Thuispagina » Artikelen » Wijsbegeerte van de biologie » Empirische steun vanuit de recente bevindingen der biologische vakwetenschap voor de structuurtheori » 8. Het interne verbindingspunt tussen de modale en de structuurtypische werkelijkheidsdimensie

8. Het interne verbindingspunt tussen de modale en de structuurtypische werkelijkheidsdimensie

 

Onze voor-theoretische ervaring van deze tijdelijke werkelijkheid is, door haar betrokken zijn op de eerder vermelde meerlagigheid van de kosmische wetsorde der tijdelijke werkelijkheid, ook meerlagig: onze ervaringshorizon van de zijnwijzen wordt de modale ervaringshorizon genoemd en die van de structuurtypen onze structuurtypische ofwel plastische ervaringshorizon. De beide lagen van de tijdelijke werkelijkheid, die onze meerlagige ervaring ervan mogelijk maken, hebben een intern verbindingspunt. Volgens Dooyeweerd begint onze ervaring van de tijdelijke werkelijkheid bij de modale ervaringshorizon[1]. Wij ervaren aan alle dingen vijftien onderling onherleidbare (onderling irreduceerbare)  zinmodaliteiten, waarbij elk ding in het bijzonder gekenmerkt (in WdW-termen: ‘gekwalificeerd’) wordt door één bepaald modaal aspect. Een steen bv. door het fysisch-chemische aspect (ook wel het energetische aspect genoemd; en in het voorgaande stelde ik ook nog als synoniem ‘het materiële aspect’ voor), een plant door het biotische aspect, een dier door het sensitieve aspect en een kunstwerk door het esthetische aspect. Ik noemde dit al eerder. Afhankelijk van haar modale kwalificatie behoort enige entiteit tot een bepaald radicaaltype, ook wel ‘rijk’ genaamd. Een steen tot het rijk der anorganische natuurdingen, een plant tot het plantenrijk (de flora) en een dier tot het dierenrijk (de fauna). De kwalificerende zinmodaliteit bepaalt dus tot welk structuurtypologisch rijk een entiteit behoort, ofwel bepaalt het radicaaltype. Dooyeweerd:

 

‘The first and most fundamental difference between the structural types is determined by the modality of their typical leading function, which gives the structural whole its typical qualification and internal destination. This criterion delimits the ultimate genera of the structures of individuality, which, as such, are not enclosed in higher generic types. (…) we shall designate these elementary genera by the term radical types, and the structural orbits of things or other individual totalities encompassed by them, we shall call kingdoms[2].

 

En dit is dan het interne verbindingspunt tussen beide werkelijkheidslagen.

 

Vanwege voormelde onderlinge onherleidbaarheid der zinmodaliteiten zijn ook de verschillende, immers modaal bepaalde, radicaaltypen ofwel rijken onderling onherleidbaar[3].

Een rijk kan, zoals reeds is vermeld, voorts onderverdeeld worden in verschillende stamtypen, afdalend tot en met het zgn. elementaire stamtype, die eveneens, als transcendentele structuren, onderling onherleidbaar zijn/niet kunnen macro-evolueren, maar constant zijn. J.H. Diemer:

 

‘Het typologisch denken tracht de soortelijke verscheidenheid van een aantal overeenkomstige typen van bouw, functie enz. (…) te begrijpen als uitwerking van een fundamenteel gestaltetype volgens bepaalde structuur- of stijlwetten’[4].

 

  1. Kalsbeek:

 

‘We moeten nog wel even aantekenen dat de radicaaltypen en stamtypen, als behorende tot de kosmische wetsorde, onherleidbaar zijn. Daarom wijst Dooyeweerd zeer beslist iedere evolutieleer af die meent dat de structuurprincipes als resultaat van een wordingsproces zouden zijn ontstaan. (…) De ontdekkingen van de paleontologie wijzen dan ook in een andere richting, n.l. naar een wording en evolutie binnen het kader van de onherleidbare grondstructuren van de individualiteit’[5].

 

  1. Dooyeweerd:

 

Special sciences are in a constant danger of surrendering to an evolutionistic or historicistic view which results in an elimination of the structures of individuality. Therefore it is necessary to emphasize that every genetic viewpoint pre-supposes these structures. The latter cannot be subject to genesis and evolution, it is only their realization in changeable individuals which permits a genetic investigation according to specific scientific viewpoints. Ideovariations (mutations) which occur within the vegetable or animal kingdoms cannot give rise to new structural principles, but only to individuals which exhibit a specific geno-type not yet realized before. Every attempt at a causal genetic explanation of the genotypes and the radical-types themselves is meaningless.’[6].

