Thuispagina » Artikelen » Wijsbegeerte van de biologie » Het evolutionisme reformatorisch-wijsgerig beschouwd » 9. De visie van prof. dr. H. Dooyeweerd op de evolutieleer

De visie van prof. dr. H. Dooyeweerd op de evolutieleer

Hoofdstuk negen

DE VISIE VAN PROF. DOOYEWEERD OP DE EVOLUTIELEER

9.1 Inleiding

 

Had ik in hoofdstuk zeven in kort bestek Dooyeweerds filosofie uiteengezet en aangegeven, hoe deze zich verhoudt tot de evolutieleer en de evolutionistische levens- en wereldbeschouwing, in dit hoofdstuk komt de positie ter zake van Dooyeweerd zelve aan de orde. Belangrijke gedachten heeft hij ontsponnen in een bespreking van het boek ‘Creatie en Evolutie’ (1956) van prof. dr. J. Lever, bij leven hoogleraar dierkunde aan de Vrije Universiteit Amsterdam (en als zodanig opvolger van dr. J.J. Duyvené de Wit (zie hoofdstuk tien)), in Philosophia Reformata[1].

Het blijkt, dat Dooyeweerd, ook in 1959, trouw is gebleven aan de leer, die hij in de dagen van zijn jongelingschap heeft geconcipieerd. Zo acht hij de weg, die de in het vorige hoofdstuk behandelde Diemer betreffende het vruchtbaar maken van de structuurtheorie der WdW voor het biologisch soortbegrip is ingeslagen, de juiste.

 

9.2 Schepping en wording

 

Evenals Diemer (§ 8.9) onderscheidt Dooyeweerd tussen de schepping van de kosmos door God ‘in den beginne’ en het in de tijd plaatsvindende wordingsproces. Immers, wanneer God de kosmos gedurende een bepaalde tijd zou hebben geschapen (waarbij de scheppings’dagen’ letterlijk worden opgevat als perioden van 24 uur of als geologische tijdperken), dan gaat men ervan uit, dat de schepping een wetenschappelijk vaststelbaar historisch gebeuren in de tijd is. Maar ook de tijdsorde behoort tot de geschapen werkelijkheid, vertoont dus een modale verscheidenheid van aspecten en voor-onderstelt zodoende de schepping. Ten gevolge van dit niet in de tijd plaatsgevonden hebben van de schepping is het ons ook niet mogelijk om ons enig begrip of enige voorstelling van de schepping te vormen. En: ‘Dat in de H. Schrift ons Gods scheppingswerk wordt geopenbaard in menselijke, aan de creatuurlijke tijdsorde gebonden taal mag nimmer als argument worden gebruikt voor de conclusie dat dit scheppingswerk zelf in de creatuurlijke tijdsorde zou zijn geschied. De openbaring omtrent de schepping mag niet met de schepping worden vereenzelvigd. Die openbaring richt zich primair tot het menselijk hart, het religieuze centrum van ons bestaan (…)’[2]. Als Gods scheppend werkzaam zijn van dezelfde orde zou zijn als de schepping zelve, en beide zodoende in een tijdsmaat uit te drukken zouden zijn, dan is er ook geen ruimte meer voor de onderscheiding tussen schepping en creatuurlijke wording. Dooyeweerd betoogt daarentegen: ‘De gehele tijdelijke orde met het gehele wordingsproces dat zich daarbinnen zou voltrekken was ongetwijfeld in de schepping begrepen, maar slechts als creatuurlijk resultaat van Gods voltooide scheppingswerk’[3]. Dit impliceert, dat ook het gehele mensengeslacht ‘in den beginne’ reeds geschapen is. Gen. 2:7 getuigt hiervan: ‘alzo werd de mens tot een levende ziel’. De mens was er reeds, er wordt hier op anthropomorphe wijze gesproken over de wording van de mens op de aarde tot een tijdelijk levend wezen. ‘Of meent men dat de voltooiing van de schepping van de mens slechts op twee menselijke individuen (bedoeld zijn Adam en Eva, R.B.) zou slaan en dat hun nakomelingen niet in het voltooide scheppingswerk van God begrepen waren?’[4].

