Thuispagina » Artikelen » Wijsbegeerte van de biologie » Het evolutionisme reformatorisch-wijsgerig beschouwd » 4. De ontvangst van de evolutieleer in Nederland in de periode 1860-1875

De ontvangst van de evolutieleer in Nederland in de periode 1860-1875

Hoofdstuk vier

DE ONTVANGST VAN DE EVOLUTIELEER IN NEDERLAND

IN DE PERIODE 1860-1875

4.1 Het denkklimaat

 

De reacties in Nederland op Darwins evolutieleer verschilden sterk, waarbij zelden een tussenpositie werd ingenomen: men was voor of tegen, al naar gelang de ‘zuil’ waartoe men behoorde. Deze sterk verschillende reacties hangen samen met de even sterk verschillende visies in de verschillende kringen op de plaats van de wetenschap in de samenleving en haar grenzen. Daarom is het goed om, teneinde een beter inzicht te krijgen in de diverse standpunten t.o.v. het Darwinisme, deze wetenschapsfilosofieën de revue te laten passeren.

Algemeen was men in de 19e eeuw de mening toegedaan, dat de empirische wetenschap het waarnemen en ordenen van feiten tot taak heeft. Maar wat is de betekenis van deze waargenomen feiten? Daarover liepen de meningen uiteen.

Het empirisme, met als extreme richtingen het positivisme en het naturalisme, had als uitgangspunt, als apriori, dat slechts datgene waarheid en werkelijkheid is, wat zintuiglijk waarneembaar, wat empirisch, dat is proefondervindelijk, ervaarbaar is. De empirie vervangt de metafysica. De methoden en resultaten van de natuurwetenschap zijn op alle gebieden toepasbaar. In de lijn van dit denken ligt het materialisme, dat leert dat alles, ook het geestelijke, tot het stoffelijke, tot het materiële, herleid kan worden, waardoor een reductionistisch wereldbeeld ontstaat. Bekende Nederlandse naturalisten waren Joh. van Vloten, H. Hartogh Heys van Zouteveen en H.J. Betz.

Anderen, de criticisten of idealisten, maakten onderscheid tussen de empirische werkelijkheid en de ‘ware’ werkelijkheid. De eerste kan en mag door de wetenschap onderzocht worden, de laatste kan slechts door bespiegeling worden verkend en gekend of is onkenbaar. In hun ogen stellen de naturalisten dogmatisch dat deze tijdelijke ervaringswerkelijkheid de volle werkelijkheid is. Dat is mogelijk, maar daar zal de mens niet achter kunnen komen. Dit standpunt der idealisten staat bekend als agnosticisme. Exponenten van deze richting in Nederland zijn J.P.N. Land en C. Bellaar Spruyt.

De ‘typisch Nederlandse’ vorm van het empirisme is het dualisme, de ‘ervaringswijsbegeerte’, waarvan één van de grondleggers van de moderne theologie in Nederland, Opzoomer, een goede vriend van de Darwinisten Harting en Donders, de bekendste vertegenwoordiger is. Het dualisme maakt scherp onderscheid tussen de zintuiglijke waarneming waarop de wetenschap berust en de inwendige gevoelswaarwordingen die ons het bovennatuurlijke doen kennen en ons absolute zekerheid geven over het bestaan van God. Men was in staat de resultaten van de natuurwetenschap te aanvaarden zonder zijn van wonderen en biblicisme bevrijde godsdienstige overtuiging te hoeven loslaten, vanwege het dualisme van gevoel en rede, van geloof en weten. Dit dualisme was erg populair onder moderne theologen en natuurwetenschappers, had vele aanhangers in kringen van de in het 19e eeuwse Nederland heersende liberale bourgeoisie, waarin getracht werd het geloof en de moderne cultuur, met name wetenschap, met elkaar te verzoenen[1]. Deze opvatting laat wel toe, dat de religie ten gevolge van resultaten van de natuurwetenschappen aan verandering onderhevig is, de religie wordt dankzij de wetenschap gezuiverd van wonderverhalen en wint hierdoor aan geloofwaardigheid. Door zo’n opvatting te huldigen kon men Darwins hypothesen accepteren zonder in zijn godsdienstige gevoel gekwetst te worden.

