Thuispagina » Artikelen » Wijsbegeerte van de biologie » Empirische steun vanuit de recente bevindingen der biologische vakwetenschap voor de structuurtheori » 9. De multimodaliteit en polynomie der al of niet enkaptisch vervlochten individualiteitsstructuren

9. De multimodaliteit en polynomie der al of niet enkaptisch vervlochten individualiteitsstructuren

 

Vermelding verdient voorts nog het verschijnsel van de enkapsis. We kwamen de term zo juist al even tegen in een voetnoot en in de vorm van de correlatieve enkapsis, waarbij de Umwelt het fenotype (en dat, gezien het verschijnsel der epigenesis, waarop hier nu niet ingegaan wordt, zelfs op overerfbare wijze) bepaalt.

 

Op WdW-standpunt zijn alle zinmodaliteiten, zoals gezegd, van meet af aan (ongespecificeerd) universeel aanwezig[1]. En alle entiteiten functioneren altijd, hetzij subjectief/actief, hetzij mogelijk dan wel werkelijk objectief/passief, in elke zinmodaliteit, ongeacht haar specificatie/typificatie. En ‘altijd’ wil werkelijk zeggen: zij zijn van meet af aan, dat wil zeggen sedert het begin van de tijd, geschapen, dus in potentie aanwezig zijn (de schepping is immers voltooid).

 

Dat betekent, dat elke entiteit voortdurend functioneert in de wetskringen van alle modaliteiten, hetzij als subject, hetzij als (mogelijk) object. Strauss:

 

‘The modal universality of the various aspects enables all entities to function within all these aspects of reality’[2].

 

Hij noemt dit, zoals gezegd, de polynomie van de entiteiten:

 

‘Since laws from different aspects co-determine such entities, we can designate it as polynomic[3].

 

Elke entiteit wordt dus tegelijkertijd gespecificeerd door verschillende typen modale wetten, niet alleen door de modale wetten van de kwalificerende, leidende modaliteit die bepaalt tot welk radicaaltype een entiteit behoort. De type-wet die geldt voor een bepaalde entiteit is dan ook een (polynome) totaliteitswet, een totaliteitsstructuur (Dooyeweerd noemt dit de  individualiteitsstructuur, Strauss – m.i. terecht – de entiteitsstructuur). Zo staat de interne ontsluiting van de fysisch-chemische substructuren van een cactus en van een waterplant gedurende hun ontogenese weliswaar onder leiding van hetzelfde kwalificerende biotische aspect, zij zullen toch op verschillende wijze worden gespecificeerd, ondanks het feit dat ze tot hetzelfde radicaaltype ‘plant’ behoren.     

 

Alleen zijn de weliswaar reeds geschapen entiteiten niet allemaal van meet af aan ook actueel geworden, maar pas in de loop van het kosmisch-tijdelijke ontsluitingsproces door de aarde voortgebracht, op aarde verschenen, manifest geworden, of ze zullen nog op aarde verschijnen. Wel verschilt het aantal modale functies waarin de individualiteiten subjectief functioneren. De kosmisch-tijdelijk laatste natuurwettelijke modale subjectfunctie waarin een entiteit functioneert bepaalt, zoals gezegd, als de die entiteit kwalificerende functie, het rijk waartoe ze behoort. Voor anorganismen is dat de fysisch-chemische ofwel energetische functie, voor planten de biotische en voor dieren de psychische ofwel sensitieve. De mens is niet bij enig rijk in te delen, aangezien zijn kosmisch-tijdelijk laatste subjectfunctie wisselt al naar gelang de (wel altijd normatieve) act-iviteit die hij ontplooit. Als hij iets betaalt, is hij homo economicus, als hij worteltrekt, is hij homo logicus etc..   

 

Het verschijnsel enkapsis nu wil zeggen, dat binnen de vormtotaliteit van een individualiteit de deze vormtotaliteit samenstellende individualiteitsstructuren met elkander vervlochten zijn.

Daarbij werden (c.q. worden) gedurende het interne (c.q. externe) ontsluitingsproces de als zodanig ongespecificeerde universele zinmodaliteiten waarin de betreffende individualiteit subjectief (of, al of niet mogelijk, objectief) fungeert getypificeerd ofwel gespecificeerd (voormelde gespecificeerde universaliteit). Ouwendorp:

 

‘Concrete individuele entiteiten fungeren in alle modale aspecten, maar de individualiteit van elke entiteit komt steeds op een typische, d.i. een entiteitsstructurele wijze tot uitdrukking in elk modaal aspect’[4];

 

Strauss:

 

‘(…) the universal modal meaning of all the aspects cannot be individualized – they can only be specified. The reason given for this is that what is universal and what is individual are not two ends of a continuum. These two realities are irreducible’[5].

 

Hierbij behouden ook alle substructuren intern haar eigen modale kwalificatie, ze blijven soeverein in eigen kring, ondanks haar enkaptische binding binnen de vormtotaliteit met de structuur die de totaliteit modaal kwalificeert. Slechts zo lang de enkaptische binding van de substructuren voortduurt, bezitten zij door deze externe binding de kosmisch-tijdelijk altijd latere, objectieve modale kwalificatie van de leidende structuur (dit verschijnsel wordt binnen de WdW ‘zinverschuiving’ genoemd). Zodra de, met betrekking tot haar eigen kwalificerende subjectfunctie externe, enkaptische binding binnen de vormtotaliteit wegvalt (door de dood van het organisme) komen de substructuren in haar eigenwettelijkheid gedurende het ontbindingsproces weer vrij (‘stof zijt gij, tot stof zult gij wederkeren’).  

_________________________________________________________________________________________________________

[1] D.F.M. Strauss: ‘Intelligent Design – a Descendant of Vitalism?’: ‘The main point is that modal laws hold universally without any specification (…)’; Tydskrif vir Christelike Wetenskap (2015 (3)): p. 69

[2] D.F.M. Strauss: ‘Philosophy – Discipline of the Disciplines’, Grand Rapids, Michigan (2009): p. 394, zie ook a.w.: p. 70

[3] D.F.M. Strauss: ‘Intelligent Design – a Descendant of Vitalism?’; Tydskrif vir Christelike Wetenskap (2015 (3)):

  1. 66

[4] C. Ouwendorp: ‘Het probleem van het universele en individuele’: p. 54; Phil. Ref. 59 (1) (1994)

[5] D.F.M. Strauss: ‘Philosophy – Discipline of the disciplines’, Grand Rapids, Michigan (2009); p. 451