Dat men volgens Dooyeweerd onvermijdelijk verstrikt raakt in antinomieën (logische tegenstrijdigheden, zie de §§ 7.4 en 7.7) wanneer men de zes scheppingsdagen als tijdperken op gaat vatten volgt niet alleen uit het óók tot deze geschapen ervaringswereld behoren van de tijdsorde, waarbij de schepping vóór-ondersteld wordt, maar eveneens uit het volgens Gen. 1 pas op de vierde scheppingsdag ingesteld zijn van ‘vaste tijden, dagen en jaren’. Bovendien komt men dan niet uit met de zevende dag, waarop God rustte, ‘waarvan iedere interpretatie als etmaal of geologisch tijdperk tot blasphemie zou voeren’[5]. En tenslotte: als men Gods scheppingswerk opvat als iets wat in de tijd plaatsgevonden heeft, dan raakt men verstrikt in de modale verscheidenheid van aspecten, die aan de tijd te onderscheiden zijn (de tijd is immers ook geschapen). Immers, in de eerste scheppingsdagen, toen er nog geen levende organismen op aarde bestonden, zou er slechts sprake kunnen zijn van het geschapen zijn van de praebiotische aspecten van de tijd. Zodoende kan de objectieve tijdsorde niet langer in haar integrale en universele zin gelden, maar wordt men gedwongen aan te nemen, dat de modale aspecten van de tijd zelve achtereenvolgens op de verschillende scheppingsdagen, die een subjectief-tijdelijke duur in zijn integrale en universele zin moeten hebben gehad, zijn geschapen.

Het moge dus, dit alles overziend, duidelijk zijn, dat er in de optiek van Dooyeweerd een principieel verschil is tussen het theoretische, wetenschappelijke gezichtspunt en de concrete wijze, waarop de H. Schrift ons zulke feiten in de taal van de menselijke naïeve ervaring mededeelt. ‘De Woord-openbaring inzake de schepping ligt niet in het vlak der wetenschappelijk vaststelbare feiten en der wetenschappelijke begrippen. Zij heeft een volstrekt centrale, religieuze zin en is juist daarom op heel de empirische werkelijkheid in de orde van de tijd betrokken, zodat wij zonder haar die werkelijkheid nimmer in het juiste licht kunnen zien’[6].

 

9.3 Spontane generatie

 

Dooyeweerd wijst het evolutionistische dogma van de spontane generatie af[7]. Hij vindt de probleemstelling betreffende het ontstaan van ‘het leven’ een verkeerde, want zij gaat uit van ‘het leven’ als een substantief, als iets wat een zelfstandig bestaan zou hebben, los van levende organismen, hoe ver in het verleden het palaeontologisch fossielenmateriaal ook teruggaat. Volgens Dooyeweerd is ‘het leven’ echter geen entiteit (geen concreet ‘wat’), maar een zinmodaliteit, een zijnswijze, een modus, die niet te vereenzelvigen is met enig levend ‘iets’. Deze tijdelijke ervaringswereld heeft een organisch levensaspect. ‘Een ‘levend organisme’ is een typische totaal-structuur, die door het organische levensaspect is gekwalificeerd, maar waarin zich dit aspect slechts in onverbrekelijke samenhang met andere openbaart. Er kan binnen onze tijdshorizon geen enkel levend wezen bestaan of bestaan hebben dat in zijn biotisch aspect zou zijn opgegaan. Dit is reeds uitgesloten door de modale structuur van dit aspect, die in zijn retrociperende ofwel retrospectieve analogische zinmomenten naar alle kosmisch-tijdelijk vroeger gerangschikte aspecten terugwijst en deze dus voor-onderstelt’[8]. Dooyeweerd betreurt het, dat in de moderne biologie en filosofie uitsluitend over ‘het leven’ als een substantief gesproken wordt. ‘Wat men dan onder dit ‘iets’ verstond, ’t zij een ingewikkelde eiwitstructuur, ’t zij een onzichtbare entelechie, een immateriële substantie, die richtend inwerkt op een mechanische materieconstellatie, ’t zij een bijzondere levenskracht, ’t zij een zgn. biomolecuul, een ‘protomeer’, enz. enz., hing geheel af van de speculatieve visie op de werkelijkheid waarvan men uitging’[9].

Het is dus niet verwonderlijk, dat Dooyeweerd het mechanistische evolutionisme van Darwin en Haeckel, met zijn met het bijbelse scheppingsmotief onverenigbare humanistische religieuze grondmotief van natuur en vrijheid[10], verwerpt. Dit immers herleidt alle op het fysisch-chemische aspect binnen de kosmische tijdsorde volgende modale aspecten tot dit aspect en rekent niet met de individualiteitsstructuren, die ten grondslag liggen, naar de goddelijke scheppingsorde, aan alle organismen. 