Naast het voornoemde dualisme werd het christelijk monisme door modernisten aangehangen om geloof en wetenschap met elkaar te verzoenen. In deze naar het pantheïsme (zie hoofdstuk zes) neigende richting is God oorzaak en doel van de natuurwetten, is God ook natuur en tegelijkertijd het zelfbewustzijn der natuur[2]. De Leidse hoogleraar Scholten is de bekendste monist.

Onder de rechtzinnige protestanten die hun geloof op Gods Woord baseerden, was men het erover eens, dat er tussen de natuur, Gods werk, en de Bijbel, Gods Woord, geen strijd kon bestaan, maar verschilde men van mening wanneer er sprake is van een ‘stellig resultaat’ van de wetenschap en wanneer van ‘valsche verzinselen’, en ook was er geen consensus over de vraag hoe men Gods Woord leest waar het de natuurwetenschap betreft. Zo was er m.b.t. de tweede kwestie een stroming, met als representant Tinholt, hoofdredacteur van het evangelisch-confessionele predikantenblad ‘Stemmen voor Waarheid en Vrede’, die het standpunt huldigde, dat het scheppingsverhaal van Genesis 1 weliswaar beslist geen pure fantasie is en althans in grote trekken waar moet zijn, maar niet alles uit de Bijbel letterlijk genomen behoeft te worden. Tinholt zag in de Bijbel een verschil tussen de openbaring over God, die letterlijk waar is, en een openbaring over de natuur, die dat niet is. Als resultaten van de natuurwetenschappen in strijd zijn met bepaalde Bijbelgedeeltes, zijn deze geen openbaring van God. Dus ook bij deze zich rechtzinnig noemende protestanten is Gods Woord ondergeschikt aan de menselijke rede, bepaalt de mens wat werkelijk Gods gezaghebbende Woord is, is de Bijbel niet Gods Woord, maar bevat deze het slechts.

Een tweede stroming onder de orthodoxe protestanten, met als leider de hoofdredacteur van ‘De Heraut’ en ‘De Standaard’ Abraham Kuyper, die de Bijbel als het in elk opzicht gezaghebbende, betrouwbare Woord van God ziet, was bereid de conclusies van de wetenschap alleen dán aan te nemen, wanneer ze niet met dat Woord in strijd waren. Hieruit mag echter niet opgemaakt worden, dat Kuyper c.s. onwelwillend tegenover wetenschapsbeoefening stonden, mits zij zich maar bewoog binnen de grenzen haar in de scheppingsorde gesteld. Op Kuypers kijk op de plaats van de wetenschap in de cultuur en haar grenzen in het algemeen en zijn visie op het Darwinisme in het bijzonder kom ik in hoofdstuk zes terug.

De meeste Rooms-Katholieken tot slot zagen de moderne wetenschap regelrecht leiden tot materialisme en atheïsme. Zo riep H.J.A.M. Schaepman, naar aanleiding van de breuk van D.F. Strauss[3] met het christendom, uit: ‘Wat wil men anders? Wanneer eenmaal de rede staat boven de openbaring, de wetenschap boven het geloof, dan behoort men geen dubbel spel te spelen met geloofswetenschap en redelijke openbaring. De wet is onverbiddelijk…Of men in naam der wetenschap de onfeilbaarheid als leerstuk der openbaring verwerpt, dan of men in naam der wetenschap de openbaring zelve doemt als onmogelijk en onredelijk: het besluit (nl. tot atheïsme, R.B.) is na korter of langer duur hetzelfde[4].

Het verst ging nog de filosoof F. Becker, die niet-letterlijke interpretatie van Bijbelteksten slechts geoorloofd vond wanneer een onbetwistbaar feit dat noodzakelijk maakte. Maar de natuurwetenschap moet bestreden worden wanneer ze ooit wordt gebruikt om een materialistische levensbeschouwing te propageren.

