Thuispagina » Artikelen » Wijsbegeerte van de biologie » Empirische steun vanuit de recente bevindingen der biologische vakwetenschap voor de structuurtheori » 5. Micro-evolutie vindt altijd aan de subjectzijde in correlatie met de wetzijde plaats

5. Micro-evolutie vindt altijd aan de subjectzijde in correlatie met de wetzijde plaats

 

Het onderscheid binnen de WdW tussen wetzijde en subjectzijde sluit dus, zoals gezegd, niet de mogelijkheid en zelfs de werkelijkheid van een bepaalde ontplooiing, van een bepaalde variabiliteit, ook aan/van/binnen de wetzijde uit. Kalsbeek:

 

‘In het wordingsproces, dat na de schepping heeft plaatsgevonden, treden de typen achtereenvolgens aan de dag: na de anorganische wereld de planten, die in staat zijn hun voedsel rechtstreeks daaruit te betrekken; daarna kon pas het dierenrijk tot ontwikkeling komen’[1].

 

Dooyeweerd zelf noemde dit voorkomen van een zekere variabiliteit aan ook de wetzijde van de tijdelijke werkelijkheid de ‘wet der zin-dynamiek’[2]. Men heeft hierom Dooyeweerd wel verweten dat hij toch een openingetje geboden zou hebben aan het macro-evolutionisme, maar dit is ten onrechte. Want ook op WdW-standpunt wordt erkend, dat er in de loop van de tijd (in WdW-termen: tijdens het kosmische ontsluitingsproces, tijdens het wordingsproces[3]), en zulks dan niet alleen maar na de zondeval, ‘soortvorming’ plaatsvindt, in reactie op veranderde omgevingsfactoren, bv. t.g.v. het ontstaan van predatoren en prooien direct na zondeval, of t.g.v. een wereldomvattende natuurramp, waarbij dan vooral aan de qua aanzijn sterk veranderde wereld van na de zondvloed (een flessenhals van de eerste orde) gedacht mag worden, of doordat er zich een dochterpopulatie afsplitste van de moederpopulatie en in een ander gebied, in een andere oecosfeer terecht kwam (het stichter-effect genaamd), waardoor er verschillende oecospecies of geospecies ontstonden[4].

 

Hoe zou in een tijd dat er geen mutaties plaatsvonden fenotypische variatie als uitgangspunt voor micro-evolutionaire soortvorming kunnen ontstaan? Aan het volgende zou gedacht kunnen worden.

Men zou het zich dan zo voor kunnen stellen, dat er in den beginne sprake was van een geschapen heterozygotie op de neutrale genloci, waarna er uit deze vooraf gegeven heterozygote bipotentialiteit[5] op de loci van de in termen van levensvatbaarheid dus niet-essentiële, neutrale genen[6] die zo’n dochterpopulatie in zijn genenpool met zich meedraagt, ten gevolge van de tijdens de gametogenese optredende genetische recombinaties, heel bepaalde fenotypen/variabiliteitstypen actueel werden/verwerkelijkt werden/ontsloten werden[7]. Dit zijn dan de voor die loci homozygoot-recessieve ‘verliesmutanten’[8]. Deze fenotypische variatie die door de aarde voortgebracht werd, deze vorming van variabiliteitstypen ofwel rastypen door alleen maar het mechanisme van recombinatie met daarop volgende ‘genetic drift’, is dus puur Mendeliaanse micro-evolutie en heeft derhalve niets met macro-evolutie door extreem zeldzame toevallig positieve mutaties te maken. Men zou de variabiliteit op/binnen de loci van de neutrale genen, d.w.z. de diverse allelen van de neutrale genen, hun genvarianten, hierom mogen zien als verantwoordelijk voor de variabiliteit aan de wetzijde, waarbij die constante, transcendentele wetzijde dan geconstitueerd wordt door de neutrale genloci. De allelen op/binnen de voor de levensvatbaarheid essentiële en daardoor constante, niet macro-evoluerende genloci worden echter geconserveerd, micro-evolueren dus niet. Homozygoot recessieve genotypen leiden tot de dood: het w.t. allel wordt dus door natuurlijke selectie geconserveerd.

 

In deze zin moeten Dooyeweerds gewraakte passages hieromtrent gezien worden.

