerende functie, in het geval van de boom dus de biotische. Het is namelijk onder leiding van de biotische functie dat de vóór-biotische aspecten tot zulk een wonderlijk samenspel worden gebracht, dat de boom een volstrekt interne eenheid vertoont. De mogelijkheid tot het vormen van zulk een interne eenheid was in de voor-biotische aspecten wel aanwezig, maar uit zichzelve konden ze hiertoe niet komen. Door de leidende biotische functie worden deze potentiën ontsloten, geactualiseerd. Bij dit alles gebeurt evenwel niets, wat tegen de wetten, aan de geleide functies gesteld, zou ingaan. De souvereiniteit in eigen kring blijft dus volledig gehandhaafd. De modale biotische functie fungeert alleen als primus inter pares te midden van de andere modale functies, dus de leiding, die van de biotische functie uitgaat, is niet de grond van de interne structuureenheid van de boom. Hoe deze leidende werking mogelijk is zal nooit begrepen worden. Het is het interne structuurprincipe van een ding, dat de aard heeft van een structuurwet, dat de modale functies van een ding zodanig groepeert, dat één daarvan binnen de tijdelijke werkingssamenhang de leiding heeft in het ontsluitingsproces der kosmisch vroegere functies, in het geval van de boom is dat de biotische functie. Het is de tijdelijke continuïteit van deze individualiteitsstructuur van (bv.) de kastanjeboom die, bij alle veranderingen, de waarborg is van de naïeve identiteitservaring. Van het structuurprincipe van een ding kunnen we ons geen begrip vormen, we kunnen er wel, zoals uit het voorgaande blijkt, enig idee van krijgen. Alles wat aan dit structuurprincipe onderworpen is, dus de modale functies van een ding, vormt de subjectszijde van de individualiteitsstructuur, die de eenheid van een ding uitmaakt. Het structuurprincipe, dat, zoals gezegd, het karakter draagt van een structuurwet, is dus de wetszijde van de individualiteitsstructuur.

De structuurprincipes zijn structuurtypen, die onderling verschillen door de wijze waarop zij de modale functies van het individuele geheel hebben gegroepeerd. Binnen de tijdelijke werkingssamenhang van dit geheel is immers één der functies als zgn. bestemmingsfunctie gekwalificeerd, die leiding geeft aan het interne ontsluitingsproces der kosmisch vroegere functies. Wanneer nu deze leidende, kwalificerende functies tot verschillende modale aspecten behoren, dan hebben we met verschillende structuurtypen te maken, door Dooyeweerd radicaaltypen genoemd. Zo is het radicaaltype ‘plant’ biotisch, het radicaaltype ‘dier’ sensitief gekwalificeerd. Alle exemplaren die door eenzelfde radicaaltype worden omvat, vormen tezamen een rijk. In de macrowereld zijn drie radicaaltypen op te merken van een vóór-logische kwalificatie, die de volgende rijken begrenzen: 1) dat van de anorganische materie, dingen en processen; 2) dat van planten en hun bio-milieu; 3) dat van dieren, hun milieu, hun vormsels en hun symbiotische verhoudingen. Het eerste rijk is gekwalificeerd door het fysische, het tweede door het biotische en het derde door het sensitieve aspect.

Radicaaltypen kunnen op hun beurt verschillende stamtypen omvatten, waarvan de structuurprincipes onderling niet herleidbaar zijn. Zo omvat het radicaaltype ‘dier’ o.m. de stamtypen ‘zoogdier’, ‘vogel’, ‘vis’, ‘insect’. Binnen een bepaald stamtype is verder nog een uitgebreide inter-typische differentiëring aanwijsbaar. Zo omvat het stamtype ‘insect’ de vlinders, kevers, tweevleugeligen, netvleugeligen enz.. Alle exemplaren van eenzelfde stamtype vormen het stamgebied van een rijk.

Het komt ook voor dat planten of dieren variaties gaan vertonen door de invloed van de omgeving waarin zij leven. Deze vormvariatiën worden dan niet door een intern structuurprincipe bepaald, maar door uiterlijke factoren. Deze typen worden door Dooyeweerd variabiliteitstypen genoemd.

Er bestaat geen radicaaltype ‘mens’, dat de mensheid in een mensenrijk omsluit. De mensheid is niet in een tijdelijk rijk van individuele wezens besloten. De mens, geschapen naar Gods beeld, neemt een geheel eigen plaats in in de werkelijkheid.

Er bestaat geen ruimer type dat de radicaaltypen omvat, zoals een type ‘levende wezens’, dat dan planten, dieren en mensen omvat. De radicaaltypen danken hun naam juist hieraan, dat zij de grondleggende structuurprincipes zijn, die de stamtypen eerst mogelijk maken.

Deze indeling in typen geldt niet alleen natuurdingen, maar ook cultuurdingen, zoals staatsverbanden en kunstwerken.

Daar, zoals gezegd, de radicaal- en stamtypen, als behorende tot de kosmische wetsorde, onderling onherleidbaar zijn, wordt in de WdW iedere evolutieleer, waarin de structuurprincipes als resultaat van een wordingsproces ontstaan zouden zijn, zeer beslist afgewezen (men denke hierbij eveneens aan de onderlinge onherleidbaarheid der modale aspecten, § 7.5)[26]. De in de natuur plaatsvindende evolutie is dan ook evolutie binnen het kader van de onderling onherleidbare, transcendentale grondstructuren van de individualiteit (micro-evolutie), zoals ook Diemer (hoofdstuk 8), Duyvené de Wit (hoofdstuk 10) en Kuyper (§ 6.4) betogen[27].

