10. Schepping en wording

 

In het voorgaande is vermeld, dat de WdW de wet ziet als de wezensgrens tussen God de Schepper enerzijds en het geschapene anderzijds. Zij gaat ervan uit dat de schepping voltooid is. Verder rekent zij ook de kosmische wetsorde tot het geschapene. En vat zij deze kosmische wetsorde op als een kosmische tijdsorde. Het voert te ver van ons thema af om op de gedachten hierachter hier nu dieper in te gaan, maar naast het als voltooid zien van de schepping is het van groot belang er nota van te nemen dat hieruit (met Augustinus) volgt, dat ook de (kosmische) tijd als geschapen beschouwd wordt. Dit maakt naar WdW-opvatting het scheppingsproces zelve tot een onbegrijpelijk, immers voor-tijdelijk gebeuren. Ook wordt het dan niet mogelijk om te beweren dat de almachtige God ‘tijd nodig gehad zou hebben’ om te scheppen. Wat ons in Gen. 1 wel geopenbaard wordt zijn de eerste zes dagen van het actuele wordingsproces in de tijd van hetgeen reeds in potentie geschapen is (‘en de aarde bracht voort…’). Dit is de reden, dat binnen de WdW het fundamentele onderscheid wordt gemaakt tussen schepping en wording. Een onderscheid, dat ten grondslag ligt aan het belangrijke onderscheid tussen door haar erkende micro-evolutie enerzijds en door haar, vanwege haar speculatieve karakter, niet erkende macro-evolutie anderzijds. Al hetgeen vanaf de eerste dag in de loop der tijden zich ontsluiten zou/worden zou[1], is in potentie reeds geschapen en dus in potentie reeds aanwezig, en hoeft dus niet meer te macro-evolueren. Dit reeds volledig geschapen zijn en dus in potentie reeds volledig bestaan geldt derhalve ook voor de objectieve transcendentele (of liever: fundamentele) kosmische tijdsorde, die het kosmisch-tijdelijke wordingsproces van het eraan subjecte mogelijk maakt, er als wetzijde aan ten grondslag ligt. De scheppingsdagen van 24 uur zijn dus eigenlijk wordingsdagen van hetgeen reeds geschapen is, inclusief de kosmische tijd.

 

Met dit Dooyeweerds bijbelse uitgaan van een in en vanaf den beginne reeds voltooide schepping die in potentie alles bevat wat ooit in de tijd worden zal, hangt de opvatting samen dat alle modale aspecten en, vanwege de onverbrekelijke subject-object-correlatie, hun gehele subjectzijde, er altijd al geweest zijn. Hoewel geldt, dat op de eerste scheppingsdagen (die dus eigenlijk wordingsdagen zijn) noch de mens, noch enige plant of dier al actueel geworden was, was de mens, d.w.z. elk mens die ooit geboren zal worden, alsmede elk dier en elke plant, er in potentie al wel. Daardoor kan op WdW-standpunt beweerd worden, dat vanaf dag 1 iedere reeds wèl verschenen/geworden entiteit altijd, hetzij subjectief ofwel actief, hetzij mogelijk (dus niet actueel/werkelijk, maar in potentie) objectief ofwel passief, in alle modale aspecten functioneert. Dit functioneren houdt een interne ontsluiting in van de geleide modale aspecten onder de leiding van de kosmisch-tijdelijk laatste, kwalificerende modale functie waarin een entiteit gedurende zijn ontogenese subjectief functioneert. En dit functioneren kan een externe ontsluiting van haar subjectfuncties inhouden, namelijk gedurende het bestaan van een correlatief-enkaptische relatie waarin zij met een entiteit van een kosmisch-tijdelijk latere modale kwalificatie zou kunnen treden, waarbij zij dan een objectfunctie zou vervullen en de aan haar correlatief-enkaptisch gebonden entiteit een subjectfunctie.

