Thuispagina » Artikelen » Wijsbegeerte van de biologie » Het evolutionisme reformatorisch-wijsgerig beschouwd » 6. De visie van dr. A. Kuyper op de evolutietheorie

De visie van dr. A. Kuyper op de evolutietheorie

Hoofdstuk zes

DE VISIE VAN DR. A. KUYPER OP DE EVOLUTIETHEORIE

6.1 Inleiding

 

Het doel van deze scriptie is weer te geven, hoe in gereformeerd Nederland het evolutionisme ontvangen en beoordeeld werd. De emancipatie van het gereformeerde volksdeel vond pas aan het einde van de negentiende eeuw plaats, en Abraham Kuyper was zijn leider en zegsman. Hij heeft door middel van zijn werken in hoge mate het denken van zijn mensen beïnvloed, niet in de laatste plaats dat van de grondlegger van de wijsbegeerte der wetsidee, H. Dooyeweerd, zoals ik in een volgende onderdeel zal aangeven. Daarom is het nodig, zich op de hoogte te stellen van Kuypers kijk op de evolutietheorie. Hij heeft zich hieromtrent geuit in een rede die is uitgesproken ter gelegenheid van de overdracht van het rectoraat van de Vrije Universiteit te Amsterdam op 20 october 1899 met als titel ‘Evolutie’[1].

 

6.2 Het evolutiedogma biedt eenheid van conceptie

 

In het eerste deel van zijn rede verklaart Kuyper de hoge vlucht die het evolutionisme heeft kunnen nemen en geeft hij aan waarom evolutionisme en christendom elkander zijns inzien niet kunnen verdragen. Was het aanvankelijk zo, dat men niet buiten het geloof in God om kon bij zijn levens- en wereldbeschouwing, dat tot dusverre de wetenschappers, of ze dat nu wensten of niet, zich genoopt zagen hun studieterrein te beperken tot het zintuiglijk waarneembare, het proefondervindelijke, om het psychische, het metafysische, over te laten aan religie en mystiek, in het laatste kwart der negentiende eeuw had de mensheid met het evolutiedogma de beschgikking over een alomvattende filosofisch stelsel, een uit één beginsel afgeleide levens- en wereldbeschouwing, dat, die met de pretentie optrad door middel van zijn, haar monistische mechaniek ‘heel den kosmos, en alle levensproces in dien kosmos, tot in zijn eersten oorsprong te verklaren’[2]. ‘Ook zij (de evolutionisten, R.B.) hebben thans op hun beurt een gronddogma en hangen aan dat dogma met een door niets te schokken geloof. ’s Menschen geest kan niet duurzaam buiten een antwoord op de vragen naar het ontstaan, het wezen en de toekomst der dingen. In het bezit van zulk een antwoord lag dusver onze sterkte tegenover het ‘non liquet’ der hoogere intelligentie. Maar juist dit voordeel is ons thans afgesneden[3]. Niet alleen de natuurwetenschap, ook de ethiek (Spencer met zijn ‘Data’) en de religie (Haeckel in zijn ‘Monismus von Religion und Wissenschaft’) worden vanuit evolutionistisch standpunt beschouwd. ‘Aldus werd het veld, waarover de Evolutie-leer haar lichtglans schitteren deed, steeds meer alomvattend. Steeds nieuwe provinciën van ons kosmisch leven werden onder haar scepter gebracht, en in elk gebied dat ze annexeerde, wekte ze den geest van dieper onderzoek, lokte ze navorschingen uit waaraan dusver niet gedacht was, en bracht ze eenheid in de vroegere détailstudie. Zoo kostelijke uitkomsten versterkten hand over hand het geloof, dat metterdaad in haar bezielde gedachte de waarheid ter verklaring van het heelal gevonden was. Al wat bestaat, in zijn oorsprong, wezen, vervorming en functie, uit één principe te verklaren, was het rijkste en meest volstrekte Monisme, waarin onze denkende geest ten slotte de zoo hartstochtelijk begeerde ruste vinden kon. En deze rust zou aldus aan onzen geest geschonken worden, niet gelijk eertijds door de denkgymnastiek der speculatie, die zich van de aarde ophief om in vogelvlucht het panorama te genieten, maar door uit te gaan van het nauwkeurigst natuuronderzoek en door steeds dieper in de mijn van het reëele leven te delven’[4]. Het is immers zo, dat de wetenschap een holistische gerichtheid, dus een gerichtheid op het geheel, heeft: ‘De drang naar wetenschap kan niet tot rust komen in de kennis van het enkele. Alle wetenschap wordt verteerd door den hartstocht naar het algemeene. De eenheid, en dus ook de drijvende levenswet in het bijzondere, is haar het brood, dat ze eten wil in het zweet haars aanschijns; en het moet toegegeven, het empirisch détail van de dusgenaamde ‘Sciences exactes’ liet haar verhongeren. De zoöloog, de botanicus, ieder natuurkundige had zijn privatief jachtveld. Van de voorhanden zijnde gegevens ging elk hunner als bestaande uit, en naar een diepere eenheid, die alle verschijnselen saambindt, werd niet gevraagd. Lamarck mocht getheoretiseerd, Goethe van een natuureenheid geprofeteerd hebben, onze natuurkundigen stoorden er zich niet aan, en ook de gangbare voorstelling onder het publiek stelde zich tevreden met een mystiek-tooverachtige idee van het ontstaan der dingen, waaraan alle diepere opvatting ontbrak. En dit juist heeft zich gewroken. De kennis van de enkele steenen en balken kon op den duur niet voldoen. De vraag moest, als bij Empedocles in de Grieksche philosophie, weer opkomen naar de architectonische structuur, waardoor uit die enkele steenen en balken een zoo schitterend gebouw was opgetrokken. Voeg hierbij nu den weerzin, die in wetenschappelijke kringen tegen het oppervlakkig wanbegrip van het wortelloze supranaturalisme al sterker toornde, als ook de irreligieuse neiging, die in het ontkomen aan den klem van de Goddelijke actie emancipatievreugde vond, en beide, zoo de aandrift, waaruit de Evolutie opkwam, als het doel, dat ze beoogde, worden u doorzichtig’[5]. ‘Voor een wetenschappelijke wereld, die door haar gemis aan geloof alle weelde der eenheid in détail verbrokkeling had zien ondergaan, en die toch heimwee naar eenheid in het hart bleef dragen, was metterdaad Darwin’s vondst, zoo niet het Heurêka, dat redding bracht, dan toch de Fata Morgana, die verrukte’[6].