 

Kan er hierdoor, dus door recombinatie van geschapen heterozygote  genotypen op neutrale genloci, zonder dat er eerst variatie door een voorafgaande verliesmutatie ontstaan is, reeds verarming van een genenpool plaatsvinden, dus voordat er mutaties bestonden? Dus degeneratie vóór de zondeval, ten gevolge van het (‘zeer goed’) geschapen zijn van niet functionele, recessieve allelen, van dode pseudogenen[9]? Ik weet niet, of dit een onvermijdelijke conclusie is. Ik ben geen populatie-dynamicus. Want wellicht was het statistisch nimmer mogelijk, dat er in geval van geschapen heterozygotie door puur toevallige genetische recombinaties, door ‘genetic drift’, op een kwade dag van een geschapen soort alleen maar populaties van met betrekking tot een bepaalde neutrale genlocus homozygoot recessieve verliesmutanten overbleven, waardoor het nooit meer mogelijk zou zijn dat er vermenging op kon treden met populaties waarin het dominante wild type allel nog wel bestond, waardoor er dus ‘terug gefokt’ kon worden tot het pluripotente elementaire stamtype.  

   

Maar wel zou het dus zo kunnen zijn, dat er van meet af aan sprake is geweest van het bestaan van enkele lichtelijk van elkaar verschillende, dus verwante dominante wildtype allelen op verschillende neutrale genloci voor een bepaald fenotype. De fenotypische variatie die er ook voor de val waarschijnlijk al was, doordat er waarschijnlijk ook toen al sprake was van een variatie aan biotopen, werd dan dus wellicht niet zozeer veroorzaakt door het contrast tussen het op een homozygoot dominant dan wel een heterozygoot genotype gebaseerde wild-typische fenotype enerzijds, en het homozygoot recessieve fenotype van de betreffende verliesmutant anderzijds (waardoor het betreffende fenotype een monogene eigenschap is, dat wil zeggen bepaald wordt door het genotype op één enkele genlocus), als wel door het bestaan van verschillende wildtype dominante allelen, die voor – nog niet door natuurlijke selectiedruk afgestrafte - variatie konden zorgen doordat zij bij generatiewisselingen gerecombineerd konden worden, waardoor er verschillende variabiliteitstypen/fenotypen konden ontstaan (co-dominantie) – betreffend fenotype is dan een polygene eigenschap). Springende genen (transposons, mobiele, variatie-inducerende genetische elementen) zouden dan, daartoe aangezet door epigenetische omgevingsinvloeden, in de meiose-fase van de gametogenese nieuwe, dus re-combinaties van verschillende dominante wild type allelen kunnen veroorzaken.

 

Of epigenetische factoren zouden deze transposons kunnen aanzetten tot het tot expressie laten komen van micro-RNA-genen, wier transcriptieproduct andere genen aan- of uitschakelen door te binden aan operators of repressors.

 

Van eenzelfde basistype zouden er mogelijk op deze twee wijzen morfologisch en anatomisch verschillende varianten hebben kunnen vormen voor een leven in moerassig gebied dan wel voor een leven in bosrijk gebied. De betreffende individuen blijken zichzelf dan optimaal actief aan te kunnen passen aan hun milieu/biotoop, optimaal vervlochten te kunnen geraken met hun ‘Umwelt’ in een zgn. correlatief-enkaptische relatie, zonder een passief lijdend voorwerp te zijn als speelbal van natuurlijke selectie.  

 

Zelfs binnen eenzelfde biotoop zou er variatie kunnen ontstaan  (‘sympatrische speciatie’). Verschillende kleuren grasparkieten bv. hadden toen, voor de zondeval, even grote overlevingskansen. Niet-groene liepen toen nog niet meer gevaar doordat zij predatoren meer opvielen. Variatie zou nog niet afgestraft worden door predatoren in de strijd om het bestaan maar kon blijven bestaan, evenals variatie-potentieel, doordat dode pseudogenen nog niet onomkeerbaar konden ontstaan. Blauwe parkieten ontstonden wellicht doordat mobiele elementen de aanmaak van geel pigment voorkwamen, en vice versa. Of zij verhinderden de aanmaak van beide typen pigment, waardoor er witte ontstonden.

 

Epi-genetische effecten, niet verliesmutaties, zouden wellicht verantwoordelijk geweest kunnen zijn voor het omkeerbare verlies van het gezichtsvermogen en de kleur bij bv. grotvissen, toen zij zich afsplitsten van   hun moederpopulatie.

 

________________________________________________________________________________________________________

[1] L. Kalsbeek: a.w.: p. 191; dat achtereenvolgens aan de dag treden kon dan plaatsvinden op de achtereenvolgende dagen van Gen. 1, die de eerste dagen van het wordingsproces zijn. 

[2] Vgl. H. Dooyeweerd: ‘Van Peursens Critische vragen bij ‘A New Critique of Theoretical Thought’; Phil. Ref. 1960 (3+4): p. 110 e.v. 