Ook het reeds in hoofdstuk vijf genoemde emergentie-evolutionisme wijst Dooyeweerd af. Want enerzijds leert het de onderlinge onherleidbaarheid der organisatieniveaux, der ’Stufen’ der tijdelijke werkelijkheid, maar andererzijds wil het aan het mechanistische evolutionisme zover mogelijk tegemoet komen bij de verklaring van het evolutieproces (zie voetnoot 58 bij § 5.1). Dooyeweerd constateert in deze conceptie een antinomie tussen enerzijds de apriori aanvaarde discontinuïteit der verschillende Stufen, en andererzijds de continuïteit van hun realisering in het tijdelijke evolutieproces, die hij terug voert op het innerlijke conflict binnen het humanistische grondmotief van het emergentie-evolutionisme tussen natuur en vrijheid. ‘De evolutionistische beschouwenswijze bevindt zich immers in de greep van het klassieke, op autonome beheersing der natuur gerichte Humanistisch wetenschapsideaal, welks innerlijke continuïteits-tendens onverenigbaar is met de aanvaarding van de onherleidbare modale aspecten en structuurtypen. De idealistische theorie van een discontinue ‘Stufenbau’ van de werkelijkheid (…) daarentegen wordt (…) teruggevoerd op het vrijheidsmotief: de oorzaakloze ‘scheppende vrijheid van het zingevende ‘Weltsubjekt’’.

De eerdergenoemde voormalige hoogleraar dierkunde aan de V.U., wijlen prof. Lever, had een manier bedacht om evolutie van levenloze materie tot een levend organisme aan te nemen zonder de organische levensfunctie te herleiden tot fysisch-chemische materieprocessen. Hij nam namelijk aan, dat de biotische modaliteit weliswaar in materie-constellatiën altijd al aanwezig is geweest, ‘in den beginne’ al ingeschapen was, maar dat zij pas tot openbaring kwam, pas manifest werd, zich pas openbaarde in expansieve gestalte, nadat de interne fysisch-chemische structuur van de eerste op aarde verschenen organismen in gerichtheid op de biotische functie ontsloten is. Maar welke is dan de leidende functie in de anticiperende kosmische tijdsrichting, de primus inter pares onder de modale functies? De genetische orde in het feitelijke ontwikkelingsproces van een levend organisme leert volgens Dooyeweerd, dat het fysisch-chemische aspect juist ontsloten, juist rijkelijk verdiept wordt onder leiding van de biotische functie.

De enorme rijkdom aan zeer labiele organische stoffen komt alleen in levende organismen voor. Hun opbouw en afbraak vinden plaats in biochemische en biofysische processen, waarin de organische levensfunctie zelf de leidende en richtende rol vervult. ‘Deze processen spelen zich m.a.w. af binnen de typische totaal-structuur van dit organisme en kunnen dus nimmer dienst doen om het ontstaan van de organische levensfunctie in het grote evolutieproces onzer tijdelijke wereld duidelijk te maken’[11].

Tegenover deze evolutionistische pogingen om het ontstaan van ‘het leven’ te verklaren houdt Dooyeweerd, met Diemer, eraan vast, dat wij het antwoord op de vraag hoe het eerste organische leven ontstaan is apriori in Gen. 1 kunnen vinden. ‘Over het ontstaan van de eerste levende organismen op aarde weten wij (…) wetenschappelijk niets. Iedere evolutionistische hypothese ter zake, die dit ontstaan langs physisch-chemische weg tracht te verklaren, overschrijdt de grenzen der natuurwetenschap en beweegt zich op het gebied ener wijsgerige totaal-visie van het wordingsproces onzer wereld, die de modale grenzen tussen het aspect der energiewerking en dat van het organisch leven uitwist. Iedere concessie aan zulk een evolutionistische hypothese dient m.i. te worden vermeden, zelfs indien zij zo goed mogelijk wordt aangepast aan de door het bijbels scheppingsmotief beheerste leer van de modale aspecten en der individualiteitsstructuren onzer ervaringswereld’[12].

