Thuispagina » Artikelen » Wijsbegeerte van de biologie » Het evolutionisme reformatorisch-wijsgerig beschouwd » 5. Invloeden van de evolutieleer buiten de biologie

Invloeden van de evolutieleer buiten de biologie

Hoofdstuk vijf

INVLOEDEN VAN DE EVOLUTIELEER BUITEN DE BIOLOGIE

5.1 Evolutie en ethiek

 

Toen eenmaal de evolutie-idee in brede kringen gemeengoed geworden was, en men dus accepteerde, dat ook de mens zelf geëvolueerd is uit dierlijke (i.c. aapachtige) voorouders, werd het zaak om de plaats van de mens in de natuur te evalueren.

In de negentiende eeuw werd het Darwinisme zelden bestreden om het feit, dat het in strijd is met het scheppingsverhaal, omdat de meeste mensen al waren afgestapt van een letterlijke interpretatie van Gen. 1 als gevolg van de ontwikkelingen in de geologie en de palaeontologie eerder in de eeuw. Deze afgenomen geneigdheid in ‘christelijke’ kring om te hechten aan een al te letterlijke interpretatie van het Bijbelse scheppingsverhaal, alsmede het pogen om het Darwinisme met het bestaan van een plan in de natuur te verenigen, zijn kentekenen van het hoe langer hoe meer gesaeculariseerd raken van het 19e eeuwse Westerse denken. Darwinisme werd de benaming voor een nieuw wereldbeeld, een nieuw normen- en waardenpatroon, ontwikkeld door evolutiefilosofen zoals Herbert Spencer, waarbij universele vooruitgang werd gezien als een onvermijdelijk gevolg van de mechanische werking van de natuurwetten. Het was de taak van de mens, als product van het evolutieproces en bij afwezigheid van een de zintuiglijk waarneembare, ruimtelijk-tijdelijke werkelijkheid transcenderende godheid, om, met de natuur zelf als immanent richtsnoer, een nieuwe (praescriptieve) ethiek te creëren[1]. Een mede door het Darwinisme veroorzaakt toegenomen vertrouwen in de macht van de wetenschap om de structuren van het universum te doorgronden was een belangrijk bestanddeel van deze nieuwe, puur materialistische ethiek. Spencer c.s. huldigden het standpunt, dat de loop van de processen in de natuur onze gids zijn naar individueel geluk, en dat de vooruitgang van het evolutieproces borg staat voor vooruitgang van het ras. Dit vooruitgangsgeloof maakte, dat Spencer veeleer als een Lamarckist dan als een Darwinist, waarvoor men hem doorgaans houdt, bestempeld moet worden. Bovendien geloofde Spencer zelf, dat de erfelijkheid van verworven eigenschappen ook in het natuurlijke evolutieproces het belangrijkste mechanisme is[2].

Nu deed zich het opmerkelijke feit voor, dat veel Darwinisten de evolutiefilosofen niet in hun consequent in de lijn van het evolutiedenken doorredeneren wilden volgen[3]. Zo ging Wallace bv. geloven, dat bij de laatste fases van de evolutie van de mens supranatuurlijke leiding een rol speelde. En T.H. Huxley werd uiteindelijk een fel tegenstander van Spencers evolutionaire ‘ethiek’, juist omdat er in het evolutieproces geen sprake is van vooruitgang en daarom het wrede principe van de ‘struggle for life’ niet als leidraad voor de ethiek genomen mag worden. Huxley stond op het standpunt, dat ethische waarden door het menselijk geweten in plaats van door de natuur gedefinieerd moeten worden.

Net zo min als alle natuurwetenschappers ten volle een volledig volledig immanent, materialistisch wereldbeeld accepteerden, hielden alle theologen voor 100% vast aan hun prae-darwiniaanse visie op de werkelijkheid. Alleen enkele ultra-conservatieve theologen, met in hun kielzog geestverwante biologen als Agassiz en Sir J.W. Dawson[4], weigerden pertinent iets van de nieuwe theorie over te nemen. De meerderheid van de theologen en filosofen probeerde een middenweg te vinden waarbij evolutie gezien kon worden als een doelgericht proces. Men trachtte een model te ontwikkelen waardoor evolutie als een door een of andere supra-natuurlijke macht geleid proces van aanpassing en vooruitgang beschouwd kon worden[5]. Echter, vanuit het standpunt van dit theïstische evolutionisme was het opnieuw niet mogelijk om een volledig mechanicistische verklaring te geven van de natuurlijke verschijnselen.

