9. Samenvatting

De zijnswijze der schepping als zin dient radicaal en integraal door te werken in de ontsluitingsidee der W.d.W.. Dit sluit alle vormen van substantie-denken uit. Geen enkele entiteit vindt haar doel/zin-oorsprong/bestemming in zichzelve, maar alle entiteiten zijn gevoegd in een onderlinge zinsamenhang[1]. Zij allen zijn in ontwikkeling, in ontsluiting. De zindynamiek is universeel-kosmisch.

Twee typen van ontsluiting worden onderscheiden: de interne en de externe. Vanwege de concrete alzijdige zinsamenhang binnen de kosmos is de interne ontsluiting slechts een abstractie. Alle onzelfgenoegzame entiteiten zijn immers met elkander enkaptisch in subject-objectrelaties vervlochten. Er is sprake van een externe ontsluiting indien een entiteit als object gaat fungeren in een enkaptische subject-objectrelatie met een andere, door een kosmisch latere modaliteit subjectief gekwalificeerde entiteit, waardoor de eerste ook deze kosmisch-tijdelijk latere modale kwalificatie aanneemt, zij het als object.

De ontsluiting vindt altijd plaats in de transcenderende richting van de kosmische tijd, en betreft dus altijd anticipaties. Ontsluiting van retrociperende zinmomenten is ten principale uitgesloten. Deze laatste zijn immers alleen bij beschouwing in de funderende kosmische tijdsrichting in zicht. Dit oor Dooyeweerd gelegde en geleerde intrinsieke verband tussen de ontsluitingsidee, de kosmische tijdsrichtingen en de modale analogieën is veel te weinig begrepen te zijn, met alle complicerende gevolgen van dien.

Eén en ander impliceert onder andere, dat het niet nodig, maar overbodig is, om te spreken over een afzonderlijk bestaand, zgn. historisch aspect. Zeker, om de hiervoor genoemde reden, over het historische aspect als het funderende aspect voor en het ‘knooppunt’ in de cultuur-ontsluiting, naast een natuurlijk substraat. Temeer daar de mens, ook de primitieve, altijd in alle modi subjectief fungeert, dus ook altijd subjectief-historisch, en mitsdien nimmer ‘praehistorisch’, of praelogisch, of praelinguaal, maar hooguit bv. praescriptureel is. Liever spreken wij, met in het achterhoofd de vigerende ruime definitie van ‘cultuur’, over de som der normatieve aspecten als de cultuur-historische aspecten, in onderscheidenheid van de natuurwetmatige aspecten.

Uiteindelijk vindt de ganse schepping haar bestemming buiten zichzelf, in haar Oorsprong, uit, door en tot Wie zij bestaat.        

  

 

 

[1] Cf. LK: pp. 263-264