 

9.4 Het soortbegrip

 

Evenals Diemer gaat Dooyeweerd uit van de enorme verscheidenheid aan structuurtypen waarin planten- en dierenrijk in het tijdelijk wordingsproces geleidelijk zijn gerealiseerd. Die structuurtypen bezitten, zoals de WdW leert, transcendentaal wetskarakter, dragen als ordeningstypen noodzakelijkerwijze een constant en grondleggend karakter. Ze zijn geen individuele subjecten, die in het tijdelijke wordingsproces ontstaan – zoiets is ondenkbaar, onvoorstelbaar – maar maken juist onze ervaring van planten- en dierenwereld eerst mogelijk. Daarom ook tekent Dooyeweerd bezwaar aan tegen de vereenzelviging door het evolutionisme van de structuurtypen met groepen van levende organismen[13].

Het wetenschappelijk feitenmateriaal, waaruit blijkt, dat tot eenzelfde elementair stamtype (tot eenzelfde ‘soort’) behorende individuen daadwerkelijk structuurveranderingen kunnen ondergaan (als gevolg van mutaties) heeft uitsluitend betrekking op de realisering van dit meest elementaire structuurtype in planten en dieren, niet op de structuurtypen als wets- of ordeningstypen[14]. Dit materiaal laat zich dus niet gebruiken als bewijs voor het uit elkander ontstaan van elementaire stamtypen, uitsluitend voor de vorming van nieuwe variëteiten/variabiliteitstypen (rassen) binnen een bestaande ‘soort’. Door mutaties is het slechts mogelijk, dat één bepaald elementair stamtype zich op verschillende wijze realiseert in verschillende groepen van dieren of planten.

Ook bastaardering is verantwoordelijk voor het ontstaan van variatie binnen soorten, mits we met zgn. polytypische soorten te maken hebben, dus met soorten, die uit verscheidene rassen bestaan, namelijk d.m.v. het optreden van genetische recombinatie. Duyvené de Wit (zie het volgende hoofdstuk) acht dit zelfs het belangrijkste mechanisme voor micro-evolutie.

Overigens, de niet-bioloog Dooyeweerd vergist zich m.i. daar waar hij betoogt[15], dat mutaties slechts binnen polytypische soorten innerlijke structuurveranderingen in de genen, die op de volgende generatie kunnen worden overgedragen, kunnen veroorzaken. Mutaties kunnen altijd zulke blijvende veranderingen in genen veroorzaken. Wat wél alleen bij polytypische soorten mogelijk is, dat is het ontstaan, middels recombinatie, van nieuwe variabiliteitstypen (rastypen). 

In het licht van het bovenstaande verbaast het ons dan ook niet, dat Dooyeweerd de neo-Darwinistische beschouwingswijze van een variabiliteitstype als een soort-in-de-aanvang, als een ‘subspecies’, verwerpt[16]. Het bewaard blijven van de soortkenmerken bij rasvorming is duidelijk bewijs voor het ontstaan van rassen binnen soorten, maar niet voor het ontstaan van soorten uit rassen (soorten in de zin van elementaire stamtypen). Trouwens, het grote struikelblok van evolutietheorieën is volgens Dooyeweerd het feit, dat ze, door de structuurveranderingen in de chromosomen- en genenconstellatiën die ten gevolge van mutaties op kunnen treden te gebruiken als argument tegen het constant zijn der structuurtypen als ordeningstypen der individuele planten en dieren, een vast omlijnd soortbegrip niet kennen. ‘En als men geen eigenlijk soortbegrip heeft, dan heeft het, gelijk reeds Agassiz opmerkte, ook geen zin te zeggen, dat de soorten niet constant zijn’[17]. Het soortbegrip onderstelt dus volgens Dooyeweerd de constantie der soorten als de meest elementaire stamtypen van planten- en dierenrijk. Het wetenschappelijk soortbegrip is uit de aard der zaak altijd een begrip van iets constants. ‘Men kan wel zeggen dat het ordeningstype der soort impliceert de mogelijkheid van het voortbrengen van een vruchtbare nakomelingschap, maar dan met de restrictie: binnen de grenzen van hetzelfde ordeningstype. Het aan dit ordeningstype georiënteerde soortbegrip zal, hoe het ook in een ‘nieuwe systematiek’ nader zal worden gedefinieerd, daarom altijd aan het postulaat van de soort-constantie, in de zin van constantie van het ordeningstype der soort, gebonden blijven’[18]:

‘(…) de aanvaarding der soort-constantie is (…) de basis van de gehele biologische systematiek en is op hechte feiten gegrond, terwijl juist haar ontkenning op een dogmatisch evolutionistisch voor-oordeel berust, dat het systematisch feitenmateriaal op een wetenschappelijk onverifieerbare wijze interpreteerde’[19].