 

4.2 Toeval of plan?

 

Zoals vermeld was de discussie over Darwins leer in Nederland nogal gepolariseerd: men was of 100% voor of 100% tegen. Een middenweg, zoals die in de Angelsaksische landen door menigeen bewandeld werd (zie hoofdstuk drie), waarbij de evolutiegedachte op zich gemeengoed geworden was, maar waarbij het mechanisme van evolutie zoals dat door Darwin is voorgesteld, evolutie door natuurlijke selectie, om wetenschappelijke en/of levensbeschouwelijke redenen werd verworpen, kwam nauwelijks voor. Van meet af aan heeft het blad ‘De Katholiek’ iedere ontwikkelingsgedachte afgewezen. De priester Klönne verwierp het mechanisme van de natuurlijke selectie: ‘Alleen God is in staat de wonderen der natuur te creëren, niet de natuurkeus’[5]. Hij classificeerde Darwins ‘deïstische’ theologie als ‘domperig bijgeloof’. Ook P.J.F. Vermeulen[6] verwierp iedere evolutiegedachte.

Bij de rechtzinnige protestanten komt de mogelijkheid van een ander mechanisme voor evolutie dan natuurlijke selectie evenmin voor. Zowel deze groep als de Roomsen hielden het op stabiliteit of zelfs achteruitgang, degeneratie, in de planten- en dierenwereld.

Ook in de ogen van de Nederlandse evolutionisten gaat het slechts tussen het geloof in afzonderlijke scheppingen enerzijds en Darwins leer anderzijds. Neo-Lamarckiaanse ontwikkelingshypothesen kwamen niet of nauwelijks voor het voetlicht[7].

Darwins aanhangers in den lande discussieerden wel heftig over de vraag, of natuurlijke selectie (‘natuurkeus’) teleologisch dan wel a-teleologisch uitgelegd moest worden. Doordat men aan het begrip (a-)teleologisch een verschillende inhoud gaf, kwam men tot standpunten die varieerden van naturalistisch, zoals dat van Van Vlotens al eerder genoemde medewerker Betz, tot deïstisch, zoals dat van de fysioloog aan het Amsterdamse Athenaeum dr. T. Place, van doelloosheid tot doelmatigheid.

Iemand als Place zag Darwins verdienste in het in plaats van de vraag naar het doel de vraag naar de oorzaken en wetten gesteld en beantwoord hebben. Ook de Leidse hoogleraar Scholten en de medicus/filosoof F.A. Hartsen zaten op die lijn. Zo schreef Hartsen in zijn ‘Darwin en de godsdienst’, dat de vraag omtrent de teleologie bij de natuurlijke selectie niet relevant is: Darwin zegt niets over plan en doel, maar spreekt slechts over de manier waarop de evolutie plaats vindt. Schijnbaar doelloze creaturen kunnen misschien toch een doel hebben.

 

4.3 De afstamming van de mens

 

Ten aanzien van de debatten in Nederland over de afstamming van de mens zijn tussen 1860 en 1875 drie tijdvakken te onderscheiden[8]. De eerste periode loopt tot 1867-1868; er is dan nog weinig discussie over dit probleem. T.C. Winkler, Darwins vertaler en één van degenen die het niet-academisch gevormde publiek voorlichtte over at er in de academische wereld speelde, wist in 1864 nog niet goed raad met de mens. De geestelijke eigenschappen van de mens, zoals de rede, de zede en het religieus besef, waren volgens hem apart geschapen. Prof. Harting, redacteur van het veelgelezen ‘Album der natuur’, en Darwins trouwste aanhanger in de Nederlandse universitaire wereld[9], zag de mens als volledig opgenomen in het natuurlijke evolutieproces, maar droeg dit standpunt weinig uit, mogelijk om prof. J. van der Hoeven uit Leiden, die medewerker van datzelfde blad en fel tegenstander van de evolutieleer was, niet te ontrieven. Na Van der Hoevens verscheiden is Harting, door zijn ondogmatische manier van optreden bij het verdedigen van Darwins leer en door zijn tolerantie t.o.v. andersoortige meningen, degene die het meest heeft bijgedragen aan de verspreiding van Darwins ideeën op de Nederlandse universiteiten geworden[10].