 

  1. de B. Kock:

 

‘Binnen die genoemde drie ryke is daar (…) ’n haas onuitputlike verskeidenheid van stamtipes en subtipes sowel as variabiliteitstipes waarvan geen enkele tipe of eksemplaar egter die ryksgrense oorskry nie’[7].

 

En C. Ouwendorp:

 

‘Evenals in de modale structuren een modale zinkern valt aan te wijzen die de gehele modale structuur met haar analogische momenten kwalificeert en haar een onherleidbaar karakter opdrukt, zo is in de individualiteitsstructuren (…) steeds een kwalificerend modaal aspect aan te wijzen dat aan de individualiteitsstructuur haar onherleidbaar type opdrukt. En deze kwalificerende modale functie typiseert zich volgens Dooyeweerd in een afdalende reeks van radicaaltype, stamtype en variabiliteitstype’[8].

 

Het geheel van alle stamtypen/taxons waartoe een entiteit behoort wordt de typenkring genoemd [9].

 

Wanneer de empirie, zoals gezegd, uitwijst dat twee diersoorten die tot dusverre tot twee verschillende elementaire stamtypen werden gerekend, onderling toch blijken te kunnen kruisen, dus levensvatbare nakomelingen kunnen krijgen, dan worden zij binnen de WdW simpelweg voortaan tot hetzelfde elementaire stamtype gerekend, ook wel biotype, genotype, of soort genoemd (Engels: ‘basic type’, Duits: ‘Grundtype’). In plaats van dat geconcludeerd wordt dat zij ooit door evolutie (‘evolutie’ zonder meer, dus zonder dat hierbij gesproken wordt over  macro-evolutie in onderscheid van micro-evolutie) in een continue, creatieve, opklimmende lijn afstammen van eenzelfde, minder complexe voorouder, zoals de evolutionist doet, ziet de WdW-aanhanger zoiets slechts als een voorbeeld van micro-evolutie binnen de constante, transcendentele, niet macro-evoluerende grenzen van het elementaire stamtype ter subjectzijde, wat, vanwege de onverbrekelijke correlatie van wet- en subjectzijde, tegelijkertijd een actueel worden, een openbaar worden vanuit een pluripotent elementair stamtype van een nieuw verschenen/nieuw geworden ‘soort’ in de zin van een nieuw fenotype ter wetzijde is.

 

Doordat de evolutionist dit onderscheid tussen micro- en macro-evolutie niet kent of niet aanvaardt, ziet hij zichzelf evenwel geplaatst voor de voormelde vraag hoe het hem, zo zonder vast ijkpunt, dan nog mogelijk is om überhaupt verandering te kunnen constateren

 ________________________________________________________________________________________________________

[1] Hier wordt wel verschillend over gedacht.

[2] H. Dooyeweerd: ‘A New Critique of Theoretical Thought’, Volume III: p. 83; Ontario, Canada (1984)

[3] C. Ouwendorp: ‘Het probleem van het universele en individuele’: p. 51; Phil. Ref. 59 (1) (1994)

[4] J.H. Diemer: ‘De totaliteitsidee in de biologie en de psychologie I’; Phil. Ref. 4 (1939): pp. 29-44: p. 35

[5] L. Kalsbeek: a.w.: p. 191

[6] H. Dooyeweerd: ‘A New Critique of Theoretical Thought’, Volume III: p. 94; Ontario, Canada (1984).

[7] P. de B. Kock: a.w.: p. 129

[8] C. Ouwendorp: ‘Het probleem van het universele en individuele’: p. 51; Phil. Ref. 59 (1) (1994). Twee opmerkingen hierbij:

1) Strauss heeft er m.i. terecht op gewezen, dat niet alleen de kwalificerende modale functie, die bij het ontsluitingsproces de leiding heeft, zich in de entiteiten en in de enkaptische structuurtotaliteiten typiseert (= specificeert) (wat door hem aangeduid wordt met de term ‘gespecificeerde universaliteit’), maar dat zulks ook gebeurt bij de door haar geleide, kosmisch-tijdelijk vroegere modale functies. Deze laatste typiseren zich evenzeer, weshalve Strauss de structuurwetten die gelden voor entiteiten ‘polynoom’ noemt. Zie zijn ‘Intelligent Design – a Descendant of Vitalism?’, p. 66: ‘Since laws from different aspects co-determine such entities, we can designate it as polynomic’; Zie ook a.w., p. 70: ‘Natural and social entities function in a ‘typical’ way within every (cursief R.B.) modal aspect’.