Bovengenoemd streven naar een synthese tussen het evolutieproces en teleologie ging niet zozeer uit van de Darwiniaanse visie op evolutie door natuurlijke selectie, waarbij er immers geen sprake is van vooruitgang maar van een zich constant aanpassen aan steeds veranderende omstandigheden van de soorten, als wel van het Lamarckiaanse mechanisme van erfelijkheid van verworven eigenschappen. Dit model van theïstische evolutie was een manier om de soort als geheel zich aan te laten passen aan een door de afzonderlijke individuen gekozen doel. Het leven stuurt dus zijn eigen ontwikkeling.

 

5.2 Evolutie en de positie van de mens

 

Darwin wist dat de toepassing van de evolutionaire denkbeelden op de mens van meet af aan het meest controversiële punt zou zijn. Hoewel hij slechts zijdelings de oorsprong van de mens in zijn ‘Origin of Species’ behandelde, werd dit aspect van het begin af aan bij de discussie over de evolutieleer betrokken. Darwin behandelde deze kwestie in extenso pas in zijn ‘Descent of Man’ (1871).

In de eerste plaats was het zoeken van de evolutionisten gericht op het vinden van een gemeenschappelijke voorvader van de moderne mens en de mensapen. De grote biologische overeenkomsten tussen mensen en mensapen werden beschouwd als een indirect bewijs van die gemeenschappelijke voorvader.

Hoewel men enkele fossiele schedels vond, m.n. de Neanderthaler schedel en de schedel van de Pithecanthropus erectus, had men hiermee toch niet de ‘missing link’, die licht werpt op ’s mensen evolutie, gevonden. Wel vond men in de archaeologie hoe langer hoe meer overblijfselen uit de vroegste geschiedenis van de mens, de praehistorie, naast restanten van uitgestorven dieren, zoals de mammoet. Als gevolg van de snelle ontwikkeling van de praehistorische archaeologie aan het eind van de negentiende eeuw kon men een opeenvolging van culturele perioden, zoals het stenen tijdperk en het bronzen tijdperk, in de geschiedenis van de moderne mens construeren. Evolutionisten nu grepen deze culturele progressie van de mensheid aan als indirect bewijs voor de veronderstelde biologische evolutie, bij gebrek aan fossielen van de ‘missing link’.

In zijn ‘Descent of Man’ trachtte Darwin zijn lezerspubliek ervan te overtuigen, dat de mentale en morele eigenschappen van de mens niet uniek zijn maar zijn ontwikkeld uit die van de hogere dieren, door middel van natuurlijke selectie en van overerving van verworven eigenschappen. Omdat Darwin geen vooruitgang leerde maar een continue adaptatie aan steeds veranderende omstandigheden, moest hij het ontstaan van de wel zeer bijzondere spirituele eigenschappen van de mens verklaren uit een toevallige, slechts eenmaal in de evolutie voorkomende, samenloop van omstandigheden, die alleen ’s mensen evolutietak affecteerde.

Darwin trachtte de grote verschillen tussen mensen en dieren te bagatelliseren door te tonen, dat elk verondersteld uniek vermogen van de mens in meerdere of mindere mate eveneens bij de hogere dieren aanwezig is. Hij noemde intelligentie, emoties, taal en morele waarden. Voor al deze talenten ontwikkelde hij wegen waarlangs de evolutie ervan mogelijk gegaan is. Tegenwoordig is men het erover eens, dat Darwin de dierenwereld al te anthropomorf benaderde in zijn pleidooi voor continuïteit in het evolutieproces. Puur instinctief gedrag, zoals het in de dierenwereld vaak voorkomende zich opofferen van de ouders voor de nakomelingschap, is natuurlijk niet te vergelijken met het menselijke altruïsme en het onderkennen van algemeen geldende morele normen en waarden.

