2. Het ontstaan van het Darwinisme

Hoofdstuk twee

HET ONTSTAAN VAN HET DARWINISME

 

Charles Darwin werd in 1809 geboren. Hij kreeg zijn opleiding tot bioloog in Cambridge, waar hij eerst een opleiding tot geestelijke bij de Anglicaanse kerk volgde. Eenmaal bioloog maakte hij een wetenschappelijke expeditie naar de tropen aan boord van het Britse marineschip H.M.S. Beagle. Gedurende die reis bestudeerde Darwin de inheemse flora en fauna van de bezochte oorden. Hierdoor veranderde heel zijn kijk op de geologie en de biologie. Huldigde hij eerst het standpunt, dat de soorten onveranderlijk zijn, door zijn bevindingen op de expeditie en door de ‘Principles’ van de geoloog Lyell waarmee hij tijdens zijn reis in contact kwam[1], werd hij een overtuigd evolutionist, d.i. aanhanger van de leer dat alle soorten organismen uiteindelijk afstammen van één oerlevensvorm. Zo werd hij bv. getroffen door het feit, dat aardbevingen het aanzien van het landoppervlak aanzienlijk kunnen veranderen. En hij vond zeer vele fossielen van vertebraten (gewervelde dieren) die sterke gelijkenis vertonen met levende vormen, zodat de idee zich aan hem opdrong, dat de laatste zich uit de eerste hadden ontwikkeld. Darwin kwam tot een theorie, waarbij hij groepen dieren ging beschouwen als afzonderlijke ‘takken’ die elk op hun eigen manier zijn geëvolueerd. Ook binnen zo’n groep is verdere vertakking mogelijk.

Een tweede grote aanwijzing dat soorten niet statisch zijn maar in elkaar kunnen overgaan (kunnen transmuteren) vond Darwin in de geografische verdeling van soorten. Het oude concept was dat God voor elk soort organisme een eigen soort omgeving had geschapen. Maar Darwin zag, dat in een bepaald gebied twee nauw verwante soorten van een loopvogel voorkwamen. Dit bracht hem op het idee, dat de twee soorten in een strijd gewikkeld zijn om het gebied dat ze bewonen, waarbij de slechtst aangepaste op den duur uitsterft.

Dus een soort kan, ten gevolge van geologische activiteit, niet perfect aangepast zijn aan een bepaald milieu. Evenmin kunnen meerdere, nauw verwante soorten in een bepaald gebied harmonieus coëxisteren. De slechtst aan de omstandigheden in dat gebied aangepaste soort sterft uit[2]. Maar transmutatie, het in elkaar overgaan van soorten, was nog niet bewezen. En de strijd om het bestaan werd nog gezien als alleen te bestaan tussen soorten en niet tussen individuen van eenzelfde soort.

Daarnaast werd Darwin overtuigd van macro-evolutie (een synoniem voor transmutatie) door te bestuderen hoe fysische barrières, zoals gebergten en oceanen, de geografische verdeling van soorten beïnvloeden. Waarom komen er in Zuid-Amerika en Afrika zulke sterk verschillende loopvogels voor, terwijl hun woongebieden zo sterk overeenkomen? En waarom komen op verschillende eilanden van de Galapagos-archipel verschillende, sterk verwante soorten vinken voor? Het is onredelijk, zo redeneerde Darwin, om aan te nemen, dat God elk eiland zijn eigen soort vink gaf, zonder dat Hij daar een reden voor had. Dit laat zich verklaren door aan te nemen, dat, zodra een populatie door het ontstaan van een fysische barrière gesplitst raakt, er niets meer een evolutie van de twee populaties in verschillende richtingen belemmert. Ze passen zich elk op hun eigen manier an veranderingen in hun woongebied aan, waardoor er eerst twee variëteiten (rassen, ‘subspecies’, variabiliteitstypen, fenotypen) van dezelfde soort, en later twee verschillende soorten (genotypen) ontstaan.

Op dit punt was Darwin van het vóórkomen van macro-evolutie overtuigd, maar had hij het eigenlijke mechanisme nog niet ontdekt. Echter, het lezen in 1838 van Malthus’ ‘Essay on Population’ bracht hem op het idee van evolutie door natuurlijke selectie.

Het mechanisme van evolutie door natuurlijke selectie noodzaakte Darwin het begrip ‘soort’ te herinterpreteren. Hij zag een soort als een groep, een populatie, individuen die onderling voor een vruchtbare nakomelingschap kunnen zorg dragen. De soort is de populatie, ongeacht de mate van variatie tussen de individuen van de populatie. Als door externe factoren individuen met een bepaalde variatie worden bevoordeeld t.o.v. andere individuen in die zin, dat ze in staat zijn een grotere nakomelingschap te verwekken, dan verandert de populatie als geheel van aard en dus, per definitie, ook de soort. Dit impliceert, dat de variatie overerfbaar moet zijn en overgedragen wordt op het nageslacht.

