Empirische steun vanuit de recente bevindingen der biologische vakwetenschap voor de structuurtheorie der
Wijsbegeerte der Wetsidee*

 

1.Uitgangspunt: de alledaagse ervaring

 

De Wijsbegeerte der Wetsidee (in het vervolg afgekort tot WdW) wenst altijd uit te gaan van ieders alledaagse, zgn. naïeve werkelijkheidservaring, van de voor-theoretische zintuiglijke ervaring van de constateerbare standen van zaken. De Zuid-Afrikaanse filosoof D.F.M. Strauss hierover:

 

‘In our everyday experience the implicit awareness of typical entities and their type laws is all-permeating. The first feature of reality, which we experience from childhood, is the rich diversity of entities within creation, but it is never stripped from the equally basic experience of modal (functional) properties’[1].

 

Sterker nog, volgens haar grondlegger, dr. H. Dooyeweerd, dient ieder filosofisch stelsel dit te doen:

 

‘Every philosophic view of empirical reality ought to be confronted with the datum of naïve experience in order to test its ability to account for this datum in a satisfying manner’[2].

 

‘(…) philosophy (…) has also to give an account of the data of naïve experience’[3].

 

Van constructivisme, waarbij de werkelijkheid a.h.w. in een mal, in de matrijs van een of ander filosofisch stelsel wordt geperst, wil zij derhalve niets weten[4]. Het is dan ook hierom dat Dooyeweerd betoogt, dat het niet zo is dat zijn systeem maar één van de vele manieren is om met een filosofische bril naar de werkelijkheid te kijken, alleen van belang voor hen die van een reformatorische levensbeschouwing uitgaan. Hij schrijft hierover:

 

‘Men mene echter niet, dat deze modale aspecten slechts een constructie van de Wijsbegeerte der Wetsidee zouden zijn en dat het aan andere wijsgerige richtingen dus vrij zou staan ze te negeren. (…) Maar de modale verscheidenheid van onze ervaringshorizon zelve is een onweersprekelijke structurele stand van zaken (…)’[5].

 

En de Zuid-Afrikaanse theoloog P. de Bruyn Kock:

 

‘Dit gaan by Dooyeweerd beslis nie oor die uitbouing van ’n sluitende denksisteem, gesien as ’n soort subjektiewe ontwerp van ’n denker, waaraan geen aanwysbare stande van sake beantwoord nie. Die toeleg is nie konstruksie nie, maar konstatering, blootlegging en ontleding van wat daadwerklik gegee is[6].

 

Het zijn uitgangspunt kiezen in ieders naïeve werkelijkheidservaring heeft ook gevolgen voor de biologie. Voormelde D.F.M. Strauss ziet

 

the inevitable prescientific awareness of the diversity within reality as a foundational condition for a discipline such as biology’[7].

 

In concreto betekent dit:

 

‘The discontinuity entailed in this diversity implies that the assumed continuous transition from the non-living to the living and within the living from the lowest to the highest forms harbours a speculative, and therefore, problematic stance’[8]

 

Dit binnen de WdW uitgaan van de algemeen-menselijke naïeve werkelijkheidsbeleving maakt juist echte communicatie binnen de wijsgerige denkgemeenschap met andere wijsgerige scholen mogelijk, is (naast de transcendentale denkkritiek) het uitgangspunt daarvoor. Het is bovendien ook gebleken, dat de werkelijkheidsbenadering van de WdW, vanwege haar anti-monisme, in meerdere of mindere mate trekken van overeenkomst vertoont met het niet-reformatorische denken van mensen zoals de kritisch realist Nicolai Hartmann en de holist A. Meyer.

 

En wel ten eerste waar het binnen de zgn. plastische ervaringshorizon anti-monistisch uit wenst te gaan van het onderscheiden van verschillende (wets)typen van structuren (bouwplannen) van de dingen/entiteiten/individualiteiten in deze werkelijkheid (het ‘dit of dat zijn’ van de dingen, om met Dooyeweerds zwager Vollenhoven te spreken). Deze zijn niet tot elkander te herleiden, noch op de continue, gradualistische, macro-e-volutionaire wijze van het neodarwinisme[9], noch op de discontinue, punctuele, re-volutionaire wijze van het emergentisme. Want anders, in geval van herleidbaarheid, is het ten diepste zelfs niet mogelijk om te spreken over verschillende typen (zie hierna).