Het evolutionisme is dus volgens Kuyper een wijsgerig stelsel, aangezien het de taak der wijsbegeerte is, de resultaten van de vakwetenschap samen te vatten en te integreren in een totaliteitsblik: ‘Ook wat de enkele wetenschappen vormden moet door resultaat of hypothese, groepsgewijze onder één hoofd, onder de heerschappij van één beginsel worden gebracht, en ten slotte treedt de philosophie uit haar tente, om al wat dusver groepsgewijze gevormd werd, als één organisch geheel in te denken. Eerst waar de eenheid van heel het kosmisch leven doorgluurd wordt, viert de Wetenschap haar hoogsten triomf[7]. Dit is in tegenstelling tot wat Kuyper in zijn ‘De Gemeene Gratie’[8] betoogt, namelijk dat door de zondeval niet alleen de gerichtheid van het wetenschap bedrijven van God af is gekeerd[9], maar ook, dat de structuur van de wetenschap is aangetast[10]: ‘De eigenlijke verduistering van de zonde ligt daarin, dat we de gave verloren om het ware verband, den juisten samenhang, het samenstel van het geheel der dingen te grijpen, en nu al wat zich aan ons voordoet, slechts uitwendig bezien, niet in zijn kern en wezen, en zoo ook elk ding op zichzelf, maar niet de dingen saam in hun verband en in hun oorsprong uit God. Dat verband, die samenhang der dingen in hun oorspronkelijk verband met God, kan alleen in onzen geest gevoeld worden (…) Welnu, die eigenschap bezat onze menschelijke geest in haar zuivere schepping, maar juist die eigenschap ging teloor, toen de zonde den levensband afsneed, die ons met God vereenigde (…) We zien wel de deelen, de stukken, de enkele elementen, maar we hebben geen oog voor den stijl van dezen tempel; we gissen zijn bouwmeester niet meer, en daarom kunnen we dien tempel der schepping niet meer verstaan in zijn eenheid, oorsprong en bestemming (…) Blind voor God en Goddelijke dingen (…) beduidt dan ook dat we niet meer in staat zijn, om in den schepping zelve den samenhang der gedachten Gods waar te nemen, het geheel van de schepping te doorzien, en ons van het plan van die schepping een heldere voorstelling te vormen, en dat we daarom niet tot ware wetenschap geraken kunnen[11].

 

6.3 De onaanvaardbaarheid van het evolutiedogma voor het christendom

 

Volgens Kuyper wordt het nieuwe evolutiegeloof ‘op de hielen gevolgd door de schim der Decadentie’[12]. Het evolutiedenken stimuleert en cultiveert door zijn ‘struggle for life’-concept allerhande slechte neigingen van het mensenhart: Bismarckisme, Caesarisme, geldzucht, zinnendienst, materialisme. Het recht van de sterkste is het enige wat geldt. Daarom is Nietzsche ook volkomen consequent als hij het christendom fel bestrijdt. Christus immers zoekt het verlorene en ontfermt zich over het zwakkere. ‘Immers, het Evolutie-dogma verschoont de gewelddadige te-niet-doening van het zwakkere niet slechts, maar stelt ze principiëel aan den sterkere ten plicht’[13]. Daarom zijn het christendom en de evolutietheorie onverzoenlijk: ‘Over de klove, die tusschen het dogma der Triniteit en het pseudo-dogma der Evolutie gaapt, valt geen brug te slaan. Christelijke religie en Evolutie-leer zijn twee over en weer elkaar uitsluitende systemata. Antipoden tusschen welke noch zoen noch vergelijk denkbar is’[14]. Het individu telt in het evolutiedenken niet, alles is gericht op het behoud van de soort: ‘Selectie doelt op soortbehoud, Electie is verkiezing van personen[15]. Het evolutionisme is een puur mechanische wereldbeschouwing, het kent geen geest die vormt, drijft of heerst, is dus volkomen a-teleologisch. Het evolutiedogma ‘pronkt met valsch etiket’[16], want het weet van evolvere, d.i. ontplooiing, in eigenlijke zin niets. Kuyper betoogt: ‘Veeleer wordt principiëel door dit dogma alle praeformatie, d.i. alle heerschappij van een plan, in den bloemknop van het leven ontkend. Ontplooiing is een organisch begrip, maar het Evolutie-dogma duldt van den aanvang tot den einde niet anders dan mechanische werking’[17]. ‘Atomistisch, en in verband hiermede, louter mechanisch, wil evenals Epicurus, ook de Evolutie-leer den oorsprong en het wezen en het bestaan van al wat aanzijn heeft, verklaren’[18]. Kuyper hekelt dan ook veler ambivalente houding: ‘En als men nog telkens stuit op mannen, die op het brede veld der natuur Evolutionist, maar op ethisch gebied Stoïcijn willen wezen, dan heeft men niet anders te doenn met geestelijke amphibiën, wien zelfs het besef van hun innerlijke tegenstrijdigheid ontgaat. Juristen, die op gelijke manier voor pantheïstische rechtsontplooiing ijveren, en zich daarnevens een evolutionistische voorstelling van den bouw van het heelal vormen, zijn met even gevaarlijke antinomie behept. En, om niet meer te noemen, geschiedkundigen, die zich de geschiedenis als een zich voor ons oog ontrollend proces, in pantheïstischen trant, denken, en nochtans van hun dwepen met Darwin en Haeckel geen geheim maken, verraden even stuitend gemis aan eenheid van conceptie. De Zweck-theorie, het onbewust streven van het al naar de verwezenlijking van een mystiek gezet doel, is op en top pantheïstisch, maar met het Evolutie-dogma in lijnrechte tegenspraak. Hij kent eenvoudig het Evolutie-dogma niet, die nog waant dat er op welk punt ook van den phylogenetischen weg, van Zweck, van doel, of van een drijvende en beheerschende idee sprake kan zijn. ‘Die Mechanik des Weltalls’, de titel van Dr. Zehnders schrandere studie, is metterdaad de eenig juiste formule voor het Evolutiebegrip, en Dr. Haeckel heeft niet geaarzeld het onverbloemd uit te spreken: ‘Die Weltgeschichte mus sein physikalisches chemisches Process sein’[19].

