Thuispagina » Artikelen » Cultuurfilosofie » Het cultuur-historische aspect en de Babelcultuur » 7. Een illustratie van de gevolgen van voornoemd misverstand

7. Een illustratie van de gevolgen van voornoemd misverstand

Dat men zeer gemakkelijk in de problemen kan geraken en Dooyeweerd dan onderwijl kan misverstaan door bij hem een ‘in een bepaald opzicht’ dubbelzinnig gebruik van de begrippen ‘antecipatie’ en ‘retrocipatie’ te signaleren indien men niet nauwgezet begrippen zoals ‘intern’ en ‘extern’, ‘subjectfuncties’ en ‘objectfuncties’ en ‘bestemmingsfunctie’ streng onderscheidt en op de juiste wijze hanteert, bewijst ook Verkerk[1], terwijl hij er elders zo voor waarschuwt[2], namelijk door hantering van het onderscheid tussen ‘oriëntationele’ en ‘referentiële’ analogieën. Wij gaan er hier wat nader op in.

Onzes inziens is in het – overigens waardevolle – artikel van Verkerk de ‘vitium origines’ in dezen zijn stelling, dat ‘In het vormgevingsproces van de materie (…) de subjectfuncties (cursivering R.B.) van de fysische materialen ontsloten (worden)’[3]. Want fysische materie fungeert te allen tijde ‘op haar kosmisch-tijdelijk laatst’ subjectief in de haar kwalificerende fysisch-chemische modaliteit, waarin de materie zijn interne bestemmingsfunctie heeft. Het zijn de na-fysisch-chemische objectfuncties (dus niet subjectfuncties) die in een enkaptische subject-object-relatie, bv. met de mens als subject, extern ontsloten, extern geactualiseerd worden. Want anders laat zich aan Verkerk de vraag stellen wat in die subject-object-relatie dán als object functioneert.

Volgens Verkerk bestaat die externe ontsluiting ‘uit het activeren van referentiële antecipaties’[4], waarin dan ‘op metaforische (cursivering R.B.) wijze vooruit gegrepen (wordt) op de latere modaliteiten’, waarbij hij in voetnoot 84 naar dr. W.J. Ouweneel verwijst[5].

Een en ander brengt Verkerk ertoe om de wijze waarop de materie ten gevolge van de externe ontsluiting, tot in Verkerks geval een computer, na-fysisch-chemisch subjectief functioneert, als slechts metaforisch op te vatten. Als computer fungeert de materie bv. in het biotische aspect subjectief als een ‘fysisch organisme’. Verkerk spreekt helaas niet over het als computer enkel objectief biotisch functioneren van de materie in het leven van (meestal) de mens binnen een enkaptische subject-object-relatie. Hij spreekt dan verder, in voetnoot 85, van perceptieve ‘fysische gewaarwording’, van sensitief ‘fysisch gevoel’ en van logisch gekwalificeerde ‘fysische onderscheiding’, allemaal subjectieve begrippen, welke hij dan wel als enkel metaforische anticipaties opvat, in plaats van zo als ze zijn, namelijk als retrocipaties van de latere modi naar het funderende fysisch-chemische aspect (dat het hier inderdaad om retrocipaties gaat voelt hij zelf ook aan, zie voetnoot 85). In principe kunnen we niet spreken over ‘fysische gewaarwording’, ‘fysisch gevoel’, ‘fysische onderscheiding’ etc., maar alleen in metaforische zin. In het subjectief-perceptieve leven van de mens fungeert de computer niet als metafoor, maar werkelijk als object, bv. wanneer hij bekeken wordt. En net zo reëel kan hij objectief functioneren in een modale subject-object-relatie in de overige na-fysisch-chemische zinzijden der kosmos.

 

[1] M.J. Verkerk: ‘Gödel, Escher, Bach en Dooyeweerd’; Phil. Ref. 54 (1989): pp. 135-137

[2] Zie a.a., p. 135, noot 86 (in verband met de Mens van Turing) en p. 140 (in verband met veel vertegenwoordigers van de zgn. ‘sterke A.I.’).

[3] A.w.: p. 135

[4] T.a.p.; Het lijkt ons gelukkiger om hier te spreken over ‘actualiseren’ dan over ‘activeren’, aangezien deze laatste term suggereert, dat fysisch-chemische materie als subject na-fysisch-chemisch kan gaan functioneren. En vanwege deze – s.v.v. - subjectieve connotatie zouden wij evenzeer liever spreken over ‘latente’, ‘potente’ of ‘mogelijke’ objectfuncties dan over ‘referentiële antecipaties’. De materie blijft in het vormgevingsproces immers volledig passief.

[5] Terwijl hij in deze noot – klaarblijkelijk met instemming - Ouweneels spreken in dezen over metaforen ‘referentiële retrocipaties’ noemt.