 

In dit kader beperken wij ons echter tot het interne ontsluitingsproces. De actualisering/ontplooiing van bepaalde mogelijkheden/potenties die gelegen zijn aan de deels pluripotent geschapen wetzijde van de organismen[2], die plaats vindt in onverbrekelijke correlatie met de wetmatige, ordelijke ontwikkeling van de eraan subjecte zijde van de organismen[3], dus de actualisering/ontplooiing van variatie, kon voor de zondeval enkel bij generatiewisselingen door middel van recombinatieprocessen en/of door middel van splicing (al dan niet na genduplicatie) in reactie op omgevingsfactoren  geschieden. Variatie ontstond toen dus nog niet ten gevolge van mutaties. Deze aanpassing vond dan plaats door veranderingen in de allelfrequenties van enkel de neutrale genen (‘genetic drift’). Daarom schreef ik hiervoor ook opzettelijk bepaalde mogelijkheden/potenties, en deels pluripotent geschapen wetzijde: alleen op de loci van neutrale genen mogen er door recombinaties of door splicing verschillende fenotypen in een populatie ontstaan en gaan overheersen zonder dat dit gevolgen heeft voor de levensvatbaarheid, aangezien ook voor de zondeval de dominante allelen van de essentiële genen nodig geweest zullen zijn voor een levensvatbaar nageslacht, en de dominante allelen van de tolerante genen voor een fertiel en ook overigens on-gehandicapt leven.

 

Al in het voorgaande vroeg ik mij af, of deze aanpassing tóen nog níet kon leiden tot een ten gevolge van ‘genetic drift’ onomkeerbare degeneratieve toename van het aantal recessieve allelen ofwel van dode  pseudogenen op steeds meer neutrale genloci, waardoor de geprogrammeerde variabiliteit in een populatie ook reeds gedurende deze ‘staat der rechtheid’ onomkeerbaar af zou nemen. Kon tóen nog wel het aantal dominante allelen en daarmede het variatiepotentieel constant blijven, waardoor er tóen nog geen sprake was van degeneratie? Mocht dat blijkens berekeningen niet zo zijn, dan moet, lijkt mij, het model van de ‘geschapen heterozygotie’, dus van geschapen dode pseudogenen in Gods ‘zeer goede schepping’, afvallen. Waardoor alleen het model van de meerdere geschapen, onderling verwante, dominante wildtype allelen, op verschillende genloci, die allemaal het fenotype mede bepalen/co-dominant/redundant zijn en zo voor variatie kunnen zorgen, en het model van de splicing na eventuele genduplicatie overblijven.

 

Vast staat voor ons wel dat, ware er geen zondeval geweest, er geen catastrofale flessenhals van de zondvloed geweest zou zijn, en geen steeds sneller verlopende degeneratie[4] en massale uitsterving. Ook zou de mensheid in het bezit zijn gebleven van vele dominante allelen, die coderen voor wie weet wat voor waardevolle eigenschappen en functies, maar die nu verloren zijn gegaan in het zondvloedwater of onherkenbaar zijn gemuteerd tot dode pseudogenen.    

_________________________________________________________________________________________________________ 

[1] Tegenwoordig zegt men graag: ‘alle informatie’ (die weliswaar gefundeerd is in het fysisch-chemische/materiële/energetische aspect (alle informatie heeft een informatie’drager’ nodig) maar er niet door gekwalificeerd wordt, er niet toe te herleiden is).    

[2] namelijk in het geval van een geschapen heterozygotie en/of van een reeds van meet af aan op verschillende genloci bestaan van diverse wildtype dominante allelen, en/of van een bestaan van de mogelijkheid/potentie die in bepaalde neutrale (vandaar dat ‘deels’ in de hoofdtekst) genloci is ingebouwd om (al of niet na genduplicatie) diverse verwante eiwitten te genereren door middel van splicing (zie hiervoor)

[3] waardoor een organisme zich niet alleen qua fenotype zelf aan kon passen aan veranderde milieuomstandigheden, maar deze aanpassing ook (gezien de mogelijkheid van epi-genetische effecten) aan zijn nageslacht door kon geven

[4] Denk hierbij bv. aan het oprukken van een bepaald recessief allel van een tolerant gen binnen de Amish-gemeenschap. Ook valt te denken aan de volgens Genesis 1 zeer rap dalende leeftijden van de vroegste geslachten van de mensheid.