De eerder genoemde Tinholt vond de idee, dat mensen en apen een gemeenschappelijke voorouder hebben, bespottelijk. In ‘Stemmen voor Waarheid en Vrede’[11] schreef hij: ‘Welnu, men neme de proef, die Poulain voorslaat: men vange alle apen, die men krijgen kan en trachte er eenen mensch van te maken. Vergt dit te veel, daar het met oude apen misschien niet best meer gelukken zal – welnu wij willen zijn eisch inkorten: men neme de jongen, die gevangen apen voortbrengen zullen en voede ze van jongs af aan op met het oog op hunne toekomstige bestemming tot menschen. En indien men zelfs den achterkleinzoon van den aap zal hebben gevormd tot eenen mensch, al is het ook maar tot eenen Papoea – wij zullen niet weigeren de gevolgtrekkingen aan te nemen’.

Winkler poneerde in 1867 in een artikel in ‘De Gids’ de mogelijkheid de theorie tot de mens uit te breiden[12]. De mens kan zich – ook geestelijk – uit het dier ontwikkeld hebben. Maar dit vond hij geen materialistisch standpunt, want in het verschijnen van de mens op het wereldtoneel zag hij een manifestatie van de steeds groter wordeende invloed van de geest op de materie. De strijd om het bestaan gaat voortaan op geestelijk niveau verder[13]. De Zwitserse materialist van Duitse komaf Vogt hield over dezelfde kwestie in Nederland verscheidene lezingen. Zowel Winkler als Vogt stimuleerden de discussie in Nederland over dit netelige vraagstuk, waarmee de tweede periode haar intrede deed.

In ‘De Katholiek’ werd afwijzend op Winklers artikel gereageerd. Of de gehele mens, inclusief de ‘ziel’, is sterfelijk, of het dier is ook onsterfelijk. De N.R.C. gaf veel aandacht aan Vogts lezingen en stond er niet onwelwillend tegenover. Wel protesteerden de katholieke ‘Maasbode’ en vooral het conservatieve ‘Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage. Alle scribenten in het ‘Dagblad’ reageerden afwijzend.

In 1868 verschenen ook de eerste katholieke geschriften tegen de afstammingsleer[14]. Van den Hurk en Van der Molen (pseud.: Molae) gebruikten m.n. argumenten uit de geologie. Klönne richtte zijn aandacht op het punt van de spontane generatie. Als spontane generatie een noodzakelijk gevolg is van Darwins leer, dan is volgens Klönne de gehele evolutiehypothese onhoudbaar.

Na de uitbarstingen van 1868-1869 heerste er op het punt van de menselijke afstamming weer even een betrekkelijke rust. Het populair wetenschappelijke tijdschrift ‘Kennis is Macht’, dat het Darwinisme gunstig beoordeelde, liet zich voorlopig niet over de oorsprong van de mens uit. En Hartogh Heys van Zouteveen schreef over de praehistorische mens o.a. in het ‘Album der Natuur[15] zonder zich uit te laten over de afstamming van de mens.

De derde periode begint met het verschijnen van ‘Afstamming van de mens’ (1871-1872) van Darwin zelf. Eén van de eerste reacties in den lande kwam van een recensent in het ‘Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad’[16], die het nieuwe boek toejuichte. Ook de N.R.C., ‘Onze Tolk’ en ‘Hollandsche Illustratie’ waren positief. Kenmerkend voor het standpunt van veel biologen was de teneur van het in 1872 gestarte natuurwetenschappelijke tijdschrift ‘Isis’, met als vaste medewerkers o.a. prof. M. Salverda, hoogleraar te Groningen, en dr. Hartogh Heys van Zouteveen, lector zoölogie te Leiden, dat volledig van de juistheid van Darwins hypothese uitging.

