3. De Wijsbegeerte der Wetsidee is een dynamische tijdsfilosofie

 

De kosmische wetsorde is derhalve een kosmische tijdsorde, waarin het dynamische karakter der WdW tot uitdrukking komt. De WdW als geheel is daarom terecht ook wel eens een tijdsfilosofie genoemd. Dooyeweerd zelf:

 

‘(…) all the basic structures of temporal reality are grounded in the order of cosmic time. (…) all of them are specific structures of time and as such are necessarily related to the factual duration of transitory things, events, processes, acts, social relationships, and so on’[1];

 

‘Alle transcendentale structuren, waarin wij de werkelijkheid binnen de universele tijdshorizon ervaren, zowel de modale structuren der aspecten als de typische totaal-structuren der individualiteit, zijn intrinsieke tijds-structuren’[2].

 

En Troost:

 

‘(…) de innerlijke samenhang tussen de aspectuele en typische verscheidenheden in de werkelijkheid (…) is, gelijk bekend, volgens Dooyeweerd wezenlijk een tijds-samenhang, een samenhang in en door en van de tijd’[3];

 

(…) álle structuren der werkelijkheid die hij (i.e. Dooyeweerd, R.B.) in zijn wijsbegeerte weet te onderscheiden, (worden) door hem nadrukkelijk en ook geheel, als tijdsstructuren voorgesteld’[4].

 

Het is de kosmische tijd die, gelijk een prisma dat doet met het ongebroken witte licht, de voltijdelijke en zinvolle religieuze eenheid der tijdelijke werkelijkheid uiteen breekt in een heel spectrum, in een samenhangende zinverscheidenheid aan, dankzij de zinkern in haar modale wetsstructuur eigen geaarde, zinmodaliteiten. Deze zinmodaliteiten zijn dus ook wetsmodaliteiten en, vanwege het tijdskarakter der wetsorde, eveneens kosmische tijdsmodaliteiten. Deze vormen dus enerzijds met elkaar een modale zinverscheidenheid, een verscheidenheid aan kosmische tijdsaspecten, maar hangen anderzijds onderling met elkaar samen en wel dankzij de inter-modale band van de kosmische tijd.

 

Deze intermodale zin-samenhang tussen de kosmische tijdsmodaliteiten krijgt gestalte in de zgn. zinmomenten, ook wel modale analogieën genaamd, in de modale structuur van de aspecten. Binnen deze modale structuur verwijzen de zinmodaliteiten op metaforische wijze naar elkaar[5].

 

Er is al op gewezen, dat de kosmische wetsorde een kosmische tijdsorde is. Dit komt dan hierin tot uitdrukking, dat de onderscheiden modale aspecten in een bepaalde, wijsgerig-kosmologische volgorde staan, die onomkeerbaar is: de modale kosmische tijdsorde. Ze houdt in, dat er sprake is van kosmisch-tijdelijk vroegere en kosmisch-tijdelijk latere modale aspecten. Men moet goed beseffen, dat dit dus geen hiërarchische orde van hoger en lager is, maar een (wijsgerig) kosmo-logische tijds(volg)orde van kosmisch-tijdelijk vroeger en kosmisch-tijdelijk later. De kosmisch-tijdelijk vroegere, dankzij hun onherleidbare zinkern ten opzichte van elkander soevereine, modale wetskringen funderen de kosmisch-tijdelijk latere zinzijden. Zij vormen de substraatkringen van die latere modale wetskringen, die er de superstraatkringen van vormen. Hoe kosmisch-tijdelijk later een aspect in de kosmische tijdsorde gesitueerd is, hoe meer funderende substraatkringen dit aspect heeft. De diverse funderingen worden geconstitueerd door middel van één of meer van één van de twee typen modale analogieën, nl. door middel van de funderende ofwel retrociperende zinmomenten, ook vaak kortweg retrocipaties genoemd. Deze komen slechts dan binnen het blikveld, wanneer men ‘kijkt’ in de zgn. funderende ofwel retrociperende richting van de kosmische tijd. Om in de beeldspraak van de prisma-metafoor te blijven: men kijkt dan door het prisma van de kosmische tijd heen vanaf de kant van het ongebroken, witte licht. Dus in de funderende richting van de kosmische tijd komt de intermodale kosmische tijdsband tot uiting in de retrocipaties. De intermodale zinsamenhang blijkt dan dus enkel uit de retrocipaties.