 

9.5 Het ontstaan van de mens

 

Met de kwestie inzake het ontstaan van de mens heeft het vraagstuk betreffende de verhouding van schepping en evolutie voor de christen-bioloog zijn meest critieke betekenis gekregen, omdat hier het centrale probleem ‘Wat is de mens?’ aan de orde komt.

Net zoals het vraagstuk van het ontstaan van ‘het leven’ buiten het biologisch ontwikkelingsbegrip valt, want in een biologisch ontwikkelingsbegrip is aanwezigheid van ‘leven’ voorondersteld, valt volgens Dooyeweerd de kwestie van het ontstaan van de eerste mens daarbuiten, want hoe een menselijke kiemcel van een nog niet menselijk ouderpaar zou kunnen afstammen acht Dooyeweerd biogenetisch onverklaarbaar. Wel kunnen de fossiele overblijfselen van prae-historische mensen en mensachtige wezens die de palaeontologie ons verschaft en de cultuurvoortbrengselen van die mensen die de archaeologie levert ons inzicht verschaffen in de ouderdom en de vroege geschiedenis van de mensheid.

De ‘mensachtige wezens’, waarvan (of van wie?) de fossiele resten naar hun ouderdom tot het Pleistoceen behoren, de periode van de vier ijstijden (Günz-, Mindel-, Riss- en Würmglaciaal) en de hier tussen liggende drie interglacialen, laten zich in vier hoofdgroepen indelen, nl. Pithecanthropus, Sinanthropus, Homo neanderthalensis en Homo sapiens diluvialis. Deze laatste, die gedurende het Würmglaciaal leefde en van wie de beroemde grottekeningen afkomstig zijn, is in elk opzicht als een volwaardig mens te beschouwen. Het evolutionisme zal voor zijn hypothese inzake een dierlijke afstamming van de mens uiteraard steun zoeken in anatomische overgangsvormen, waarvoor de fossiele resten van Pithecanthropus, Sinanthropus en de Neanderthaler mens zich bijzonder schijnen te lenen.   

Dooyeweerd nu is van mening, zich daarbij baserend op het in Levers eerdergenoemde boek ‘Creatie en Evolutie’ gepresenteerde feitenmateriaal, dat de nieuwe fossiele vondsten van de laatste tientallen jaren er duidelijk op wijzen dat het vermoeden, dat de diluviale mens via de Neanderthaler, de Sinanthropus en de Pithecanthropus van de mensapen afstamt, ongegrond is. En uit de fossiele resten der zgn. Australopithecinae zou blijken, dat de anatomische skeletkenmerken, die tot nu toe als criteria voor het mens-zijn gehanteerd werden, niet toereikend zijn om de vraag, of de gevonden fossielen van mensen dan wel van dieren afkomstig zijn, te beantwoorden. Hierbij haalt Dooyeweerd Lever aan, wiens boek ‘Creatie en Evolutie’ (1956) hij bespreekt: ‘Deze vondsten hebben de anthropologen zeer verrast. De oorzaak van deze verrassing ligt daarin, dat er overduidelijk uit blijkt dat wij niet van de recente mensapen of van hierop sterk gelijkende wezens afstammen, en tevens dat de typische menselijke trekken veel ouder moeten zijn dan men ooit heeft gedacht’.

Zodoende is de wetenschap aangewezen op archaeologische vondsten van producten van menselijke culturele activiteit ter bepaling van de ouderdom van de mensheid. De oudste cultuurvoortbrengselen nu dateren uit het vroege begin van het Pleistoceen. Aangenomen dat ze van mensen afkomstig zijn betekent dit, zo betoogt Dooyeweerd, dat er van de afstamming van deze vroegste mensen wetenschappelijk feitelijk niets bekend is. Want uit het aan het Pleistoceen voorafgaande Plioceen zijn ons geen restanten van wezens bekend, die naar de evolutionistische opvatting als voorouders van de mens in aanmerking komen (dit zouden dan mensapen moeten zijn).