In kringen van de moderne theologie achtte men Darwins kijk op de positie van de mens heel wel verenigbaar met het christelijk geloof. De rechtzinnige protestanten en de katholieken daarentegen wilden niets van de nieuwe mensleer weten. A.W. Bronsveld[17] in ‘Stemmen voor Waarheid en Vrede’: ‘Darwin kent de dieren beter dan de mensch en een geestelijk leven is voor hem een gesloten heiligdom’[18]. In ‘Studiën’ betoogde de R.K. filosoof F. Becker dat het empirisch nooit vast te stellen zal zijn dat de mens van de aap afstamt, omdat het wezen der ziel, hetwelk hier beslist, buiten de ervaring ligt[19]. Volgens P.J.F. Vermeulen kunnen Darwins gedachtengangen niet de toest der critiek doorstaan en worden ze veroordeeld door hun eigen consequentie, nl. zedeloosheid. En prof. J. de Bruyn[20] zag als eigenlijke reden van de triomf der evolutiegedachte de onwil om te geloven.

Zowel protestanten als rooms-katholieken bestreden de primitiviteit van de praehistorische mens, huldigden daarentegen het standpunt, dat de praehistorische mens een hoge beschaving had en dat de niet-blanke mensenrassen tekenen van de degeneratie van de schepping waren[21].

Tenslotte waren er de dun gezaaide gematigder meningen. Te noemen valt dr. G.J. Dozy[22], die in ‘Vaderlandsche Letteroefeningen’ Darwins ‘Afstamming’ te hypothetisch, te speculatief vond, en C. Bellaar Spruyt, die in ‘De Gids’[23] het Darwinisme gereserveerd benadert. De natuurlijke selectie verklaart niet alles. Hij vreesde bovendien, dat een consequent doorvoeren van het Darwinisme de zedeleer in hoge mate negatief zal beïnvloeden. Dit brengt ons bij de problematiek van de moraal.

 

4.4 De mens in de strijd om het bestaan

 

Zowel orthodoxe protestanten als rooms-katholieken vrezen de gevolgen van het Darwinisme voor de moraal. ‘Het Darwinisme brengt ons terug tot alle gruwelen van het heidendom’, aldus I. Esser[24], in een ingezonden stuk in ‘De Standaard’ van 26 december 1875, waarin hij zijn stelling onderbouwt door allerlei in Duitse, Darwinistische kringen levende gruwelijkheden te citeren. En de Rooms-Katholiek De Bruyn voegde aan die onfrisse denkbeelden in ‘De Standaard’ nog enkele toe in zijn ‘Uiteenzetting’[25]. Ook tijdschriften zoals ‘Studiën’ en ‘Stemmen voor Waarheid en Vrede’ waren het erover eens, dat het Darwinisme alleen al om zijn implicaties voor de zedelijkheid afgewezen diende te worden.

Buiten deze orthodox-protestantse en R.K. kringen zag men geen gevaar in de evolutieleer voor de zedeleer en wenste men geenszins het Darwinisme als synoniem te zien voor immoraliteit en egoïsme. Integendeel, de naastenliefde heeft zich in de strijd om het bestaan ontwikkeld; naarmate de beschaving voortschrijdt zullen ook het zedelijk besef en de menselijke solidariteit toenemen. Zowel de progressieve liberalen als de socialisten, die vooral na 1875 een factor van betekenis werden, meenden, dat de strijd om het bestaan de mensen eendrachtiger maakt, en zedelijkheid ontstaat waar men sociaal is. De strijd om het bestaan identificeren de socialisten met de klassenstrijd. Slechts in ‘Wetenschappelijke Bladen’ verschenen twee sterk sociaal-darwinistische artikelen – zonder te zijn becommentarieerd – van de hand van de Engelsman Galton[26] en de Duitser Fick[27]. En Hartogh liet zich ook eens in een aantekening in een vertaling van Darwins ‘Descent’ in sociaal-darwinistische zin uit toen hij schreef: ‘Men zou de noodlottige gevolgen der medicinale teeltkeus kunnen tegengaan door eenvoudig aan alle zwakkelijke, ziekelijke en misvormde indivuduen het huwelijk te verbieden’[28].