Het ontstaan van de mens te verklaren uit een toevallige samenloop van omstandigheden viel in slechte aarde, zelfs bij Darwinisten zoals Lyell en Wallace. Lyell[6] ging ervan uit, dat de bijzondere eigenschappen van de mens ontstaan zijn door een reuzesprong voorwaarts in het evolutieproces, waardoor het leven op een hoger vlak kwam te staan. Maar Darwin wenste voor de mens geen uitzondering te maken op de algemene regel van een continu evolutieproces om alleen maar de traditionele visie op de uniciteit van de mens te kunnen handhaven. Wallace betwijfelde, of natuurlijke selectie alléén verantwoordelijk kon worden gesteld, niet alleen voor geestelijke eigenschappen, zoals schoonheidszin, maar zelfs voor sommige fysieke, zoals het soms ontbreken van haar op het lichaam. De aanwezigheid van zulke eigenschappen kan alleen maar geheel natuurlijk verklaard worden als de evolutionist kan aantonen, dat die van nut zijn geweest voor de primitieve mens. Wallace refereerde hierbij naar zijn eigen ruime ervaringen met primitieve stammen in onderontwikkelde landen. Andere evolutionisten zagen de primitievere beschavingen van zulke volksstammen als het logische gevolg van hun biologische inferioriteit. Wallace’s ervaringen echter wezen erop, dat deze ‘wilden’ even grote mentale waarden hadden als blanken, alleen hadden ze nog nooit gebruik gemaakt van deze capaciteiten, en een eigenschap kan niet uitgeselecteerd worden als ze niet gebruikt wordt. Als men ervan uitgaat, dat alle mensen eens in even primitieve omstandigheden leefden, kan men de vele eigenschappen die de moderne mens van de primitieve mens onderscheiden niet door natuurlijke selectie verklaren, wat immers een puur utilitaristisch proces is. Voor Wallace was het duidelijk: de één of andere bovennatuurlijke macht is werkzaam geweest bij de laatste stappen van de humane evolutie, die hebben geleid tot de ontwikkeling van onze mentale en spirituele kwaliteiten. Door zijn ervaringen met moderne primitieve stammen zag Wallace ook de onjuistheid in van het met elkaar in verband brengen van technologische achterstand en vermeende biologische minderwaardigheid. En de graaf van Argyll wees erop, dat technologische vooruitgang – wat het enige is wat de archaeologen over de geschiedenis van de mensheid hebben aangetoond – nooit gebruikt kan worden als bewijs van mentale of morele progressie. De mens in de praehistorie kan even menselijk zijn geweest als de mens in deze tijd. De these, dat culturele vooruitgang niet samenhangt met de biologische evolutie van de mens is het uitgangspunt van de moderne anthropologie geworden. Mijns inziens wordt in dezen niet consequent doorgeredeneerd, wordt hier ten onrechte de culturele activiteit van de mens losgemaakt van het de totale natuur, dus ook de mens, doortrekkende biologische evolutieproces.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



[1] J.C. Greene: ‘Science, Ideology and World View: Essays in the History of Evolutionary Ideas’; Los Angeles/London (1981)

[2] Deze Spencers combinatie van evolutionisme en utilitarianisme en laissez-faire, deze propagering van individueel geluk, die, ondanks het feit dat Spencer in biologisch opzicht een Lamarckist was, bekend is geworden onder de benaming ‘sociaal Darwinisme’, gaf aanleiding tot ongeoorloofde handelspractijken en oneerlijke concurrentie. Per slot van rekening was de wet van de vrije mededinging uiteindelijk niet zozeer economisch, dus normatief, als wel biologisch, dus deterministisch van aard. Zo bracht de evolutieleer ieders geweten tot rust. Het kwade kon goed genoemd worden. Summer, ‘de Darwin van de sociale wetenschappen’, drukte heel goed uit wat de nieuwe leer inhield toe hij beweerde, dat ‘de mensen, zolang zij vochten voor roem en uit hebzucht, wraakzucht en bijgeloof, bouwden aan de menselijke samenleving’ (‘Summer To-day. Selected Essays of W.G. Summer’, p. 126 (1940)). 

[3] F.M. Turner: ‘Between Science and Religion: the Reaction to Scientific Naturalism in Late Victorian England’; New Haven and London (1974)

[4] Ch. F. O’ Brien: ‘Sir William Dawson: a Life in Science and Religion’; Mem. Am. Phil. Soc. 84 (1971)

[5] Zo filosofeerde C. Lloyd Morgan (1927), dat de natuur het vermogen heeft om op bepaalde punten in het evolutieproces, wanneer een bepaalde mate van organisatie is bereikt, totaal nieuwe eigenschappen te doen ontstaan, eigenschappen waarvan het verschijnen niet kon worden voorspeld wanneer uitgegaan wordt van vroegere organisatieniveaux. Het leven zelve is zulk een eigenschap, die plotseling verschenen is toen levenloze materie eenmaal een bepaalde complexiteit had bereikt, en de menselijke geest, die ontstaan is toen het leven eenmaal een bepaald organisatieniveau had bereikt, als een onverwacht product van biologische evolutie. Vanwege deze latente aanwezigheid van hogere eigenschappen kan dus gesteld worden, dat de natuur een geestelijk doel heeft. Deze filosofie is bekend onder de benaming ‘emergentiefilosofie’.  

[6] M. Bartholomew: ‘Lyell and Evolution: an Account of Lyell’s Response to the Prospect of an Evolutionary Ancestry for Man’; Brit. J. Hist. Sci. 6: pp. 261-303 (1973)