In de optiek van de WdW is het onmogelijk, dat de mens van dierlijke wezens afstamt. Wél bestaan er belangrijke anatomische en physiologische verwantschapstrekken tussen de mens en de recente mensapen. De fossiele vondsten vaan de Australopithecinae ziet Dooyeweerd als bewijzen, dat er in het verleden zelfs wezen hebben geleefd die in dit opzicht nog veel meer op de mens geleken hebben dan de huidige mensapen, zelfs in zulk een mate, dat op grond van skeletresten niet meer te bepalen is of zij dieren of mensen waren. Dat die overeenkomsten tussen mensen en mensapen er zijn is geheel verenigbaar met de mensvisie van de WdW, die, uitgaande van het menselijke hart als het religieuze centrum, als de wortel-eenheid van het menselijke bestaan, de gehele tijdelijke existentievorm van de mens ziet als een integraal geheel, waarin een viertal individualiteitsstructuren enkaptisch vervlochten is, waarbij drie lager geordende individualiteitsstructuren (onder-structuren), t.w. de physisch-chemisch gekwalificeerde onder-structuur, de biotisch gekwalificeerde onder-structuur en de sensitief gekwalificeerde onder-structuur, in welke de mens deel heeft aan respectievelijk het stoffelijke rijk der anorganismen, het plantenrijk en het dierenrijk, met de door Dooyeweerd zo genoemde act-structuur zijner lichamelijkheid enkaptisch tot een vorm-totaliteit vervlochten zijn. Hieruit volgt, dat ook in de biotisch en de sensitief gekwalificeerde onder-structuren de menselijke lichamelijkheid grote overeenkomsten met die der mensapen vertoont. Maar het is niet één dezer onder-structuren, maar de boven genoemde act-structuur, die de menselijke lichamelijkheid kwalificeert. ‘Deze act-structuur nu is onlosmakelijk betrokken op de menselijke ik-heid als het religieuze centrum, waarvan alle tijdelijke innerlijke acten en deze acten tot uitdrukking brengende handelingen van de mens uitgaan. Haar realisering in het lichaam van de eerst op aarde verschenen mensen kan onmogelijk worden verklaard uit een structurele omvorming van een dierlijke erfmassa’[20]. En doordat binnen die act-structuur der menselijke lichamelijkheid de drie onder-structuren enkaptisch fungeren, vertonen ze daarin de typisch menselijke trekken, waardoor het menselijke lichaam als enkaptische structuur-totaliteit ook in zijn verwantschap met het dierlijke lichaam zijn principiële verschillen met dit laatste zal blijven vertonen. Want die act-structuur heeft de drie onder-structuren ontsloten, waardoor bv. de gevoelsfunctie, die in de sensitief gekwalificeerde onder-structuur der dierlijke lichamelijkheid de leidende rol heeft, ontsloten is tot logisch gevoel, machtsgevoel, taalgevoel, rechtsgevoel enz., allen van typisch menselijk karakter. Daarom verwerpt Dooyeweerd Levers hypothese dat de mens, net zoals ‘het organisch leven’ uit levenloze materie zou zijn ontstaan (zie § 9.3), uit het dier is ontstaan. Want zij impliceert, dat in een overgangsfase van dier tot mens de onder-structuren reeds ontsloten zijn, reeds gericht op de menselijke act-structuur, terwijl haar ontsluiting slechts kan geschieden in haar enkaptische functie binnen deze act-structuur, die dus reeds gerealiseerd zou moeten zijn. ‘De hypothese, die onderstelt dat de realisering der act-structuur eerst het resultaat zou zijn van de ontsluiting van de dierlijke onder-structuren, keert dus weer de ons alleen bekende genetische orde om en voert tot innerlijke antinomieën’[21]. ‘Wanneer de continuïteit in de evolutie van dier tot mens in deze hypothese zal worden gehandhaafd, dan moet de laatste haar toevlucht nemen tot ‘overgangswezens’, die niet meer dier, maar ook geen mens zijn. Maar niemand kan zeggen wat men daaronder zou moeten verstaan en met welke wetenschappelijke middelen hun eventueel voortijds bestaan hebben zou zijn vast te stellen. En de vraag hoe via zulk een overgangswezen een menselijk wezen zou kunnen ontstaan is m.i. niet minder onoplosbaar, dan die hoe bv. uit een bevruchte eicel van een vrouwelijke chimpansee een menselijk wezen tot ontwikkeling zou kunnen komen; een vraag die Lever zelf absurd noemt’[22].