Kuyper geeft toe, dat het Darwinisme aangezet heeft tot veel nieuwe studie en veel waardevol feitenmateriaal heeft opgeleverd, en zo ons begrip van de natuur vergroot heeft, maar ‘Alleen maar dee kennis dier ontsluierde feiten en het Evolutie-dogma, dat er valschelijk uit gedistilleerd werd, mogen daarom nog niet vereenzelvigd worden. De empirie en de daarop gebouwde theorie zijn ook hier scherp te onderscheiden. Ook hier zijn de daadzaken en de opvatting van die daadzaken twee’[20]. Een ieder dient naar Kuypers inzicht voor zichzelf na te gaan, of hij de met de natuurwetenschappelijke feiten geconstrueerde theorie aanneemt of niet. De evolutieleer tracht het hogere organische uit het lagere anorganische te verklaren. ‘was nu het kenmerk dier lagere orde het Mechanische, dat van die hoogere orde het Organische, zoo is de Evolutieleer kortelijk aan te duiden, als de theorie die het organische van het mechanische verslinden laat’[21]. Daarom is ze ook principieel a-teleologisch, ontkent ze het bestaan van enigerlei bovennatuurlijke macht die de natuurlijke ontwikkeling leidt. Kuyper citeert dan de evolutionist Georg John Romanes: ‘Onze theorie zoekt alle verschijnselen in de organische natuur onder hetzelfde gezichtspunt te brengen, als de daadzaken der anorganische natuur, en als zij dat doel niet volkomen bereikt, zoo heeft ze tot niets gediend, dan tot het maken van veel opschudding in de denkwereld’[22].

 

 

6.4 Weging der ter adstructie van de evolutietheorie aangedragen natuurwetenschappelijke argumenten

 

Kuyper gaat vervolgens over tot een meer inhoudelijke bespreking van de natuurwetenschappelijke argumenten die ter adstructie van de evolutietheorie worden aangedragen. Om te beginnen is daar de parallel die getrokken is tussen kunstteelt van dieren en planten en natuurlijke selectie. Is bij de kunstteelt selectie het werk van de boomkweker of dierteler, in de natuur vindt ze plaats door middel van de ‘struggle for life’, waarin de best toegerusten hun gunstige erfelijke eigenschappen in hogere mate kunnen doorgeven aan hun nageslacht dan de minder goed aan het milieu aangepasten. ‘En zo scheen het verklaard, hoe, mits de tijdsruimte zonder grens werd genomen, dank zij deze Selectie, die gtevolg van de struggle for life was, telkens rijkere en sterkere formatiën, zoo in het plantenrijk als in het dierenrijk optraden’[23].

Met behulp van dit stelsel was men in staat om allerhande structuren, waar men voorheen geen raad mee wist, te verklaren. Dit zijn de zgn. rudimentaire organen, die eens hun nut hadden in de strijd om het bestaan, maar nu waardeloos en gedegenereerd zijn. En in de verschillende maten van complexiteit van fossielen in opeenvolgende aardlagen zag men en getuigenis van de wijze waarop het leven zich miljoenen jaren geleden ontwikkeld heeft.