Darwin zag, met in het achterhoofd de wet van Malthus, een analogie tussen de strijd om het bestaan in de natuur en de teeltkeus van de planten- of dierenfokker. De fokker kiest de exemplaren met de gewenste variatie/eigenschap uit om verder uit te selecteren.

Ondertussen maakte dit concept van disharmonie in de natuur, van slecht aangepast zijn en strijd om het bestaan in een vijandige omgeving, het voor Charles Darwin moeilijk, zo niet onmogelijk, om in een barmhartig God te geloven. Het is zelfs zo, dat het verklaren van de oorsprong der soorten geheel langs mechanistische weg, dus buiten Goddelijke interventie om, de drijvende kracht achter Darwins onderzoekingen is geweest, ondanks het feit, dat het in die tijd zeer gebruikelijk was, om in wetenschappelijke artikelen en in redevoeringen over God te spreken.

Intussen realiseerde Darwin zich terdege, dat dit nieuwe materialisme in de biologie grote gevolgen heeft voor de visie op de mens, die immers ook deel uitmaakt van het evolutieproces. Hij ging zich verdiepen in psychologische en sociologische werken om na te gaan hoe ’s mensen vermeende unieke eigenschappen als gevolg van natuurlijke evolutie konden zijn ontstaan en kwam tot de overtuiging, dat de menselijke natuur is ontstaan uit reeds in de dierenwereld aanwezige vermogens.

De oorzaak van het bestaan van overerfbare variaties tussen individuen van een bepaalde soort was Darwin onbekend, hij gebruikte het bestaan ervan voor zijn theorie. Vanwege dit gebrek aan kennis van een fundamenteel aspect van de evolutieleer is het bijzonder boud om te stellen, dat evolutie door natuurlijke selectie van de door het bezit van bepaalde, gunstige variaties best aan een bepaalde omgeving aangepasten, een scheppend proces is, waardoor soorten daadwerkelijk in de loop der tijd overgaan in hogere soorten.

Nadat Darwin de hoofdlijnen voor zijn theorie had uiteengezet, werkte hij haar verder uit in de jaren 1840-1859. Vanwege de grote weerstand tegen Chambers’ ‘Vestiges’, waarin ook transformatie werd voorgesteld, duurde het tot 1858, het jaar waarin hij vernam, dat Wallace onafhankelijk van hem tot eenzelfde soort evolutietheorie was gekomen, eer Darwin overging tot het schrijven van zijn ‘Origin of Species’.

In deze periode trachtte Darwin zijn theorie zó uit te breiden, dat hij kon aantonen, dat de verschillende soorten van een taxonomische groep allen afstammen van een gemeenschappelijke voorouder. Sommige soorten kunnen zelfs zozeer van elkaar gaan verschillen, dat ze niet langer tot dezelfde taxonomische groep gerekend kunnen worden. Darwin geloofde verder, dat variëteiten binnen de soort (rassen) de eerste stap waren naar een nieuwe soort, de eerste fase van de soortsvorming (speciatie).    

Met zijn theorie dacht Darwin ook het bestaan van rudimentaire organen te kunnen verklaren. Dit zijn organen, die ooit voor het organisme van nut waren, maar die onder de huidige natuurlijke omstandigheden voor de soort geen waarde meer hebben. Als Darwins theorie klopt, kan men niet stellen, dat deze rudimentaire structuren in de toekomst gebruikt zullen worden. Want natuurlijke selectie kan alleen een structuur vergroten en ontwikkelen als hij op alle punten van zijn ontwikkeling zijn nut heeft. Dit is een essentieel punt, wil men niet in teleologie, dat is in doelmatigheid en een plan in de natuur geloven. Maar hoe moet men het zich voorstellen, dat alle ontwikkelingsfases van (bv.) het menselijk oog haar nut hebben? Het oog heeft geen nut, tenzij het er volledig is. Darwin zag, dat vele verschillende soorten van organismen ogen met een even verschillende mate van complexiteit hadden, waaruit dan zou blijken, dat het oog tijdens elk ontwikkelingsstadium uitstekend in staat is positief voor het organisme werkzaam te zijn. Maar dit verklaart niet, wat het nut is van de verschillende ontwikkelingsfases van het oog tijdens de ontwikkeling van een organisme, dus bij één individu, van een bepaalde soort. En waarom heeft (bv.) de mens ook geen derde oog in het achterhoofd ontwikkeld?

