8. Epiloog

Wij vermeldden reeds, dat naar W.d.W.-opvatting de schepping als zin wordt gekarakteriseerd, wat een radicaal en integraal dynamische kosmos impliceert[1]. Mogelijk wordt het feit, dat het verband tussen de analogieën en de kosmische tijdsrichtingen zo heel zelden lijkt te worden ingezien, veroorzaakt door juist het uit het oog verliezen van dit onzelfgenoegzame, niet-substantialistische zinkarakter der schepping, in onderscheidenheid van de Oorsprong van alle zin, doordat deze zijnswijze van de schepping meestal weliswaar wordt beleden, maar niet altijd daadwerkelijk doorwerkt. Men komt dan lichtelijk tot de idee van een soort van scheppingssubstantie, die door de mens vervolgens moet worden ontsloten, en waaraan hij existentialistisch zin moet verlenen. Om nogmaals Mekkes te citeren:

‘Het belangrijke leerstuk der ‘ontsluiting’ werd (en wordt!, R.B.) al te zeer gezien als een beweging die aan een primaire ordening werd toegevoegd (cursivering R.B.), om zo te zeggen, haar in beweging moest brengen (cursivering R.B.). Vandaar het zoeken naar neerslagmomenten uit de beweging (retro- en anticipaties enz.) en de gedachte dat over tijd eventueel ook nog anders gesproken zou kunnen worden dan als onherroepelijk doorgaande baan van de onherroepelijk doorgaande beweging, waarbij op elk moment de beslissing ligt in de keuze van de richting. Deze manier van beschouwen heeft belet, dat van de reformatorische wijsbegeerte het nut werd getrokken dat zij aan te bieden had. Elk overblijfsel van dergelijke ‘remming’ dient snel te verdwijnen’[2].  

 

[1] Zie hiervoor in § ….

[2] TB, pp. 68-69