Kuyper betoogt dat, ondanks de grote opgang die ze gemaakt heeft ‘in alle vak van wetenschap’, de evolutiehypothese een veel zwakker fundament heeft dan menigeen wel denkt. Voor evolutie door natuurlijke selectie in de strijd om het bestaan is het namelijk een vereiste, dat het ontstaan van variatie, alsmede de overerfbaarheid van die variatie, louter mechanisch verklaard worden, wil heel het stelsel niet als een kaartenhuis ineen storten: ‘Liet men toch óf die individualisatie óf die overerving, hetzij onverklaard rusten, hetzij beheerschen door een inwonend organisch principe, dan zou, gelijk de kenners dan ook onvoorwaardelijk toegeven, heel de voorstelling, alsof de kosmos door louter mechaniek uit atomen ontstaan was, blijken een wreede illusie te zijn geweest’[24]. Kuyper aanvaardt het bestaan van variatie (‘individualisatie’) en de overerfbaarheid daarvan als feitelijke waarheden, maar ‘over de verklaring dier feiten loopt het geschil, en de voor het Evolutie-dogma beslissende vraag is, of het ook deze beide feiten, en dat wel louter mechanisch, verklaren kan. Zoo ja, dan is men er. Zoo niet, dan is het spel dezer theorie voor goed gebroken’[25]. Kuyper gaat vooral in op het vraagstuk van de overerving, dat hij de Achilleshiel voor het evolutionisme noemt, daar de strijd zich de laatste jaren het meest hierop heeft geconcentreerd, en bespreekt kort het ontstaan van variatie[26]. Op vele manieren heeft men de overerfbaarheid van genetische variatie trachten te verklaren, zonder dat men eruit kwam. Kuyper laat de verschillende, in de loop der tijd geponeerde theorieën, alsmede de erop geuite critieken, de revue passeren, waarbij hij begint met de zgn. Pangenesis-theorie van Darwin zelf. Volgens deze theorie produceert elke cel van een organisme en elke trek van de geest zgn. pangenen of gemmulae, die in het lichaam omzwerven en uiteindelijk bij de voortplanting via het sperma of de eicel op het nageslacht worden overgebracht, waar ze verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van de structuur of geestestrek door welke ze geproduceerd zijn. Maar al bij het openbaar worden van dit Darwins gedachtenspinsel werd het naar het rijk der fabelen verwezen, aangezien nog nooit pangenen zijn waargenomen, en aangezien ze, zo ze al bestonden, nooit langs enkel mechanische weg te rangschikken zijn ter voortbrenging van een nieuw organisme.

Haeckel stelde zijn theorie van de Perigenesis voor Darwins Pangenesis-theorie in de plaats, waarbij hij uitging van zijn Plastidulen-hypothese: het plasma dat van de ene generatie op de andere wordt overgebracht, bestaat uit zeer vele plasmatische moleculen, zgn. plastidulen. Deze plastidulen zijn omgeven door een waterbel waardoor elke plastidule een eigen karakteristieke golving heeft. In deze eigenaardige golvingen, die met het plasma worden overgedragen, ligt de mechanische oorzaak van het op elkaar lijken van twee opeenvolgende generaties, niet alleen in lichamelijk opzicht, maar ook v.w.b. geestelijke eigenschappen. Volgens Haeckel hebben ook plastidulen verstand, wil en geheugen.

Haeckels vondst werd even onbarmhartig onthaald als die van Darwin. Dr. Otto Zacharias zei ervan: ‘Een theorie als die van de Perigenesis der Plastidulen is een ontsporing van het gezonde mensenverstand. Logisch onhoudbaar, is ze wetenschappelijk zonder waardij[27].

Een derde theorie om de overerving te verklaren is die van de botanicus Carl Nägeli, de Idioplasma-theorie. ‘Onder idioplasma verstaat Nägeli dat deel van het plasma, dat niet tot voeding dient, maar den aanleg van het wezen in zich draagt, en dat idioplasma is z.i. gedeeld in groepen van Micellen. Enkele dier groepen besturen de overigen in haar bewegingen, en in deze dirigeerende Micellen-groep woont een innerlijke drang naar hoogere volkomenheid, die tegelijk wat was in stand houdt en het bestaande in zijn ontwikkeling verder leidt’[28]. Maar ook deze theorie verwierp men. Dr. Eimer uit Jena oordeelde, dat Nägeli veel te veel speculeert en veel te weinig met feiten staaft. En Haeckel betitelde de theorie als ‘phantasiereiche metaphysische Speculationen’[29]. At de belangrijkste factor is die haar voor de evolutionisten onacceptabel maakt is die ‘innerlijke drang naar hoogere volkomenheid’ die in de leidinggevende Micellen-groepen huist en dus een organische factor is, waardoor de idioplasma-theorie teleologisch is.

Daar is August Weissmann met zijn ‘Keimplasma-theorie’[30], volgens welke er somatisch plasma is en Keimplasma, dat verantwoordelijk is voor het ontstaan van een nieuw individu, en dat nieuwe individu kan op zijn beurt weer dat Keimplasma op volgende generaties overdragen. Op deze ‘Continuität des Keimplasma’s’ berust de overerving. Erfelijkheid van verworven eigenschappen – Lamarckisme – is in deze visie dus onmogelijk. Weissmann kwam er rond voor uit, dat de kosmos niet louter mechanisch is te verklaren: ‘Es ist unabweislich ein teleologisches Princip neben dem blossen mechanischen an zu erkennen’[31]. ‘Die Verbindung aller Kräfte zu dem groszen Weltmechanismus stellt ein Weltmechaniker voraus’[32], natuurlijk de reden, dat mensen als Eimer en Haeckel de theorie moesten verwerpen.

Verder beschreef Kuyper nog Hugo de Vries’ intracellulaire Pangenesis-theorie[33] en een theorie van de Wener Max Kassowitz[34]. Maar telkenmale faalt men een volledig mechanische theorie te construeren ter verklaring van de wijze van overerving van genetische eigenschappen, wat Kuyper ertoe brengt uit te spreken, ‘dat het niet te sterk gesproken is, zoo ik zeg, dat het monistisch mechanisme der geheele Evolutie-leer in haar Achilleshiel er doodelijk door is getroffen. Ze kan het alles beheerschende feit der overerving voor den opbouw van haar kosmos niet missen, en op dat feit der overerving breekt haar monistisch-mechanisme als een zeepbel. Is toch eenmaal op dit punt de heerschappij van een onstoffelijk principe, van een Weltmechaniker of van de formatie naar een idee, een onafwijsbare noodzakelijkheid gebleken, dan treedt hierin naast het mechanisme een organische factor op, en blijkt zoowel het absolute Mechanisme als het strakke Monisme een hersenschim’[35].