 

En ten tweede waar het binnen de zgn. modale ervaringshorizon uit wenst te gaan van het evenzeer anti-reductionistische onderscheiden van verschillende wijzen van zijn waarop alle dingen in de werkelijkheid (door Dooyeweerd – en ik volg hem hierin – steevast tijdelijke werkelijkheid genoemd) een rol kunnen spelen, kunnen functioneren (hun ‘zus of zo zijn’)[10]. Die verschillende zijnswijzen der dingen worden ook wel hun modale aspecten of zinmodaliteiten genoemd, en zijn dus evenmin onderling herleidbaar maar, zoals dat binnen het neo-calvinisme (maar niet alleen daar!) heet, ‘soeverein in eigen kring’. De WdW is dus fundamenteel onverenigbaar met het ten diepste mechanicistische evolutionisme.

Strauss:

 

‘For the mechanistic (physicalistic) approach, everything is material in principle, and physically determined, which implies that any terms that appeal to the actual biotic aspect of living things are problematic’[11];

 

‘The predominant neo-Darwinian tradition, with its physicalist inclination, opts for a view in which the biotic side of living entities is completely reduced to the interaction between atoms, molecules and macro-molecules’[12];

 

‘(…) the mechanistic theories in modern biology proceed from atomistic assumptions – up to neo-Darwinism’[13];    

 

Dooyeweerd:

 

‘A consistent evolutionism must begin with a theoretical destruction of the modal structures before it can proceed to a theoretical destruction of the structures of individuality. It cannot accept irreducible modal aspects of the genetic process, because this would contradict the very pre-suppositions of evolutionism’[14];

 

‘The theory of evolution developed a mechanical genetic concept of species that eradicated the internal structural principles of individuality’[15].     

 

 ________________________________________________________________________________________________________

* Dit artikel is eerder verschenen in het Zuid-Afrikaanse "Tydskrif vir Christelijke Wetenskap/Journal for Christian Scholarship, Jaargang/Volume 53 (Q1 en Q2) (2017); pp. 131-173; onderdelen hiervan hebben gefungeerd als basis voor een lezing die ik mocht houden op het congres van het Logos Instituut, getiteld: 'De waarde van de schepping voor wetenschapsbeoefening en ethiek', gehouden op de 18e van de lentemaand 2017 te Opheusden. 

 

[1] D.F.M. Strauss: ‘Intelligent Design – a Descendant of Vitalism?’; Tydskrif vir Christelike Wetenskap 2015 (3): p. 72. C. Ouwendorp geeft prioriteit aan de entitaire ervaringshorizon: ‘Het individuele ding is een bestaansvoorwaarde voor onze modale ervaring ervan’ (in: Het probleem van het universele en individuele’; Phil. Ref. 59 (1) (1994)): p. 54.

[2] H. Dooyeweerd: ‘A New Critique of Theoretical Thought’, Volume I, Ontario, Canada (1984): p. 83

[3] H. Dooyeweerd: ‘A New Critique of Theoretical Thought’, Volume I, Ontario, Canada (1984): pp. 565-566

[4] Zie bv. H. Dooyeweerd: ‘Calvinistische Wijsbegeerte’ in: Sciëntia, deel I: pp. 133-134, Zeist (1956) en L. Kalsbeek: ‘De wijsbegeerte der wetsidee’: pp. 179-180; Amsterdam (1983 (5))

[5] Sciëntia, deel I: p. 132,

[6] P. de B. Kock: ‘Christelike Wijsbegeerte’: p. 101; Bloemfontein (1975)

[7] D.F.M. Strauss: ‘A perspective on (neo-)Darwinism’: p. 3; Koers 71 (1) (2010)

[8] D.F.M. Strauss: a.w.: t.a.p.; cf. p. 14. Zie bv. ook: B.J. van der Walt: ‘Horizon – Surveying a route for contemporary Christian thought’: pp. 79-91, m.n. pp. 81-82

[9] Waaruit volgens Strauss het geworteld zijn van Darwins denken in het humanistische wetenschapsideaal blijkt: ‘(…) Darwin’s prior (a priori) commitment to the continuity postulate of modern philosophy (…) entails that nature does not make jumps (natura non facit saltus), which goes back to the so-called lex continui of Leibniz (…).’; in: D.F.M. Strauss: ‘What happened to the term: evolution?’, in: ‘Word and Action’, Vol. 425, Issue 53 (jan. 2014): pp. 62-63. Hij haalt hier S.J. Gould aan, volgens wie het continuïteitspostulaat voor Darwin zelfs prioriteit had boven het principe van de natuurlijke selectie van willekeurige mutaties: ‘According to Gould the continuity postulate represents the core conviction of Darwin (…) for Darwin natural selection does not represent his core conviction – this position is occupied by the continuity postulate (…) Gould understood Darwin’s commitment tot he boundary-leveling modern humanistic science-ideal. In 2002 he writes: ‘We often fail to recognize how much of the Origin presents an exposition of gradualism, rather than a defense of natural selection’; a.w.: p. 64.            