 

Van de weeromstuit geldt, dat naarmate een aspect kosmisch-tijdelijk vroeger in de kosmische tijdsorde gesitueerd is, het meer erdoor gefundeerde superstraatkringen heeft, waarnaar het in de transcenderende ofwel anteciperende kosmische tijdsrichting verwijst. De diverse verwijzingen naar deze kosmisch-tijdelijk latere zinmodaliteiten worden geconstitueerd door middel van één of meer modale analogieën van het tweede type, nl. de transcenderende ofwel anteciperende zinmomenten, ook vaak kortweg antecipaties genoemd. Deze komen dus, zoals gezegd,  slechts dan binnen het blikveld, wanneer men ‘kijkt’ in de zgn. transcenderende ofwel anteciperende richting van de kosmische tijd. Om in de beeldspraak van de prisma-metafoor te blijven: men kijkt dan door het prisma van de kosmische tijd heen vanaf de kant van het spectrum. De intermodale kosmische tijdsband komt dus in de transcenderende richting van de kosmische tijd tot uiting in de antecipaties. De intermodale zinsamenhang blijkt dan dus enkel uit de antecipaties. Het zijn de antecipaties, de verwijzingen binnen de modale structuur van de kosmisch-tijdelijk vroegere modale aspecten naar de kosmisch-tijdelijk latere zinzijden, die ontsloten worden, bv. binnen de ontogenese van een organisme, en dat proces vindt alleen plaats binnen deze kosmische tijdsrichting en wel onder leiding van een kosmisch-tijdelijk latere zinmodaliteit. Ontsluiting van retrocipaties is principieel onmogelijk[6]. Zo lang er nog geen ontsluiting van een modale structuur plaats heeft gevonden, bevindt deze zich nog in primitieve, ongedifferentieerde, restrictieve gestalte[7]. Deze gestalte is zichtbaar bij ‘kijken’ in de funderende richting van de kosmische tijd. Zodra een modale structuur ontsloten is geraakt gedurende het kosmisch-tijdelijke wordingsproces, spreekt men over een modale structuur in expansieve gestalte. Dan ‘kijkt’ men in de transcenderende richting van de kosmische tijd.     

 

Ook nu weer blijkt dus het dynamische karakter van de WdW, blijkt, dat zij een tijdsfilosofie is. Volgens de reeds genoemde P. de Bruyn Kock

 

sal dan ook van die begin af duidelijk moet wees (…) dat ons in die Christelik-reformatoriese beoefening van die wysbegeerte te doen het met ’n oop sisteem en wel in beginsel die mees ope sisteem denkbaar[8].

 

Men spreekt vaak over de universaliteit in eigen kring en bedoelt hiermee dan, dat men binnen de modale structuur van een aspect naast de zinkern de antecipaties en de retrocipaties van alle andere modale aspecten aan kan treffen. Maar dit is te statisch gedacht, in elk geval te statisch uitgedrukt. De zindynamiek der kosmische tijdsorde komt er zo onvoldoende door tot uitdrukking. Men kan, om in het beeld van de prisma-metafoor te blijven, immers niet ‘twee kanten tegelijkertijd opkijken’. Een mens gaat óf uit van de naïeve, systatische, voor-theoretische werkelijkheidsbeleving (die gelieerd is met de transcenderende kosmische tijdsrichting), die een intuïtief, ideematig weten oplevert, óf van de abstraherende, theoretische denkhouding (die gelieerd is met de funderende kosmische tijdsrichting), die de (immer voorlopige en falsifieerbare) begripsmatige kennis der vakwetenschap oplevert. De wetenschap kan, vanwege de falsifieerbaarheids-eis, dus nooit zeker weten of zij in haar begrippen werkelijk onze ideeën van de loop der natuurwetsgrenzen correct gevat heeft. Het blijft ‘het betere giswerk’[9]. In zijn alledaagse ervaring heeft ieder mens echter wel het idee, dat er grenzen zijn. Wij komen hierop nog terug.   

 

Daarom is het zuiverder, want doet meer recht aan het dynamische tijdskarakter van de WdW, om te beweren: de retrocipaties van een modaal aspect zijn alleen zichtbaar in de funderende richting van de kosmische tijd, en de antecipaties van een modaal aspect zijn alleen zichtbaar in de transcenderende richting van de kosmische tijd (welke de richting is waarin het kosmische ontsluitingsproces plaatsvindt). Slechts wanneer men statisch abstraheert van de intermodale band der kosmische tijd, dus geen rekening houdt met de voor-theoretisch ervaren alzijdige intermodale zinsamenhang, die geconstitueerd wordt door de beide typen modale zinmomenten, zijn van de structuur der zinmodaliteiten alleen de zinkernen zichtbaar. Dus eigenlijk is er geen situatie, statisch noch dynamisch, of liever gezegd, geen moment, geen vaststaand tijdstip mogelijk, waarop de universaliteit in eigen kring (de u.i.e.k.) voor het geestesoog zichtbaar is.