Voor wat betreft het ontstaan van variatie bij de individualisering ziet Kuyper de evolutionisten met al even grote problemen geconfronteerd: ‘Vanwaar deze variatiën, die in het systeem der Selectie geacht worden telkens nieuwe aanwinste bij de geprivilegiëerde individuen met zich te brengen?’[36]. Bovendien is het, wil men iedere vorm van plan of doel buitensluiten, noodzakelijk, dat deze variaties per toeval optreden. Maar, vraagt Kuyper zich af, hoe is het dan ooit mogelijk, dat de gewervelde dieren symmetrisch zijn aangelegd? En over het oog: ‘En indien nu de pigmentvlek links, altoos verzeld gaat van een pigmentvlek rechts, en door gelijk proces uit beide pigmentvlekken een schier analoog oog ontstaat, van waar komt het dan, dat twee geheel onafhankelijke ‘variations-inkrementen’, in juiste proportie en zuiver symmetrisch, tot gelijk resultaat hebben geleid? Hier kan de τνχη der mechaniek geen antwoord geven. Hier is geen vrije variatie, maar en variatie die beide malen aan een zelfden determinant of wet of regel is onderworpen, en mechanische variatie door Selectie laat immers geen praeformeerenden regel toe’[37].

Ook het utilitaristische natuurlijke selectiemechanisme becritiseert Kuyper. Hij brengt naar voren, dat een bepaalde structuur geen nut heeft, dus geen voordeel oplevert in de strijd om het bestaan, zo ze er niet volledig is, waarbij hij het voorbeeld van een gevleugeld individu gebruikt, dat weliswaar in de strijd om het bestaan bevoordeeld is ten opzichte van zijn vleugelloze soortgenoten, maar: ‘Eerst zijn er niet twee vleugels, maar niets dan twee schier onzichtbare stompjes of bultjes, waaruit later de vleugels links en rechts moeten opduiken. Wat nut heeft nu voor dien vleugelcandidaat dit paar kleine bultjes? En hoe kan dit paar bultjes hem in de struggle for life den voorrang boven den bultelooze geven? Eer, zou men zeggen, moeten die twee onoogelijke stompjes op den rug hem bij de sexual-selectie achteruit hebben gezet’[38].

De ‘catacomben der fossiele wereld’ hebben aan de wetenschap niet prijsgegeven wat ze moesten prijsgeven. Van geen enkele plante- of diersoort heeft men een reeks van fossiele overgangsvormen gevonden. ‘De Darwinisten zelven vinden geen woorden genoeg om de ‘Lückenhaftigkeit’ der begraven levenswereld te bewenen’[39].

Met nog minder recht dan op het fossiele getuigenis kunnen de evolutionisten zich volgens Kuyper beroepen op de kunstteelt. Want de verkregen variatie – hoe rijk ook – blijft binnen de grenzen van de soort. Nog nooit is er middels kunstteelt een nieuwe soort ontstaan. Wat op artificiële wijze door de teler en kweker bij een soort kan worden bewerkstelligd, namelijk het ontstaan van pluriformiteit binnen een soort, kan in de natuur door het mechanisme van de natuurlijke selectie worden bereikt. Maar meer ook niet. ‘Zelfs in de wereld der bacteriën houden de kundigste bacteriologen staande, dat de afleiding van de species uit één grondtype ondenkbaar is’[40]. In dezen stemt Kuyper overeen met Agassiz’ en Cuviers opvatting, dat de verschillende plante- en diersoorten onveranderlijke entiteiten in Gods scheppingsplan zijn. Ook zij wezen veranderlijkheid van soorten door middel van natuurlijke selectie van de hand.

Tenslotte gaat Kuyper nog in op het ontstaan van het leven, de zgn. Urzeugung. Voor een mechanische wereldbeschouwing is spontane generatie, dat wil zeggen het chemisch ontstaan van leven uit levenloze materie, een vereiste, want ‘men kan niet uitgaan van een geschapen groep Moneren, waaruit door Selectie allengs cytoden en kerncellen als protisten, en wat uit deze allengs is opgebouwd, voortkwamen. Dan toch bleef het uitgangspunt een wonder, en de klove tusschen de anorganische en de organische wereld absoluut’[41]. Maar tot dusverre zijn de vele pogingen tot het maken van leven in het laboratorium mislukt, ‘zoodat nog aldoor het fundament aan heel den bouw ontbreken blijft[42].

Na deze weging van de belangrijkste natuurwetenschappelijke argumenten die ter ondersteuning van de theorie worden aangedragen, evalueert Kuyper het geheel. Om te beginnen merkt hij op, dat de evolutiehypothese veel goeds heeft gebracht. Zo heeft ze bijvoorbeeld accurate studie der natuur in de plaats gesteld van de speculatie van weleer, en heeft ze eenheid gebracht in de tot dusverre ordeloze grote hoeveelheid los feitenmateriaal. Maar de evolutietheorie kan niet pretenderen ‘de verklaring van het wereldraadsel gevonden te hebben’[43], en beweren, dat de kosmos geen bouwplan heeft: ‘Alle ook maar eenigszins voldingend bewijs, dat de kosmos aldus mechanisch zichzelf vormde, ontbreekt’[44], zoals uit het voorgaande bleek. ‘Sterker nog, niet alleen ontbreekt het bewijs, dat het zóó liep, maar zelfs als hypothese, dat het zoo zijn kon, heeft de Evolutieleer fiasco gemaakt’[45]. Net als de eerder genoemde G.J. Dozy vond Kuyper de evolutieleer dus te hypothetisch en te speculatief. En de aanhangers van de evolutietheorie hebben zelf erkend, dat het belangrijkste evolutiemechanisme, het utilitaristische natuurlijke selectieprincipe, ‘slechts een deel der verschijnselen verklaart en dat andere niet louter mechanische krachten zijn te hulp te roepen’[46].

