Thuispagina » Artikelen » Cultuurfilosofie » Het cultuur-historische aspect en de Babelcultuur » 5. Gedetermineerde (natuurwetmatige) en normatieve ontsluiting

5. Gedetermineerde (natuurwetmatige) en normatieve ontsluiting

Deze ontsluiting van de schepping in de transcendente kosmische tijdsrichting is dus een universeel kosmisch proces[1], dat wij overal terugvinden, niet alleen bij de menselijke, normatieve vorming van cultuurobjecten uit een natuurlijk substraat naar eigen vrij ontwerp (wat wij cultuurontwikkeling, cultuur-historie zouden willen noemen), en waardoor natuurlijk materiaal extern ontsloten wordt, maar ook bij de natuurwetmatige biotische – interne – ontwikkeling van bv. een kastanjeboom uit een zaadje en bij de instinctief natuurwettelijk gedetermineerde vorming van een objectief psychisch gekwalificeerd spinnenweb uit subjectief fysisch-chemisch gekwalificeerd spinnewebmateriaal (dat wat wij natuurontwikkeling, natuur-historie zouden willen noemen), wat ook een voorbeeld van externe ontsluiting is. Alleen de mens echter is – als ‘medewerker Gods’ – geroepen tot voortgaande ontsluiting, die genormeerd is[2]. Alleen de mens is geroepen tot normpositivering in de transcendente richting van de kosmische tijd[3]. De richting wordt de mens aangewezen door het Woord[4], maar hij is in zijn hart zelf voor de richtingkeuze verantwoordelijk.

Van cruciaal belang met betrekking tot dit laatste voorbeeld uit het dierenrijk is hier, dat volgens Dooyeweerd zelf het fysisch-chemisch gekwalificeerde spinnewebmateriaal onder de leiding van de psychische subjectfunctie van de spin een objectief-psychische kwalificatie aanneemt.

Vandaar dan ook dat Dooyeweerds wijziging in NC III, p. 106 ten opzichte van WdW III, p. 74, die Van Woudenberg noemt[5], ons een juiste, en ook een inzichtelijke lijkt. Immers, dierlijke vormsels zijn objectief-psychisch gekwalificeerd, daar zij zijn ontstaan onder leiding van de instinctieve psychische subjectfunctie van een dier (de kwalificerende functie is tevens de leidende[6]).

Zo wordt ook een cultuurobject zoals het beeldhouwwerk de ‘Hermes’ van Praxiteles[7] gekwalificeerd door zijn esthetische objectfunctie ten gevolge van de subjectieve werkzaamheid van de kunstenaar. Ten aanzien van dierlijke vormsels kan ook beweerd worden dat hun bestemmingsfunctie psychisch is[8]. Of de bestemming van een ding in het algemeen nu intern of extern is, zij valt altijd samen met zijn kwalificatie. Zo lang een boom bv. niet in een subject-objectrelatie met iets anders staat, is zijn kwalificerende functie ook zijn interne bestemmingsfunctie, namelijk de (subjectief) biotische (die tevens de leidende functie van het interne ontsluitingsproces is). Maar zodra die boom als object gaat fungeren in bv. het leven van een vogel, ondergaat hij zinverschuiving van het biotische naar het psychische aspect onder leiding van de psychische subjectfunctie van de vogel, is dus zijn kwalificerende functie nu de externe bestemmingsfunctie, bv. om een nestplaats te bieden, is geworden. En als een dierlijk vormsel of een boom om zijn schoonheid gefotografeerd wordt, dan treedt opnieuw zinverschuiving op, nu naar de esthetische zijnswijze.

