2. Autonome substanties bestaan niet, het Zijnde IS zin

 

Het is hierbij goed om te beseffen, dat deze (kosmisch-)tijdelijke werkelijkheid binnen de WdW als een door God geschapen werkelijkheid gezien wordt. Dit houdt in, dat zij naar oorsprong, aard en bestemming door en door afhankelijk (heteronoom) is van haar Schepper. Dit sluit alle substantialisme ten principale uit: niets wat geschapen is, geen enkel zijnde, zelfs geen atoom, heeft enig bestand in zichzelf, heeft enige zelf-stand-igheid, niets heeft enige (wezens-)substantie in zichzelf, niets is autonoom[1]. De gehele tijdelijke werkelijkheid, kortom, het Zijnde, heeft daardoor niet zozeer in zichzelve, immanent, zin(karakter), als wel is door haar door-en-door afhankelijk zijn van God, Die als Schepper haar transcendente Oorsprong is, zin:

 

‘De zin is het zijn van alle creatuurlijk zijnde en is van religieuze wortel en van Goddelijke Oorsprong’[2].

 

Dit uitgaan van een transcendente Oorsprong van de onzelfgenoegzame tijdelijke werkelijkheid betekent niet enkel, dat de WdW, i.t.t. alle immanentie-filosofie, principieel een open karakter heeft, doch impliceert tevens, dat er een onoverkomelijke grens is tussen God en het geschapene, namelijk de wet, die binnen de WdW de wezensgrens tussen God en het geschapene genoemd wordt. Die wet is door God ‘uitgewerkt’ in tal van geledingen binnen de beide genoemde, onderling met elkander samenhangende ontische lagen van universele (daarom zo genaamde zin-) modaliteiten en structuurtypen der individualiteiten/entiteiten. Het geheel van de wet die geldt voor het geschapene, anders gezegd: die het geschapene mogelijk maakt (men noemt in dit kader dit bepalende, dit mogelijk makende karakter van de wet zijn transcendentale karakter), wordt binnen de WdW de ‘kosmische wetsorde’ of ook wel de ‘tijdelijke scheppingsorde’, ‘goddelijke scheppingsorde’, ‘tijdelijke wetsorde’ of ‘kosmische tijdsorde’ genoemd.

________________________________________________________________________________________________________

[1] Ook vanuit het oogpunt van de kwantummechanica is materie in wezen volledig substantieloos. ‘Vroeger dacht men, dat een atoom een kleine punt was met zeer compacte materie (atoomkern), die omgeven wordt door een waarschijnlijkheidswolk van elektronen die opduiken en verdwijnen. Het is echter gebleken dat ook de kern zelf opduikt en weer verdwijnt. Het zekerste dat men over deze substantieloze materie kan zeggen is, dat zij meer een gedachte is, een geconcentreerd stuk informatie. De kwantumfysicus Fred Alan Wolf formuleerde het als volgt: ‘Dingen bestaan niet uit nog meer dingen, maar uit gedachten, concepten, informatie’; in: D. Aebi, M. Bourquin, W. Gitt, R. Hartmann, K.-U. Kolrep, R. Schwab, H. Stutz en M. Wildi: ‘95 Stellingen tegen evolutie’ – Wetenschappelijke kritiek op het naturalistische wereldbeeld’: p. 135; Uitgeverij Johannes Multimedia (2009). En informatie verwijst altijd naar een Intelligentie als de bron ervan. Informatie is dus zin(vol), per definitie. ‘Verwijzing’ hangt etymologisch samen met ‘zin’. Volgens de WdW verwijst alle zijnde naar de Oorsprong van alle zin. Heel de schepping, tot in elk afzonderlijk atoom aan toe, verwijst dus naar God als haar Oorsprong (cf. o.a. Ps. 8).

Wat een ding is, is, net zoals de modale zinkern, ten diepste een mysterie. Vanwege dit niet-bestaan van zelfgenoegzame substanties in deze immers heteronome tijdelijke werkelijkheid, en vanwege de identiteit van materie en energie, is het misschien goed om het fysisch-chemische ofwel energetische aspect ook aan te duiden als het materiële aspect.        

[2] Sciëntia, deel I: p. 158