Alleen de idealist Bellaar Spruyt vreesde, zoals al in de vorige paragraaf van dit hoofdstuk werd vermeld, diepgaande invloeden op de zedeleer, en kon zich dus in dit opzicht in de gelederen van rechtzinnige protestanten en Rooms-Katholieken scharen.

In Nederland heeft de evolutieleer in vergelijking met het buitenland in geringe mate aan het racisme bijgedragen. In ‘De Tijdspiegel’ bestreden twee Darwinistische recensenten een Brusselse dissertatie waarin de auteur de superioriteit van het ‘Arische’ ras trachtte te bewijzen[29], uitvoerig[30]. Harting werd om zijn ‘De strijd des levens’ van 1870, waarin hij oorlogvoering noodzakelijk achtte ter vervolmaking van de organische wereld, door zowel anti-darwinisten als radicale vrijdenkers zoals F. Feringa[31] becritiseerd.

 

4.5 Evolutiegedachte en wereldbeschouwing

 

Uit het voorgaande blijkt, dat de houding tegenover de evolutieleer sterk werd bepaald door de levensbeschouwing. Vaak zag men in het evolutieproces een waarborg voor een optimistisch vooruitgangsgeloof. Heel vaak kon men de evolutieleer verenigen met zijn godsdienstige overtuiging. Dat kon op de bekende manieren gebeuren: dualistisch en monistisch. In rechtzinnig-protestantse kring geloofde men daarentegen, dat het menselijk geslacht in verval is, waarbij men dan wees op hoge beschavingen in lang vervlogen tijden, en verwierp men Darwins leer volledig. Men verfoeide de halfslachtige en inconsequente modernisten omwille van hun aanvaarden van een wetenschappelijke hypothese, die Jezus Christus als afstammeling van een aapachtig wezen ziet.

In hoeverre heeft het Darwinisme in de periode 1860-1875 het atheïsme in Nederland bevorderd? Volgens Noordenbos[32] in hoge mate, met name Multatuli heeft zijn steentje bijgedragen. De atheïst Noordenbos komt, al redenerende in de lijn van het Darwinisme, uit bij een a-teleologisch, mechanisch wereldbeeld. Er is geen God, en nu nog onbegrepen verschijnselen worden met het voortschrijden van de wetenschap doorgrond.

Maar de meeste evolutionisten waren inconsequent en huldigden een theïstisch-evolutionistisch standpunt, zagen zichzelf niet als naturalisten. Zelfs Darwin werd, door Multatuli, halfheid verweten. Multatuli nam het Darwin kwalijk, dat de evolutieleer niet duidelijker atheïstisch was. Maar Hegeman is van mening, dat in de periode vóór 1876 het Darwinisme ‘een betrekkelijk ondergeschikte factor is geweest in het groeiproces van de Nederlandse onkerkelijkheid, al heeft zij ongetwijfeld het atheïsme een zekere vorm gegeven en de verbreiding daarvan later meer rechtstreeks beïnvloed[33]. Zo was voor Van Vloten de evolutieleer veeleer een bevestiging van zijn reeds bestaande Spinozistische wereldbeschouwing[34]. Ook bij Carel Vosmaer heeft de evolutieleer zijn levensvisie niet zozeer bepaald als wel een bepaalde vorm gegeven[35]. Met name afvallige theologen, zoals Cd. Busken Huet en, zijns ondanks, Allard Pierson, hebben de ontkerkelijking en het atheïsme bevorderd[36]. De vrijdenkers zagen in het Darwinisme een goed wapen in de strijd tegen de modernistische liberalen met hun naïeve geloof in de verenigbaarheid van geloof en wetenschap. Hun periodiek, ‘De Dageraad’, was in de jaren na 1855 de stem van het materialisme en het atheïsme, gericht tegen de liberale bourgeoisie, en werd in zijn tweede periode geïdentificeerd met de nieuwe socialistische beweging[37].