Zo verkrijgt men een meervoudig ‘soortbegrip’: waarbij rekening gehouden wordt met het feit, dat entiteiten zoals organismen in alle modaliteiten functioneren, met het feit, dat de structuurtypen totaliteitswetten zijn. Daardoor kunnen er op de verschillende individualiteitsstructuren die tezamen de enkaptische structuurtotaliteit van organismen vormen ook verschillende soortcriteria worden toegepast, afhankelijk van de kwalificerende modaliteit van betreffende (al of niet sub-)structuur. Bij bv. een dier het morfospecies-criterium op zijn fysisch-chemische substructuur, het biospecies-criterium op zijn biotische substructuur, en het ethospecies-criterium op zijn kwalificerende psychische structuur en daarmede op de enkaptische structuurtotaliteit van het dier in haar geheel. Daardoor wordt een veel verfijndere taxonomie verkregen.

Ook Ouwendorp huldigt terecht het bovenstaande standpunt. Ook hij spreekt in dezen over ‘gespecificeerde (dus niet, reductionistisch, ‘geïndividualiseerde’!) universaliteit’: zie zijn ‘Het probleem van het universele en individuele’: p. 54; Phil. Ref. 59 (1) (1994). Net zoals Dooyeweerd gebruikt ook J.H. Diemer helaas soms de term ‘individueel’ waar de term ‘specifiek’ op zijn plaats geweest zou zijn: ‘Men kan bij het opsporen en in systeem brengen van algemene functionele relaties volkomen abstraheren van de individuele structuur-verschillen binnen de onderscheidene wetskringen’. (Maar) ‘Het typisch-specifieke structurele gebeuren van individuele atomen, planten en dieren onderstelt het algemeen-functionele gebeuren, doch het is er geenszins toe te herleiden. Het is een méér dan functioneel, n.l. een individueel gebeuren’; J.H. Diemer: ‘Over biotypen van Anopheles maculipennis Meigen, in het bijzonder in Westelijk Nederland; een taxonomisch onderzoek’; proefschrift Leiden (1935): p. 235; zie ook zijn ‘De nieuwe holistische biologie’; Orgaan van de Chr. Vereen. Van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland 34 (1936): pp. 94-95. Elders formuleert hij het gelukkig bevredigender: in zijn boekbespreking van M.A. Bruna’s ‘Biologie en Wijsbegeerte’; Correspondentiebladen van de Ver. Voor Calv. Wijsb. 4 (1939): nr. 3-4, pp. 7-10 schrijft hij (op p. 10) dat het de structuurprincipes der bovenmodale individualiteitsstructuren zijn die de modale subjectsfuncties (cursief R.B.) van een organisme samenvatten en stempelen tot individuele levensverschijnselen van typische aard ;

2) Die afdaling eindigt, anders dan Ouwendorp hier lijkt te menen, volgens Dooyeweerd niet ter hoogte van het variabiliteitstype ofwel fenotype, maar ter hoogte van het (daarom ook ‘elementair’ genoemde) stamtype (genotype, ‘primary type’): ‘Geno-types may exhibit an immense internal differentiation of structural, mutually cohering larger and narrower sub-types, which retain their internal geno-typical character and are not reducible to variability-types. Within a geno- or primary type the descending inner articulation will end in ultimate sub-types which show no evidence of further internal differentiation’ (H. Dooyeweerd: ‘A New Critique of Theoretical Thought’, Volume III: p. 94; Ontario, Canada (1984)). Het is binnen de kaders van dit laatste type, ook wel o.m. basistype genoemd, dat er micro-evolutionaire speelruimte is voor het variabiliteitstype ofwel fenotype.         

[9] Men zou het wellicht zo kunnen uitdrukken dat het door hun typenkring, dus door hun fundamentele wetzijde, in onverbrekelijke correlatie met hun subjectieve wetmatigheid/ordelijkheid, aan anorganismen, planten en dieren mogelijk is om subjectief-kinematisch te functioneren, dus om zichzelf/om constant te blijven te midden van alle subjectief-energetische/fysisch-chemische veranderingen die zij gedurende hun bestaan ondergaan.

Het voert te ver van het onderwerp af om er dieper op in te gaan, maar het is in dit verband toch vermeldenswaardig dat op WdW-standpunt het subjectief functioneren van alle anorganismen, planten en dieren in het arithmetrische aspect inhoudt, dat elke entiteit uniek is, en dat hun aller subjectief functioneren in het ruimtelijke aspect impliceert dat elke weliswaar unieke entiteit toch ook te classificeren is, zelfs als het het enige lid van een klasse is. Volgens Van Riessen zijn de uitspraken die over alle zijnden gedaan kunnen worden op basis van hun aller subjectief functioneren in de eerste vier kosmische tijdsmodaliteiten de meest fundamentele uitspraken die erover gedaan kunnen worden.