Als nu toch de aanhangers van de evolutiegedachte beweren, dat de theorie ruimschoots bewezen is, en ‘dass jede unbefangene und vorurtheilsfreie Naturforscher, welcher gesundes Urtheil und die genügende biologische Vorkenntnisse besitzt’[47], met hen accoord móet gaan, ‘daar staan we niet meer voor een theorie, noch voor een hypothese, maar voor een wezenlijk Evolutie-dogma. Een dogma dat ik daarom als pseudo-dogma brandmerkte, omdat de autoriteit die het dogma stellen kan, op wetenschappelijk erf ten eenenmale ontbreekt’[48].

 

6.5 Critiek welke Kuyper op het evolutiedogma levert vanuit esthetisch, ethisch en religieus oogpunt

 

6.5.1 Inleiding

 

In het laatste deel van zijn rede becritiseert Kuyper het evolutiedogma vanuit geestelijk standpunt. ‘Maar wat ik voor de sfeer van het geestelijke vindiceer is de zelfstandigheid van karakter, is een eigen principe, en diesvolgens het recht om tegen elk absoluut mechanisch, d.i. atomistisch stelsel, niet alleen bedenkingen in te brengen, maar er van eigen standpunt critiek op uit te oefenen’[49]. Hij behandelt achtereenvolgens de esthetica, de ethiek en de religie.

 

6.5.2 Critiek vanuit de esthetica

 

Men heeft getracht, om zijn mechanische wereldbeschouwing te kunnen handhaven, het esthetisch schoon uit het nut te verklaren, door te redeneren, dat de mooier en feller gekleurde planten en dieren van een bepaalde soort vanwege de sexual selection in hogere mate zich voortplanten dan de in dit opzicht minder gezegenden. Maar, in analogie aan het nuttigheidsprincipe, geldt hier, dat een structuur niet sierlijk is, tenzij ze er volledig is. En verder, sexual selection gaat in de lagere dierenwereld niet op. En sexual selection veronderstelt schoonheidszin, wat dan óók mechanisch verklaard moet worden. En wat voor nut heeft het, dat men genieten kan van en mooi landschap, van de sterrenhemel en wolkenpartijen. Voor al deze problemen hebben de evolutionisten volgens Kuyper een mechanische oplossing aan te dragen. De evolutionisten zochten een uitweg in het subjectivisme: al het genieten van schoonheid is slechts subjectieve gewaarwording, en zegt ons niet of iets ook werkelijk objectief schoon is. Maar, ‘de vlucht in de tent van het subjectivisme’ baat niet. Die subjectieve gewaarwording moet de evolutieleer ons immers mechanisch kunnen verklaren, ‘of haar Monisme is om koud’. ‘En al wat haar daarom rest, is de aesthetische lijn tot in de Moneren te vervolgen, en ons diets te maken dat in een plastidule  niet alleen verstand, wil en geheugen, maar ook schoonheidszin aanwezig was, schoonheidszin chemisch gewekt door de golving of de uitstraling of de trilling van moleculen of van de waterbel die ze omringt. En zelfs dan is ze er nog niet, want ook dan moet ze nog aantoonen, hoe de alzoo gewerkte gewaarwording met de objectieve wereld, om schoonheid te kunnen genieten in verband staat. Overmits nu de Mechanik des Weltalls, noch tot het ééne noch tot het andere in staat is, zoo volgt dat óf ter wille van de Evolutieleer het gebied van het aesthetische nar het rijk der inbeelding zou moeten worden verwezen, of wel, dat zoo het aesthetisch schoon èn subjectief èn objectief onloochenbare existentie bezit, de aesthetiek de Evolutie-hypothese op het krachtigst veroordeelt’[50].

 

6.5.3 Critiek vanuit de ethiek

 

Ook de ethiek moeten de evolutionisten verklaren als louter mechanisch te zijn ontstaan, ‘in aansluiting aan de levensbewegingen in de planten- en dierenwereld’, ‘uit de physische en chemische werkingen der anorganische elementen’[51], waarbij er geen teleologische norm f strekking een rol speelt, en waarbij zij per toeval een hogere organisatiegraad bereikt. Plichtsbesef, zonde en schuld, volgens de belangrijke evolutie-ethicus Spencer, zijn dwalingen, want ze suggereren het bestaan van ‘een hoogeren determinant’. Met name op het terrein van de ethiek blijkt, dat de evolutiegedachte een de gehele kosmos doortrekkend princiep is: ‘Spencer en zijn school breekt dan ook met alle vroegere psychologie, en stelt stoutweg den eisch, dat de mechanische evolutie, die in de astronomie, in de ontogenie, in de biologie, enz., inductief bewezen heet, en tot een algemeene opvatting van alle kosmische leven leidt, dus ook vanzelf de methodus vitas aangeeft die ook op psychologisch en ethisch gebied heerscht. En daarom dán eerst zal, naar hun zeggen, de Ethiek het recht erlangen zich als en wetenschap aan te dienen, zoo ook zij als een analoog onderdeel zich in deze algemeene wetenschap der mechanische Evolutie inschakelt’[52]. De enige prikkel die de mens spontaan en duurzaam drijft, is de lust. Kuyper vreest dan ook, dat de ethiek zich zodanig zal ontwikkelen, dat uiteindelijk datgene goed zal zijn, waartoe onze lust ons drijft.