Door het werk van andere biologen, zoals Carpenter en Owen, begon Darwin in te zien, dat niet alle soorten perfect aan hun levensstijl zijn aangepast, maar zich steeds meer specialiseren. Evolutie was dus niet zozeer een proces van het handhaven van een bepaalde adaptatie, als wel een proces van constante speciatie. Door naar dit morfologische, palaeontologische en embryologische werk van toentertijd erkende wetenschappers in zijn ‘Origin of Species’ te verwijzen, werd het voor Darwin gemakkelijker om zijn theorie ingang te doen vinden. Maar hij had nog steeds te verklaren, waaróm natuurlijke selectie leidt tot steeds verdere specialisatie van soorten. Hij vond het antwoord in een economische analogie: net zoals het voor alle arbeiders goed is om zich te specialiseren op en bepaald aspect van het fabricageproces, in plaats van dat elke arbeider het gehele proces voor zijn rekening neemt, is het voor sterk verwante soorten goed om, in plaats van met elkaar te concurreren, zich te specialiseren in een eigen levensstijl, waardoor een voor beiden nadelige strijd wordt voorkómen.

Rond 1854 kwam Darwin tot het inzicht, dat geografische isolatie voor soortsvorming niet noodzakelijk is, maar dat het mechanisme van de natuurlijke selectie zelf krachtig genoeg is om individuen binnen een populatie zover van elkaar af te laten groeien, dat het verschillende soorten worden. Dit verschijnsel staat bekend als sympatrische speciatie.

Met deze nieuwe vorm van zijn theorie, waarbij divergentie van soorten wordt gezien als het noodzakelijke gevolg van natuurlijke selectie, kon Darwin een veel grotere hoeveelheid biologische fenomenen verklaren dan met de theorie in haar oorspronkelijke vorm.

Nu achtte Darwin de tijd gekomen om zijn ideeën middels het schrijven van de ‘Origin of Species’ in de publiciteit te brengen, waarbij de uiteindelijke stimulus tot het schrijven, zoals vermeld, het ontvangen van een brief van Wallace in 1858 was, waarin deze Darwins evolutiedenkbeelden zelf ontwikkeld bleek te hebben[3]      

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



[1] Lyell leerde, dat de aarde ten gevolge van geologische processen aan verandering onderhevig was, zodat een bepaald soort  organisme niet volmaakt aangepast kan zijn aan een bepaalde omgeving.

[2] Dit concept van een strijd in de natuur in plaats van harmonie paste geheel in het liberale, 19e eeuwse denkklimaat van het laissez-faire individualisme, dat typerend was voor het Victoriaanse kapitalisme, waar Darwin mogelijk bewust of onbewust door werd beïnvloed. Daar komt nog bij, dat hij in aanraking kwam met de denkbeelden van Thomas Malthus, wiens ‘Essay on Population’ Darwin in 1838 had gelezen. Wat houden die denkbeelden in?

Tegen het einde van de 18e eeuw heerste er in Groot-Brittannië een algeheel gevoel van cultuuroptimisme. Het productieve vermogen van de gemeenschap ging met sprongen vooruit en binnen afzienbare tijd zou aan alle sociale wantoestanden een einde komen. Maar niet iedereen was hiervan overtuigd. Onder hen bevond zich Thomas Malthus. Hij worstelde met het volgende probleem: toentertijd huldigden de economen de overtuiging, dat de bevolkingsomvang altijd sneller toeneemt dan de hoeveelheid productiemiddelen. Daardoor zal de hoeveelheid productiemiddelen altijd te klein zijn voor de hoeveelheid mensen. Dus het moge zo zijn, dat een toename van de hoeveelheid productiemiddelen een aanvankelijke stijging van de levensstandaard over de volle breedte van de bevolking als gevolg heeft, de hierdoor veroorzaakte toename van het aantal mensen doet spoedig de hoeveelheid productiemiddelen weer te klein zijn om het hogere levenspeil te handhaven, waardoor de mensen gedoemd zijn tot een, zoals hij het letterlijk uitdrukte, ‘strijd om het bestaan’, en hun levensstandaard altijd op een minimumniveau zou blijven.

[3] Toen Darwin het manuscript van Wallace had ontvangen, schreef hij, erg overstuur, aan Lyell: ‘Uw woorden, dat iemand mij voor zou zijn, zijn wel terdege uitgekomen… Als Wallace mijn schets voor een manuscript in 1842 had overgeschreven, had hij geen beter kort-overzicht kunnen maken! Zelfs staan zijn bewoordingen nu als koppen boven mijn hoofdstukken’ (uit: R.E.D. Clarke: En toen kwam Darwin, Amsterdam (1978), pp. 46/7).