Hierboven vermeldden wij, dat de ‘Hermes’ van Praxiteles gekwalificeerd wordt door zijn esthetische objectfunctie ten gevolge van de subjectieve werkzaamheid van de kunstenaar. Er is dan in de transcendente kosmische tijdsrichting sprake van een historische anticipatie in het esthetische aspect, namelijk de esthetisch gekwalificeerde vormgeving naar eigen vrij ontwerp. De (originaire) bestemmingsfunctie van dit kunstwerk is de esthetische. Van Woudenberg merkt terecht op, dat ‘de hoogste subjectsfunctie van het marmeren beeldhouwwerk de fysische is en dat het gekwalificeerd wordt door een objectsfunctie, en wel door de esthetische (…)’[9]. Omdat de ‘Hermes’ zonder de vormgevende werkzaamheid van de kunstenaar niet had kunnen bestaan, noemt Dooyeweerd de cultuur-historische functie de (cursivering R.B.) funderende functie. Ik zou liever willen spreken over een funderende functie. Want alle substraatkringen zijn in de retrociperende kosmische tijdsrichting funderend voor alle superstraatkringen. Ik zie geen reden om een bepaald aspect te verbijzonderen. Ik vind het een beetje verwarrend om te beweren, dat speciaal de cultuur-historische functie nodig is als de funderende functie, als fundament, niet alleen voor de esthetische activiteit van de kunstenaar, maar voor welke menselijke, culturele, vormende activiteit, die per definitie plaatsvindt in de transcendente kosmische tijdsrichting, dus in de ontsluitingsrichting van de kosmische tijd, dan ook. Ja, in de funderende kosmische tijdsrichting beschouwd is het historische aspect inderdaad fundamenteel voor het kunstwerk. Sterker nog,   zonder beheersende vormgeving naar eigen vrij ontwerp ontstaat er geen enkel cultuurproduct. Maar bv. ook het fysisch-chemische substraat is voor cultuurproducten fundamenteel: zonder dat materiaal is er evenmin cultuurvorming mogelijk. Onzes inziens is niet alleen van natuurdingen zoals spinnewebben het fysisch-chemische aspect een belangrijke, funderende substraatkring, maar ook van cultuurdingen, zoals de ‘Hermes’. Alle post-historische aspecten hebben zowel het historische als de natuurwetmatige aspecten als hun substraatkring in de funderende richting van de kosmische tijd. Mekkes spreekt in dit verband over ’s mensen (moeten) handelen, dat hem onmogelijk is buiten zijn, beweeglijk, natuur-object als universeel ‘substraat’ van zijn tijdelijk bestaan’[10]. En in alle post-historische aspecten is daar de historische anticipatie in de transcenderende kosmische tijdsrichting. Maar dat geldt ook voor de anticiperende zinmomenten erin van alle prae-historische modaliteiten, waaronder de fysisch-chemische. Ook vind ik het een beetje overbodig en verwarrend om het historische aspect een speciale plaats te geven door dit het ‘knooppunt’ of het ‘fundament’ voor/van de cultuurontsluiting te noemen, en wel omdat zodoende de twee kosmische tijdsrichtingen niet onderscheiden worden. De twee door Van Woudenberg in dezen weergegeven vragen[11] zijn terecht. Dooyeweerds repliek hierop levert onzes inziens geen nieuwe argumenten op, maar is slechts een herhaling van zijn standpunt. Op zijn standpunt van het (cultuur-)historische aspect als het fundament, als het knooppunt (‘nodal point’) van de cultuurontsluiting worden niet alleen de beide kosmische tijdsrichtingen niet van elkander onderscheiden, maar wordt er ook een dualisme gesuggereerd, als zou de menselijke primitieve cultuurvorming als door een kloof van ontsloten stadia van cultuurvorming gescheiden zijn, en wellicht zou geschieden door wezens die zich nog bevinden in een primitief voorstadium in de evolutie van de mens, door een nog tot de mens zoals wij die kennen te emergeren, hogere primaat. Terwijl toch ook de primitieve culturen der zgn. prae-historie (wij spreken dus liever over ‘proto-historie’) voluit menselijke culturen zijn, die enkel regressief in een devolutieproces (weer) religieus gericht zijn geraakt op de verabsolutering van natuurwetmatige aspecten, van het fysisch-chemische substraat, waardoor er ook sprake is van een traag hangen van het ook nog toegesloten linguale aspect in de funderende kosmische tijdsrichting aan het biotisch-sensitieve substraat, namelijk in de gesproken- en gebarentaal (pantomimiek). Zij zijn de kennis van het schrift bij de opsplitsing der mensheid in afzonderlijke taalgroepen na de bouw van de toren van Babel en daarop volgende spraakverwarring kwijtgeraakt, waardoor men hun culturen zoals gezegd niet zozeer praelinguaal als wel praescriptureel zou kunnen noemen: de linguale anticipatie in het logische aspect is binnen een primitieve cultuur niet in de transcendente kosmische tijdsrichting verdiept maar nog (facultatief) restrictief, toegesloten aanwezig in de retrociperende kosmische tijdsrichting. Van Woudenberg refereert in dezen naar Vollenhoven, die de formulering van bv. het logische principium identitatis in de vorm van het linguale A = A in aldus geschreven taal als voorbeeld van een anticipatie van het analytische op het talige aspect noemt[12] die in een primitieve cultuur ontbreekt. Maar primitieven kunnen subjectief in alle aspecten functioneren, ook subjectief-linguaal, zulks zoals gezegd in de vorm van de gesproken- en gebarentaal.

 

 

[1] Cf. H. Dooyeweerd: NC II: p. 262; VB: pp. 76-77

[2] Cf. J.P.A. Mekkes: ‘Tijd der bezinning’, Amsterdam (1973): p. 29 (TB)

[3] A.w.: p. 79

[4] A.w.: pp. 66-68

[5] GD: p. 136, en p. 152, nt. 3

[6] WdW III: p. 36; GD: p. 131

[7] GD: pp. 137-139

[8] A.w.: p. 133

[9] A.w.: p. 137

[10] TB: p. 34

[11] GD: p. 137 [controleren wat voor vragen]

[12] GD: p. 89