Zij nog opgemerkt, dat bij de indeling in typen, bij het maken van onderscheidingen in de werkelijkheid, altijd vergissingen gemaakt kunnen worden, waardoor bv. insecten, die in eerste instantie werden opgevat als behorend tot dezelfde soort (soort op het niveau van het elementaire stamtype, genotype), later toch tot verschillende, onderling onherleidbare soorten bleken te behoren, of vice versa.

Het verschijnsel ‘enkapsis’ laat ik nu maar achterwege.

 

7.10 Conclusie

 

Resumerend moet gesteld worden, dat de WdW, vanwege de onderlinge onherleidbaarheid van zowel de modale aspecten als de structuurtypen, én de verabsolutering van het fysisch-chemische aspect der tijdelijke werkelijkheid, waardoor de souvereiniteit in eigen kring van de andere zinzijden niet meer wordt erkend, én spontane generatie (de ‘Urzeugung’) en het in elkander overgaan van soorten (transformatie, macro-evolutie) wel moet verwerpen. Ook het evolutionistische begrip ‘sexual selection’ moet de WdW, daar dieren niet als subject fungeren in het aesthetische aspect, afwijzen. Bovendien is het in zijn algemeenheid zo, dat de ‘vlucht in de tent van het subjectivisme’ der evolutionisten een voor de WdW niet te tolereren stelselmatige ontkenning van de objectfuncties van entiteiten, zoals analyseerbaarheid, benoembaarheid en schoonheid, impliceert. Tenslotte moet iedere aanhanger der WdW de evolutieleer natuurlijk verwerpen vanwege het immanente, materialistische, iedere Godsidee ontkennende karakter ervan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 



[1] L. Kalsbeek: ‘De wijsbegeerte der wetsidee’; Amsterdam (1983), de beste inleiding die ik tot nu toe ben tegen gekomen.

[2] Waarbij dan volgens de Dooyeweerd-biograaf dr. M.E. Verburg ‘reformatorisch’ niet zozeer betrekking heeft op de kerkelijke hervorming  in de 16e eeuw, als wel op een reformatie van de wijsbegeerte (zie zijn ‘Herman Dooyeweerd – Leven en werk van een Nederlands christen-wijsgeer’: p. 339, voetnoot. 63; Baarn (1989).

[3] Zie hierna voor de uitleg van deze en andere, hierna volgende, de WdW typerende termen.

[4] J.P.A. Mekkes: ‘Scheppingsopenbaring en Wijsbegeerte’; Kampen (1961): p. 35

[5] Calvinisme, p. 11

[6] Ondertussen vereenzelvigt Kuyper geloven en denken niet. Dit blijkt bv. uit de volgende opmerking van Kuyper over het geloof (geciteerd in Kuyper, p. 84): ‘Door pistis (geloof, R.B.) zijt gij zeker van al datgene, waaromtrent ge een vaste overtuiging bezit, zonder dat die overtuiging bij u vrucht is van waarneming of bewijsvoering…Pistis kan nooit anders zijn dan een onmiddellijke daad van ons bewustzijn, waardoor in dat bewustzijn omtrent eenig punt zekerheid ontstaat buiten alle waarneming of bewijsvoering om’ (Encyclopedie der Heilige Godgeleerdheid’, dl. 2, Algemeen deel; A’dam (1892): pp. 77-78.

[7] H. Dooyeweerd: ‘De Wijsbegeerte der Wetsidee’, 3 dln.; A’dam (1935-1936): pp. V-VI (De WdW).

[8] De WdW I, p. 64

[9] H. Dooyeweerd: ‘Vernieuwing en Bezinning’; Zutphen (1963 (2)): p. 58 (Vernieuwing)

[10] Calvinisme, pp. 116-117

[11] Calvinisme, pp. 61-62

[12] Evolutie, p. 39

[13] T.a.p.

[14] Kuyper, p. 30

[15] Ook wel de intramodale zinsamenhang genaamd, in onderscheiding van de intermodale zinsamenhang, die tot stand wordt gebracht door de universele kosmische tijd, die als wetszijde de tijdsorde en als subjectszijde de tijdsduur heeft.

[16] Evolutie, p. 8

[17] E. Haeckel: ‘Het monisme’; A’dam (z.j.): p. 22

[18] Evolutie, p. 39

[19] H. van Riessen: ‘Op wijsgerige wegen’; Wageningen (z.j.): p. 70

[20] Vernieuwing, pp. 76-77

[21] Sporen daarvan zijn zelfs zichtbaar in de pre-renaissancistische kunst ten tijde van de nog maar weinig gedifferentieerde, middeleeuwse cultuur. 

[22] Vernieuwing, p. 100

[23] De WdW, deel I: p. 69

[24] ‘in beginsel’, want dit betreft hen, wien de genadegave van het geloof in Jezus Christus deelachtig geworden is; bij dit deel hebben zij gedacht aan de gelijkenis van de wijnstok en de ranken, en aan Paulus’ zinnebeeld van het lichaam en zijn ledematen. 

[25] Calvinisme, p. 187

[26] De gedachte, dat structuurprincipes, die wetskarakter dragen, als het resultaat van een wordingsproces al evoluerend transformationeel ontstaan zouden kunnen zijn uit andere, primitievere structuurprincipes, gaat niet uit van de reformatorisch-wijsgerige gedachte, dat aan entiteiten een wetszijde (in de vorm dus van een structuurprincipe) en een ermee correlatieve subjectzijde te onderscheiden zijn, maar van de gedachte van entiteiten als substantiën, die zelfstandig ten opzichte van God de Schepper kunnen bestaan.    

[27] H. Dooyeweerd: ‘A new Critique of Theoretical Thought’, dl. III; A’dam/Philadelphia (1957)