 

4.6 Slotbeschouwing

 

In Nederland werd de evolutieleer vrij gunstig ontvangen en maakte hij snel opgang, vooral doordat de liberale bourgeoisie de heersende klasse was, die met name op de universiteiten haar mensen had zitten[38], en in het Darwinisme een optimistisch vooruitgangsgeloof zag waarin gestreefd wordt naar een steeds hogere graad van perfectie[39]. De evolutieleer scherpte de toch al vrij duidelijke tegenstellingen tussen de diverse zuilen aan. Men was vóór of tegen. Een tussenpositie, zoals die in de V.S. en Engeland veel opgang maakte, namelijk het neo-Lamarckisme (zie hoofdstuk vijf), werd zelden ingenomen. De atheïstische evolutionisten zagen in het mechanisme van de evolutie door natuurlijke selectie niet een noodzakelijkerwijs wrede natuurwet, maar zagen er allerhande niet weinig humanistische implicaties, zoals onderlinge solidariteit en onderling hulpbetoon, in. De tegenstanders van de evolutieleer daarentegen verwierpen hem alleen al om de sociaal-darwinistische consequenties die eruit voort zouden kunnen vloeien, in stede van te zoeken naar een alternatief mechanisme, met behoud van de ontwikkelingsgedachte zelve, zoals wel in de V.S. gebeurde.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



[1] Hegeman, pp. 271-272

[2] Hier zijn raakvlakken met de ideeën van de Franse moraalfilosoof Henri Bergson, die uitging van een constante spanning tussen een creatieve levenskracht, de ‘elan vital’, en de deze weerstand biedende inerte materie waaruit die kracht levende organismen moet scheppen. Ten gevolge van deze spanning is er een opwaartse ontwikkeling van het leven die echter, ten gevolge van de weerstand van de materie, onregelmatig is. Dit creatieve proces nu wordt geïdentificeerd met God en is tegelijkertijd de natuur zelf.

[3] D.F. Strauss (1808-1874), voorman van de moderne theologie, publiceerde ‘Das Leben Jesu’ (1835), brak in 1872 met het christelijk geloof.

[4] H.J.A.M. Schaepman: Een wraakgericht; De wachter III, ii (1873): p. 20

[5] B.H. Klönne: ‘Onze voorouders; hoofdstuk VI

[6] Dr. P.J.F. Vermeulen, natuurkundige, redacteur, later (ca. 1890) eigenaar van ‘De Tijd’ en lid van de Tweede Kamer.

[7] Typerend is, dat ‘Isis’ een bespreking van Mivarts ‘Genesis of Species’ weigerde, omdat dit boek een te specialistische aanval op de natuurlijke selectie was. Zie: Isis ! (1872): p. 68.

[8] Hegeman, pp. 286-297

[9] P. Harting (1813-1885), hoogleraar zoölogie te Utrecht (1843), auteur van o.a. ‘Leerboek der dierkunde’, 4 dln. (Tiel, 1862-1874), medeoprichter (1851) van het ‘Album der natuur ter verspreiding van natuurkennis onder beschaafde lezers van allerlei stand’ en overtuigd evolutionist.

[10] Hegeman, pp. 287-288

[11] Bespreking van ‘Poulain. Wat is een christendom zonder leerstellingen?’; StWVr I (1864): p. 241 e.v., citaat op p. 249

[12] T.C. Winkler: ‘De leer van Darwin’; De Gids XXXI, iv (1867): pp. 22-70

[13] T.a.p.

[14] E.P.J. van den Hurk: ‘De eenheid van afkomst van het menschelijk geslacht’; Kath. Ned. Broch. Ver. I (1868): no. 6; ‘Eene Haarlemsche theorie’; De Katholiek LIV (1868): p. 27 e.v.; P.J.F. Molae: ‘Komen de menschen uit apen voort?’; A’dam (1869); B.H. Klönne: ‘Onze voorouders volgens de theorie van Darwin en het Darwinisme van Winkler; ’s Hertogenbosch (1869): hfdst. Iii en xii (Onze voorouders).

[15] Album der Natuur (1870): p. 225 e.v., p. 289 e.v.

[16] d.d. 16 juli 1871

[17] A.W. Bronsveld (1839-1924), predikant te Utrecht, vanaf 1875 hoofdredacteur van ‘Stemmen voor Waarheid en Vrede’.