Als de beste houding die men tegenover de vraag hoe de eerste mens in het tijdelijk wordingsproces is ontstaan kan aannemen ziet Dooyeweerd, vanuit wetenschappelijk oogpunt, die der docta ignorantia.

 

9.6 Besluit

 

Dooyeweerd ziet het dogmatische evolutionisme, zoals dit in de biologie als overheersende denkrichting tot ons komt, niet als een natuurwetenschappelijke, i.c. biologische, verklaring van het ontstaan en de ontwikkeling van ‘het leven’ en van de mens, die uitgaat van het natuurwetenschappelijke causaliteitsbegrip, maar als een filosofisch stelsel, dat zijn uitgangspunt heeft in een religieus bepaalde oorsprongsidee, maar dat zich aandiende onder het masker van een natuurwetenschappelijk causaliteitsbegrip, waardoor het zijn (pseudo-)wetenschappelijk aanzien kreeg. Want een waarlijk biologische theorie onderstelt de aanwezigheid van ‘leven’. Als aanhanger van de wijsbegeerte der wetsidee verwerpt Dooyeweerd deze evolutie-idee, omdat ze in beginsel geen grenzen tussen onderling onherleidbare modale aspecten en individualiteitsstructuren van onze ervaringswereld kan erkennen. ‘Het spreekt dus vanzelf dat ze ook alle na-biotische aspecten van onze ervaringshorizon onder het evolutionistisch gezichtspunt moet brengen en dat ze de dierlijke afstamming van de mens reeds a-priori impliceert’[23]. En alle structuurtypes poogt ze te herleiden tot genetische producten van in het evolutieproces steeds gecompliceerder wordende functionele fysisch-chemische relatiën, waardoor de evolutietheorie functionalistisch van instelling is, evenals het holisme (zie § 8.8.3). Hierdoor heeft de evolutie-idee volgens Dooyeweerd met het eigenlijke (onto-genetische) biologische ontwikkelingsbegrip niets te maken: ‘Want dit laatste impliceert dat datgene wat tot ontwikkeling komt, reeds in aanleg of potentie in de aanvangstoestand aanwezig is, en zich onder de daartoe noodzakelijke milieuvoorwaarden in een doelgericht proces uit deze aanleg ontvouwt’[24]. Maar dit op het modale biotische aspect betrekking hebbende ontwikkelingsbegrip kan slechts worden toegepast op door hun interne structuurtypen bepaalde individuele levende organismen. En Dooyeweerd komt dan tot dezelfde visie op de biologie als dr. Diemer: ‘Daarom is ook het eigenlijk biologisch causaliteitsbegrip slechts te hanteren in zijn betrokkenheid op de typische totaal-structuren van levende organismen en haar onderlinge vervlechtingen. Het kan nimmer dienst doen om de typische totaal-geaardheid van levende wezens uit een mechanisme van puur functionele factoren te verklaren’[25].

     

__________________________

[1] H. Dooyeweerd: ‘Schepping en Evolutie’; Phil. Ref. 24 (1959): pp. 113-159 (Schepping)

[2] A.w., p. 116

[3] T.a.p.

[4] T.a.p.; Zo bezien is ook inzichtelijk hoe het mogelijk is dat ieder mens in zonde ontvangen en geboren wordt, en hoe het mogelijk is, dat wij in Adam allen gevallen zijn, waardoor de erfzonde realiteit werd. En ook is nu het vers uit het Bijbelboek Spreuken duidelijk: ‘Van eeuwigheid aan ben ik geformeerd, van den beginne, eer de aarde bestond’ (Spr. 8:23).

[5] Schepping, p. 119

[6] A.w., p. 114

[7] Weliswaar hebben Darwin en met hem vele andere belangrijke evolutionisten nooit het bestaan van generatio spontanea geleerd, dit leerstuk dringt zich toch op wanneer men zijn hypothese consequent toepast, zoals Haeckel gedaan heeft. Men heeft deze halfslachtigheid Darwin c.s. ook verweten (Multatuli bv. (zie §4.5)).

[8] Schepping, p. 122, zie ook § 7.5

[9] T.a.p.