[10] Dit anti-monisme, dit anti-reductionisme, voorkomt dat een systeem verstrikt raakt in de bekende dialectiek der Verlichting. Onderling verwante reductionistische humanistische stelsels, zoals het materie-monistische evolutionisme, het naturalisme en het fysicalisme/energetisme, zitten gevangen binnen de zgn. natuurpool, gericht op beheersing van de natuur: als alles door natuurwetten en het evolutieproces beheerst wordt, waar blijft dan de menselijke vrijheid en autonomie? Voor een menselijke ethiek, voor menselijke verantwoordelijkheid, blijft dan ten diepste geen ruimte meer over. Cf. in dezen Dooyeweerd in zijn ‘A New Critique of Theoretical Thought’, Volume II, Ontario, Canada (1984): p. 264: ‘Darwinistic evolutionism, conceived as a genetic world- and life-view encompassing the origin of human culture and society, is a sheer metaphysics of the Humanistic science-ideal’. Overigens hebben ook irrationalistische stromingen, die op zijn gekomen als reactie op de grondslagencrisis in de wetenschap eind 19e eeuw, welke laatste een gevoelige klap betekende voor het optimistische en rationalistische geloof in de mogelijkheid voor de mens om eens alles te zullen kunnen beheersen, zoals het historisme, het pragmatisme, het fascisme en het nazisme, een beroep gedaan niet alleen op Freud en Nietzsche, maar ook op het darwinisme. Immers, volgens de darwinisten is er sprake van blind, dus onberekenbaar toeval in de natuur, gezien het willekeurig optreden van mutaties, gezien de duistere oorsprong van de mens uit een beestachtige voorloper, en gezien de prioriteit die Nietzsche, hierbij geïnspireerd door Darwins concepten van de strijd om het bestaan en de ‘survival of the fittest’, in zijn concept van de ‘Wille zur Macht’ gegeven heeft aan de waarde ‘macht’ boven de waarde ‘recht’. Zij verabsoluteren weer de andere pool van het dialectische humanistische religieuze grondmotief: die van de autonome menselijke vrijheid. Dus of men nu binnen het humanisme linksom richting het liberalistische, het socialistische of het communistische beheersingsmotief, met zijn ongebreidelde vertrouwen in de nog steeds deterministisch opgevatte natuurwetenschap, gaat, of rechtsom richting het fascistische of nazistische vrijheidsmotief, in alle gevallen blijft er geen plaats meer over voor werkelijke humaniteit (mirabile dictu!), voor een werkelijke, d.w.z. een niet slechts descriptieve, maar praescriptieve ethiek, voor fundamentele, constante, voor alle mensen geldende normen en waarden. Alle normativiteit is immers immanent ‘gefundeerd’, aangezien er in een transcendente God niet meer geloofd wordt. Wie dit emotioneel maar zonder goede argumenten ontkent, en daardoor niet buigen wil voor de uiterste logische consequenties van zijn eigen geloof, verraadt slechts het onderbuikgevoel dat dit nu toch ook weer niet de bedoeling is op humanistisch standpunt. Ondertussen strijden zulken met de ‘bovenbuik’ met alles wat in hen is om het neodarwinisme, het evolutie-emergentisme of hoe hun -isme ook heten moge, overeind te houden met steeds meer hulphypothesen.                                

[11] D.F.M. Strauss: ‘Philosophy – Discipline of the Disciplines’, Grand Rapids, Michigan (2009): p. 472

[12] A.w.: p. 474

[13] A.w.: p. 62

[14] H. Dooyeweerd: ‘A New Critique of Theoretical Thought’, Volume III; Ontario, Canada (1984): p. 95

[15] H. Dooyeweerd: ‘A New Critique of Theoretical Thought’, Volume I; Ontario, Canada (1984): p. 564