[18] Dl. IX (1872): pp. 311-344

[19] F. Becker: Studiën VI, iv (1873): hfdst. Iv, v

[20] J. de Bruyn: ‘Uiteenzetting en wederlegging van het Darwinisme’; De Katholiek LXX (1876): pp. 65-90 (Uiteenzetting).

[21] L. Delgeur: ‘Nalezing op de voorlezingen van Vogt’; R’dam (1868): p. 16; De Rougemont: ‘De oorspronkelijke mens’, StWVr X (1873): p. 815 e.v.; Klönne: ‘Onze voorouders’, hfdst. iii; Tinholt: ‘De wetenschap door modernen beoefend’; StWVr IX (1872): p. 352; Molae: ‘Komen de menschen uit apen voort?’

[22] G.J. Dozy: ‘Bespreking Darwins Afstamming’; Vaderl. Letteroef. CXIV (1874): pp. 61-66

[23] C. Bellaar Spruyt: ‘Natuurkundige Phantasieën’; De Gids XXXVIII, i (1874): pp. 411-440

[24] I. Esser (1818-1885), zendeling in Oost-Indië, daarna hoofdredacteur van ‘Maranatha’, straatpredikant te ’s-Gravenhage.

[25] J. de Bruyn: Uiteenzetting: p. 80 e.v.

[26] F. Galton: ‘Overerving en rasverbetering’; Wetenschappelijke Bladen (1873) iii: pp. 73-96; F. Galton (1822-1911) was een familielid van Darwin, medicus, anthropoloog en geneticus

[27] H. Fick: ‘De invloed van de natuurwetenschap op het recht’ (rede te Zürich); Wetenschappelijke Bladen (1872) iv: pp. 161-196

[28] Ch. Darwin: ‘De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus’, uit het Engelsch en met aanteekeningen van H. Hartogh Heys van Zouteveen, 2 dln.; Delft (1871-1872): I, pp. 194-195

[29] Léon van der Kindere: ‘De la race, et de sa part d’influence dans les diverses manifestation de l’activité des peuples’; Bruxelles (1868)

[30] J.A. Wijnne en M. Salverda: ‘Eene ondoordachte stelling’; Tijdspiegel (1868) ii: p. 237 e.v., p. 313 e.v.

[31] F. Feringa (1840-1890), radicaal vrijdenker, o.a. hoofdredacteur van de ‘Provinciale Friesche Courant’, uitgever van het tijdschrift ‘De vrije gedachte’. Auteur van ‘Democratie en Wetenschap’, Groningen (1871)

[32] O. Noordenbos: ‘Het atheïsme in Nederland in de 19e eeuw’; Rotterdam (1931): p. 45 (atheïsme)

[33] Hegeman, p. 311

[34] C. Offringa: ‘Johannes van Vloten. Aufklärung en liberalisme’; Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden LXXXIII (1969): p. 165, p. 211; M. Mees-Verwey: ‘De beteekenis van Johannes van Vloten’; dissertatie Leiden (1928)

[35] J.P. Boijens: ‘Mr. Carel Vosmaer’; dissertatie Utrecht (1931); G.J. Knuvelder: ‘Handboek tot de Geschiedenis der Nederlandse letterkunde’, 4 dln.; ’s-Hertogenbosch (1967): III, pp. 433-435 (handboek); atheïsme: pp. 70-72

[36] Atheïsme: hfdst. Vi; zie voor Busken Huet ook handboek: III, pp. 303, 389-405; voor Pierson, die in ieder geval later mede door Darwin is beïnvloed, o.a. K.H. Boersema: ‘Allard Pierson’; dissertatie Groningen (1924): stelling iv; F. Sassen: ‘Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland tot het einde der 19e eeuw; Amsterdam (1959): pp. 341, 345; handboek: III, pp. 416-427

[37] Hegeman, p. 311

[38] Hegeman, p. 306

[39] J.B. Bury: ‘The Idea of Progress’; New York (1955): p. 335