 

In het voorgaande is steeds sprake van de transcenderende richting van de kosmische tijd, waarmee binnen de W.d.W. bedoeld wordt een binnen het kosmische ontsluitingsproces transcenderen van de modale grenzen tussen de diverse aspecten en uiteindelijk ook een transcenderen van deze gehele kosmische tijdsorde. Dit transcenderen vindt dan hetzij in ware religieuze gerichtheid op de voltijdelijke eenheid van deze kosmisch-tijdelijke werkelijkheid, op de Radix, uit, door en tot Wie alle dingen ontstaan zijn en bestaan, en in Hem in ware religieuze gerichtheid op de goddelijke zelfgenoegzame Oorsprong van de zin plaats, hetzij in afvallige gerichtheid op een vermeende oorsprong. Elders is er evenwel steeds sprake van de ‘transcendentale’ richting van de kosmische tijd[10]. Dit is verwarrend, want er is binnen de filosofie ook sprake van ‘transcendentale structuren’, waarmee dan de eigenschap van modale wetten en structuurwetstypen, dat zij het bestaan van hetgeen eraan onderworpen/eraan subject is mogelijk maken, wordt aangeduid. Dit bepalende karakter van wetten is de dusgenoemde positieve kant van de (kosmische) wet(sorde).

 

Binnen de Nederlandse taal is het werkwoordelijke gebruik van het betreffende woord m.i. ‘transcenderen’, en als de modale wetsgrenzen worden getranscendeerd, dan moet er dus sprake zijn van de transcenderende kosmische tijdsrichting, en is het bijvoeglijk-naamwoordelijke gebruik van het betreffende woord m.i. ‘transcendenteel’, en als er dus gesproken wordt van de kosmische wetsorde, dan moet er sprake van zijn dat dit een transcendentele wetsorde is: de structuren der zinkernen en der individualiteiten zijn de deze mogelijk makende transcendentele structuren: de modale structuren respectievelijk de individualiteitsstructuren.

 

Van de weeromstuit kan men binnen de funderende kosmische tijdsrichting naast een werkwoordelijk gebruik van het betreffende woord (dan wordt in de Nederlandstalige literatuur het betreffende woord wèl steeds in de correcte vorm gebruikt) het betreffende woord ook gebruiken op bijvoeglijk-naamwoordelijke wijze: het transcendentele karakter van wetsstructuren kan men net zo goed het fundamentele karakter ervan noemen. Dat binnen de WdW het synoniem ‘transcendentaal’ is gebezigd komt er mogelijkerwijs door, dat het een directe, dus germanistische vertaling is van het woordje ‘Tranzendental’ in Duitstalige (neo)kantiaanse geschriften. Eigenlijk zou binnen het Nederlands het woordje ‘transcendenteel’ gehanteerd dienen te worden, naar analogie van zijn synoniem ‘fundamenteel’.                          

 

________________________________________________________________________________________________________

[1] H. Dooyeweerd: A New Critique of Theoretical Thought’, Volume III: p. 78, cf. Volume I: p. 29; Ontario, Canada (1984)

[2] Sciëntia, deel I: p. 137

[3] A. Troost: ‘Wijsheid, intuïtie en geweten’: pp. 132-133, in: ‘Wetenschap, wijsheid, filosoferen’, Assen (1981)

[4] A. Troost: a.w.: p. 144

[5] Metaforen hebben dus een ontische basis.

[6] Het is dan ook onjuist om te spreken over bv. ‘het historische aspect als fundament voor de (cultuur)ontsluiting’. Men kan zeggen: het historische aspect is het fundament, of liever een funderend aspect, een substraatkring, van de post-historische zinmodaliteiten, wanneer men ‘kijkt’ in de retrociperende kosmische tijdsrichting. En men kan zeggen: het historische aspect wordt zelf ontsloten onder leiding van een kosmisch-tijdelijk later, post-historisch aspect, van één van de superstraatkringen, wanneer men ‘kijkt’ in de transcenderende kosmische tijdsrichting. Het historische aspect kan nooit het fundament, of het funderende aspect zijn voor zijn eigen ontsluiting (of voor die van enig ander post-historisch aspect). Dus noch het fundament voor zijn eigen ontsluiting, want dat is logisch antinomisch, er kan slechts sprake zijn van een ‘kijken’ in een van de beide kosmische tijdsrichtingen tegelijk, noch het fundament voor de ontsluiting van de post-historische aspecten, want ontsluiting vindt altijd plaats onder leiding van een kosmisch-tijdelijk later aspect. Anders verkrijgt men het ‘Von Münchhausen-effect’!   

[7] Dit ‘primitief’ vatte men zeker niet op in pejoratieve zin (waartoe Dooyeweerds ontsluitingsidee wel aanleiding gaf), maar moet men eerder zien als ‘in-gewikkeld’, als complex. Deze interessante materie hangt nauw samen met de pluripotentialiteit, met de geprogrammeerde variabiliteit der geschapen oertypen, die straks ter sprake komt. 

[8] P. de B. Kock: a.w.: t.a.p.

[9] Vgl. Karl Popper in zijn ‘Logik der Forschung’, geciteerd door Volker Kessler: ‘Ist die Existenz Gottes beweisbar?’: p. 84.

[10] Bv. in: H.G. Geertsema: ‘Transcendentale Openheid’; Phil Ref. 35 (1) (1970): pp. 25-156 en Phil. Ref. 35 (2) (1970): pp. 132-15