Thuispagina » Artikelen » Cultuurfilosofie » Het cultuur-historische aspect en de Babelcultuur » 4. De onrustige zindynamiek der schepping

4. De onrustige zindynamiek der schepping

Zeer belangrijk ter kenschetsing van een cultuur is binnen de W.d.W. en lijkt ook ons de religie, de geloofsrichting te zijn. Want, zoals reeds Griffioen, Dengerink en Geertsema gereleveerd hebben[1], en Dooyeweerd (zoals wij opgemerkt hebben) meer of minder impliciet dus ook, een primitieve, dus nog ongedifferentieerde (maar juist hierdoor nog pluri- tot omnipotente) cultuur kan heel wel (zij het dan nog maar sinds korte tijd) onder de leiding van een cultuurreligie zijn komen te staan, waarbij de uitvinding van het schrift nog slechts een kwestie van tijd is. Terwijl een gedifferentieerde, scripturele cultuur weer tot een natuurreligie, zoals het New Age-denken, kan zijn gedevolueerd, daartoe kan zijn teruggevallen, hetzij door de diepste geloofsafval, hetzij door de gevolgen van een natuurramp of een verschrikkelijke kernoorlog[2].

Zoals bekend, wordt in de W.d.W. de schepping, als zijnde door en door afhankelijk van haar Schepper, als zin gekarakteriseerd. [zie tweede scriptie voor l.c.] Dit impliceert een radicaal en integraal dynamische, volstrekt onzelfgenoegzame, niet-substantialistische kosmos, die als zijn hem transcenderende, externe bestemming zijn Goddelijke Archè heeft, tot Wien hij bestaat. Hij is voortdurende in ont-wikkeling, in ontsluiting, en dat in al zijn in onderlinge zinsamenhang staande modaliteiten en entiteiten. [zie tweede scriptie voor l.c.] Dit wil zeggen, dat de bestemming van elk ding, wil men het niet substantialistisch opsluiten in zichzelve, uiteindelijk, dat wil zeggen hetzij direct (bv. in het geval van een spinneweb, zie hierna), hetzij indirect (bv. in het geval van een oude schoen die als vogelnestje dienst doet/functioneert), altijd extern is. Nooit is zij intern, nooit vindt een entiteit de oorsprong van zijn zin, zijn doel, star en autonoom in zichzelve. [zie GD voor l.c. (zie mijn recensie)] Niets in de kosmos bestaat op en om zichzelve, maar altijd in relatie tot, in zinsamenhang met andere dingen, en de kosmos in zijn geheel tot Christus, als wortel der in den beginne voltooide schepping, waarin deze zijn zinvolle eenheid vindt. [LK, einde laatste paragraaf] De zin van iets behoort altijd dynamisch te verschuiven, omdat de bestemming ervan uiteindelijk altijd extern is, en zo de kwalificatie ervan ook. De gehele schepping bestaat uiteindelijk tot God, vindt in Hem haar externe bestemming[3].   

_______________________________ 

 

[1] Zie voetnoot …..

[2] Griffioen: p. 86; [Van der Hoeven in zijn nieuwe boek]; Noorbergen

[3] Cf. H. Dooyeweerd: ‘De wijsbegeerte der wetsidee’, band III, Amsterdam (1936) (WdW III): pp. 47-48; cf. ook J.P.A. Mekkes in ‘Scheppingsopenbaring en wijsbegeerte’ (1961), p. 63: ‘(…) de geschapen kosmos (…) rust niet in zichzelf, maar als openbaring blijft hij dynamisch van karakter’. Ook spreekt hij over ‘de belijdenis der omhoog gerichte en onafsluitbare scheppingsdynamiek’, en over ‘de dynamisch-verticale structuur der schepping, welke afsluiting in het tijdelijke onmogelijk maakt’(a.w.: pp. 112-113).