Geest zonder stof en een hiernamaals bestaan vanuit evolutionistisch oogpunt niet: ‘Van een voortbestaan der ziel na den dood, kan dus, wijl ze elk zelfstandig bestaan derft, nimmer sprake wezen’[53]. ‘Zoo ontrooft dus de Evolutie aan de Ethiek niet minder dan haar geheele subject’[54]. Ook recht en gerechtigheid bestaan dan niet meer, daar ze het bestaan van een ‘met volstrekt gezag opgelegde orde, waarnaar het leven zich te voegen heeft’, veronderstellen, ‘en juist heel het denkbeeld van zulk een praeformatief gezag is als teleologisch, met de grondgedachte zelve der Evolutieleer in onverzoenlijken strijd’[55]. Kuyper voorspelt, dat zodra de evolutionaire ethiek gemeengoed wordt in brede lagen van de samenleving, zij de mensheid brengt tot ‘huiveringwekkenden zinnendienst en wilde Barbarei’[56]. Hij houdt er dus gelijksoortige opvattingen op na als de eerdergenoemde idealist C. Bellaar Spruyt en de geestverwante Esser, die vreesden, dat het evolutionisme de moraal en zedeleer wel eens diepgande in negatieve zin zou kunnen beïnvloeden.

 

6.5.4 Critiek vanuit de religie

 

Na de esthetica en de ethiek is Kuyper tenslotte bij de critiek die de evolutietheorie vanuit de religie treffen moet aangeland.

Veel meer dan de Engelse, hebben de Duitse evolutionisten met hun monisme consequent de juiste gevolgen getrokken uit de evolutieleer ook voor de religie. ‘Een op zichzelf staande geest is voor de Evolutieleer een Widersinn. Dus moet ze het bestaan van engelen, moet ze het bestaan der ziel, maar zoo dan ook het bestaan van een God principieel loochenen en bestrijden. Een onafhankelijk van de stoffelijke wereld bestaand geestelijk Wezen is voor de Evolutieleer de dood’[57]. De evolutietheorie is volgens Kuyper niet slechts atheïstisch, maar anti-theïstisch, en ziet alle religie als menselijk zelfbedrog. Kuyper stelt daartegenover, dat religie een tweeheid stelt, namelijk de mens, die aanbidt, en een God, die aanbeden wordt, en dat de evolutiegedachte het eerste van deze twee voor religie wezenlijke momenten ontzielt, en het laatste teniet doet. Voor het evolutionisme bestaat de religie dus niet meer.

Ten onrechte beweert, volgens Kuyper, het evolutiestelsel het wereldraadsel te hebben opgelost. Ook het ontstaan van de voor de Urzeugung benodigde atomen en moleculen moet mechanisch verklaard worden, om van het wonder af te komen, ‘want de almacht om één atoom te scheppen is in graad, maar in wezen niets minder wonder dan de almacht die vereischt wordt, om een mensch tot aanzijn te roepen’[58].

Kuyper besluit zijn evolutierede als volgt: ‘De Evolutie is een nieuw uitgedacht stelsel, een nieuw geijkte leer, een nieuw gevormd dogma, een nieuw opgekomen geloof, dat zich, heel ons leven omvattend en beheerschend, regelrecht tegen het Christelijk geloof overstelt, en niet dan op den puinhoop van onze Christelijke Belijdenis zijn tempel stichten kan. Geen ingenomenheid met, noch waardeering van het vele schoone en rijke, dat de studiën, waartoe ze prikkelde, ons in den schoot wierp, mag ons daarom met dit stelsel als stelsel ook maar een oogenblik vrede doen hebben. Dat stelsel blijft kwaad, al is ook hier uit het kwade in tal van opzichten het goede voortgekomen. En daarom tegen dat stelsel van den zonder doel mechanisch opgebouwden kosmos, moet ons verzet in alle kringen gaan. We moeten er ons niet tegen verdedigen, maar het aanvallen. De handboeken, waarin het sloop, moeten terzijde gelegd, en aan geen onderwijzer, die het leeraart, mogen we onze kinderen toevertrouwen. Het moet als de doodelijke bacterie, die alle geestelijke leven vernielen komt, microscopisch nagespeurd en uit elke plek van het weefsel onzes levens worden geweerd. Tegenover Nietzsche’s Evolutiewet dat de sterkere den zwakkere moet vertreden, klemmen wij ons vast aan den Christus Gods, die het verlorene zoekt en zich over het zwakkere ontfernt. Tegenover de besteklooze mechaniek der Evolutie stellen wij het geloof in dat Eeuwig Wezen, dat ‘alle ding gewerkt heeft en nog werkt nar den raad zijns willens’. Tegenover de Selectie die het soort zoekt en het individu verwaarloost, houden wij vast aan de Electie’[59]. Hij waarschuwt tegen de evolutie, ‘Niet enghartig voor het specifiek-Gereformeerde, maar voor het heilig pand onzer Christelijke religie in haar breedste opvatting’. ‘En zoo eindig ik ook nu met mij terug te trekken in wat voor heel de Christelijke kerk op aarde in haar Belijdenis het uitgangspunt steeds was en is en zijn zal, door tegenover de Evolutie te maintineeren het eerste van alle geloofsartikelen: IK GELOOF IN GOD ALMACHTIG, SCHEPPER DES HEMELS EN DER AARDE[60].