[10] L. Kalsbeek: ‘De wijsbegeerte der Wetsidee’; A’dam (1983): pp. 138-139

[11] Schepping, p. 128

[12] A.w., p. 129

[13] A.w., p. 141

[14] Door mutaties en recombinaties kan het elementaire stamtype op verschillende wijze in planten en dieren worden gerealiseerd, terwijl het zelf constant blijft. Er ontstaan dan van het elementaire stamtype verschillende genotypen. Zo kunnen door kweek- en kruisingsproeven fruitvliegen met verschillende oogkleur ontstaan (van het gen dat de oogkleur bepaalt bestaan verschillende allelen en door recombinatie kunnen nieuwe allelen (uit bestaande) ontstaan, waardoor na kruising nieuwe genotypen gerealiseerd (ontsloten) kunnen worden; zie ook de §§ 6.4, 7.9 en 8.7).

[15] Schepping, pp. 143-144

[16] A.w., p. 144

[17] A.w., p. 146

[18] A.w., pp. 146-147

[19] A.w., p. 147; In het licht van bovenstaande drukt Dooyeweerd zich in de eerste alinea van p. 145 van Schepping wat minder adequaat uit: ‘Vast staat in elk geval dat mutaties in genen, chromosomen, of in het gehele chromosomenpatroon op zich zelve geen soort-evolutie kunnen bewerken, maar haar veeleer tegenwerken, omdat zij bij onbeperkte vermenging van alle genotypisch verschillende individuen van een bepaalde soort  (cursivering R.B.) een zekere evenwichtstoestand in de verdeling van het gehele in aanmerking komende genenmateriaal (dit wordt ook wel de ‘kiemmassa’ van een populatie genoemd, R.B.) over deze individuen zouden moeten leiden. Daarom kan mutatie voor de huidige evolutietheorieën alleen in samenwerking met isolatie en selectie als soortvormende factor in aanmerking komen, waarbij dan de twee laatstgenoemde factoren het intreden van de hierboven bedoelde evenwichtstoestand moeten beletten’. Mijns inziens heeft Dooyeweerd in het eerste deel van deze alinea niet mutatie, maar recombinatie op het oog (zie ook het volgende hoofdstuk). En hoe kan Dooyeweerd in het tweede deel van de alinea spreken over een ‘soortvormende factor’? In zijn gedachtengoed is noch mutatie, noch recombinatie dat. Wat hij beschrijft, is het op micro-evolutionaire wijze plaatsvindende proces van rasvorming, waarbij t.g.v. in zeer uitzonderlijke gevallen binnen een bepaald milieu gunstiger dan het normaaltype uitvallende (punt)mutaties en/of (wat veel vaker voorkomt) t.g.v. gunstige genetische recombinaties nieuwe allelen van een bepaald gen(type) worden geselecteerd. En waarbij dan inderdaad bij voorkeur ook nog sprake moet zijn van geografische isolatie van een subpopulatie t.o.v. de hoofdpopulatie. Individuen van een bepaalde soort kunnen niet genotypisch van elkander verschillen (zie de cursivering), alleen phaenotypisch/variabiliteitstypisch/rastypisch. Het genotype heeft, als het elementaire stamtype, transcendentaal wetskarakter voor het micro-evolutionair, door puntmutaties en recombinaties o.i.v. milieufactoren aan de subjectzijde ontstaan van variabiliteitstypen, maakt dus het kunnen spreken over verschillende phaenotypen waarin individuen van eenzelfde soort (die dus hetzelfde genotype/elementaire stamtype bezitten, die dus behoren tot dezelfde typenkring, zij bezitten dezelfde soortelijke identiteit) van elkaar in bepaalde allelen verschillen mogelijk (welke allelen, van welke genen, men verkiest, hangt af van het soortcriterium dat men wenst te hanteren bij zijn taxonomie, bv. vorm of mogelijkheid van voortplanting). Bij eeneiïge tweelingen is er zelfs niet alleen sprake van het behoren tot hetzelfde genotype, maar ook van het bezitten van hetzelfde phaenotype. Maar eeneiïg of niet: individuen behorende to dezelfde typenkring, dus met dezelfde soortelijke identiteit, worden niettemin naïef ervaren als verschillende individuen, en wel op grond van een verschillende unieke identiteit, waar de biologische soortbegripsvorming ophoudt en alleen maar een intuïtieve grensidee van te verwerven is.       

[20] Schepping, p. 153

[21] A.w., p. 155

[22] A.w., pp. 155-156

[23] A.w., p. 148

[24] T.a.p.

[25] A.w., p. 149