[3] ‘En de aarde bracht voort…’

[4] Gezien hun respectieve radicaaltypen is het misschien op zijn plaats om voor het fysisch-chemisch gekwalificeerde rijk der anorganismen het morfospecies-criterium als leidraad te hanteren, voor het biotisch gekwalificeerde plantenrijk het biospecies-criterium en voor het psychisch gekwalificeerde dierenrijk voortaan te spreken over het ethospecies-criterium. Waar twee planten tot dezelfde soort gerekend zouden mogen worden als zij ‘in vitro’ onderling een levensvatbaar nageslacht kunnen leveren (of dat nu fertiel is of niet), zou dat bij twee dieren pas het geval mogen zijn als zulks ‘in vitro’ ook daadwerkelijk gebeurt. De dierpsychologie of de ethologie zou bij de taxonomie van het dierenrijk dan de leiding moeten hebben.    

[5] Hierbij ga ik, gezien de term ‘bipotentialiteit’, dus uit van twee genvarianten/allelen voor monogenetisch bepaalde  eigenschappen: een dominant allel dat codeert voor het w.t. eiwit en een gemuteerd recessief allel dat niet vertaald kan worden in een functioneel w.t. eiwit. Echter, het valt niet uit te sluiten dat sommige oertypen geschapen zijn die uitgerust zijn met meerdere w.t. allelen, die coderen voor nauw verwante eiwitten (zie ook de hoofdtekst). Die allelen zouden dan op één of op meerdere genloci verspreid binnen het genoom gelegen kunnen zijn (in het eerste geval moet het gentranscript dan ‘gespliced’ worden - zie hierna). Het hangt dan maar net af van de uitkomst van het toevallige genetische recombinatieproces, dat plaats vindt bij elke generatiewisseling, welke (bv.) kleurvariant er in het fenotype verschijnt. Hierbij kan ook nog eens polygenie een rol spelen in die zin, dat niet zozeer (bv.) (kwalitatief) de kleur bepaald wordt, als wel (kwantitatief) de intensiteit van de kleur. Zie hiervoor ook het voorbeeld van de paprikakleuren in P.M. Scheele: ‘Degeneratie’, Amsterdam (1997): p. 231. Maar op één bepaalde genlocus kan er altijd maar sprake zijn van een of twee allelen: een van de vader afkomstig en een van de moeder. De term ‘pluripotentialiteit’ duidt, dankzij de overdaad aan neutrale genloci waarop combinaties van verschillende dominante wildtype allelen mogelijk zijn, meer het enorme micro-evolutionaire aanpassingsvermogen van een oergenoom (ook wel ‘baranoom’ genoemd) als geheel aan.      

[6] Eén allel is dan het dominante wild type allel, dat codeert voor een bepaald eiwit dat een niet-essentiële en dus te missen rol speelt binnen het individu, en het andere allel is dan de gemuteerde variant.

[7] Ik schreef ‘soortvorming’ hier met opzet tussen aanhalingstekens aangezien ik eigenlijk de constante transcendentele elementaire stamtypen ofwel de ‘created kinds’ zie als soorten. Strikt genomen gaat het bij wat als ‘soorten’ beschouwd wordt om de variabiliteitstypen ofwel rastypen, wier ontstaan slechts mogelijk is binnen de constante kaders van een elementair stamtype (dat overigens bij het ene type dieren of planten op het niveau van het genus kan liggen, bij het andere op het niveau van de familia, etc.. Vgl. J.H. Diemer hierover. Ook van de hogere taxa, die slechts abstracta zijn binnen de taxonomie, zoals stam, klasse en orde, kan gebruik gemaakt blijven worden, ook als men uitgaat van het baraminologische standpunt.     

[8] Tussen aanhalingstekens, omdat mutaties pas na de zondeval ontstonden. De hier bedoelde homozygoot recessieve individuen/populaties zijn dit geworden t.g.v. recombinaties in het kader van ‘genetic drift’.

[9] Met opzet spreek ik hier over dode pseudogenen, aangezien er ook DNA-sequenties zijn, die tot voor kort pseudogenen werden genoemd omdat ze niet voor eiwitten coderen maar die, zo bleek later, toch wel een functie hadden maar meer in de genexpressie-regulerende sfeer, doordat ze coderen voor zgn. micro-RNA-moleculen, die niet in eiwitten vertaald worden. Dan zijn ze zekerlijk geen ‘dode’ pseudogenen te noemen. Ten onrechte werden deze micro-RNA-genen als junk DNA beschouwd. De functieloze dode pseudogenen, die door vrij muteren in hun  basepaarvolgorde steeds verder van hun oorspronkelijke eiwit coderende wildtype sequentie af zijn komen te staan, zijn eerder als product van degeneratie, als uitkomst van genetische entropie, als junk DNA te beschouwen.