 

De gehele evolutierede overziend blijkt dus, dat Kuyper aan het ene grote critiekpunt van de christenheid uit zijn dagen op de evolutietheorie, namelijk het in de plaats stellen van het ‘toeval’ voor God, het alles langs louter mechanische weg willen verklaren, veel aandacht besteedt, maar aan het andere hoofdbezwaar, t.w. het vermeende één gemeenschappelijke voorouder hebben van mens en aap, veel minder.      

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



[1] A. Kuyper: ‘Evolutie’; A’dam/Pretoria (1899) (Evolutie)

[2] Evolutie, p. 8

[3] T.a.p.

[4] Evolutie, p. 24

[5] Evolutie, p. 17; ‘Naar waarheid mag dan ook gezegd, dat, bij alle overig verschil in denkwijze, deze evolutietheorie het ‘formulier van eenigheid’ is, dat op dit oogenblik alle priesters der moderne wetenschap in hun geseculariseerden tempel vereenigt’ (A. Kuyper: ‘De Verflauwing der Grenzen’; Amsterdam (1892)), geciteerd in: A. Zijlstra: ‘Kuyper over evolutie, geloof en wetenschap’; bijvakscriptie Gesch. Der Nat. Wet., Vrije Universiteit (juni 1983): noot 13 Kuyper).

[6] Evolutie, p. 22

[7] A. Kuyper: ‘Het Calvinisme, zes Stone-lezingen’; Amsterdam/Pretoria (z.j.): p. 105 (Calvinisme)

[8] A. Kuyper: ‘De Gemeene Gratie’, dl. 3; Kampen (z.j.): pp. 499-500

[9] Zie Calvinisme, p. 130

[10] De structuur van het denken is evenwel niet aangetast door de zondeval: ‘Door het feit der zonde is namelijk de formeele arbeid van het denken niet aangetast, en uit dien hoofde brengt de palingenesis (= geestelijke wedergeboorte, R.B.) in dezen denkarbeid ook geen verandering teweeg. Er is niet tweeërlei logica, er is slechts eene logica’ (geciteerd in Kuyper, p. 88).

[11] Geciteerd in Kuyper, pp. 88-89

[12] Evolutie, p. 9

[13] Evolutie, p. 12

[14] Evolutie,, p. 11

[15] T.a.p.

[16] Evolutie, p. 13

[17] T.a.p.

[18] T.a.p.

[19] E. Haeckel: ‘Natürliche Schöpfungsgeschichte’; Berlin (1898): I, p. 153 (Haeckel); geciteerd in Evolutie, pp. 13-14

[20] Evolutie, p. 14

[21] Evolutie, pp. 18-19

[22] G.J. Romanes: ‘Darwin und nach Darwin’; Leipzig (1895): I, p. 65; geciteerd in Evolutie, pp. 18-19

[23] Evolutie, p. 21

[24] Evolutie, p. 27

[25] T.a.p.

[26] Evolutie, p. 27, p. 32

[27] O. Zacharias: ‘Gelöste und ungelöste Problemen der Naturforschung’; Leipzig (1887): p. 60

[28] Evolutie, p. 29

[29] Haeckel, p. 203

[30] August Weissmann: ‘Mechanisch-psychologische Theorie der Abstammungslehre’; München (1884); ‘Das Keimplasma, Eine Theorie der Vererbung’; Jena (1892) (Keimplasma); ‘Aufsätze über Vererbung und verwandte Biologische Fragen’; Jena (1892)

[31] Keimplasma, p. 295, p. 316

[32] T.a.p.

[33] H. de Vries: ‘Intercelluläre Pangenesis’; Jena (1889)

[34] H. Kassowitz: ‘Allgemeine Biologie’; Wien (1899)

[35] Evolutie, p. 32

[36] T.a.p.

[37] Evolutie, p. 33

[38] T.a.p.

[39] Evolutie, p. 34

[40] Evolutie, pp. 34-35

[41] Evolutie, p. 35

[42] Evolutie, p. 36; ik signaleer hier een overeenkomst met de visie van de reeds genoemde Nederlandse R.K. priester Klönne, die van mening was, dat áls spontane generatie een conditio sine qua non is voor Darwins leer, de gehele evolutiehypothese onhoudbaar is.

[43] Evolutie, pp. 36-37

[44] Evolutie, p. 37

[45] T.a.p.

[46] T.a.p.

[47] Haeckel, p. 799

[48] Evolutie, p. 38

[49] Evolutie, p. 39

[50] Evolutie, p. 40; m.i. kan Kuyper niet èn zeggen dat de Mechanik des Weltalls niet in staat is ons wijs te maken dat in een Plastidule schoonheidszin aanwezig was, èn dat dus, wil men de evolutieleer kunnen handhaven, het gebied van het aesthetische naar het rijk der inbeelding zou moeten worden verwezen, aangezien in een Plastidule dan de eigenschap van inbeelding, bv. inbeelding van schoonheid, zou moeten wonen, wat de Mechanik des Weltalls niet kan verklaren. Hier lijkt mij sprake van een tautologie. Hieruit volgt, dat Kuyper slechts kan besluiten, dat ‘de aesthetiek de Evolutie-hypothese op het krachtigst veroordeelt’.

[51] Evolutie, p. 41

[52] T.a.p.

[53] Evolutie, p. 43

[54] T.a.p.

[55] Evolutie, p. 44

[56] T.a.p.

[57] Evolutie, p. 45

[58] Evolutie, p. 48

[59] Evolutie, p. 50

[60] Evolutie, p. 51