Thuispagina » Artikelen » Cultuurfilosofie » Het cultuur-historische aspect en de Babelcultuur » 3. Het schrift als criterium voor het onderscheid tussen primitieve en ontsloten culturen

3. Het schrift als criterium voor het onderscheid tussen primitieve en ontsloten culturen

Ten aanzien van de cultuurontwikkeling maakt Dooyeweerd onderscheid tussen toegesloten (restrictieve) en ontsloten (expansieve) culturen[1]. En hij hanteert hierbij twee criteria: een pistisch gekwalificeerd criterium en een wat hij noemt ‘historisch’ criterium.

Voor wat betreft het pistische criterium: bij hem lijken de toegesloten ofwel primitieve ofwel ongedifferentieerde culturen zonder uitzondering onder leiding te staan van primitieve, in de retrociperende kosmische tijdsrichting op het natuurlijke substraat gerichte natuurreligies[2]. Deze natuurreligies zijn het dieptepunt van de geloofsafval, aangezien de mens hier geen zelfbewustzijn, geen persoonlijkheidsbesef bezit, niet beseft de omringende natuur te transcenderen:

‘For primitive culture (…) is characterized exactly by the undisclosed state of the modal cultural aspect in the transcendental direction of time. Here man does not realize that he transcends the things of nature. His sense of being a personality is diffuse, dispersed: he even incorporates personality into animals, plants or lifeless objects’[3];

‘Man, fallen away from truth to this primitive Faith, even lacks any awareness of his transcendental freedom and of his transcendence above the things given in nature’[4].

En voor wat betreft het historische criterium: de primitieve culturen zijn in Dooyeweerds conceptie niet van belang in de cultuurgeschiedenis der mensheid[5] daar zij het schrift, dat wij nemen in de ruime betekenis van elke vorm van beklijvende symbolische betekening, nog niet kennen. Zij laten geen sporen na in de vorm van ‘historische’ monumenten en inscripties:

Primitive history does not have the need of symbolic signification. Its relatively uniform course does not yet give Mnemosyne any subject matter worth recording as memorable’[6].

Dit in tegenstelling tot de ontsloten culturen, die onder leiding van een cultuurreligie staan:

‘(…) in the deepened cultural development itself there is an unfolding of cultural symbolism which marks off the significant from the insignificant[7].

Bij deze laatstgenoemde culturen is de ontsluiting hetzij gericht op de ware, hetzij op een vermeende goddelijke Oorsprong[8]. Zij zijn voluit ‘historische’ culturen, van belang in de wereldgeschiedenis dankzij de aanwezigheid van kronieken, historische monumenten en inscripties.

Ik plaatste hiervoor tweemaal het voorvoegsel ‘historische’ tussen aanhalingstekens, ten eerste omdat het m.i. bij monumenten en kronieken niet gaat om historisch, maar om linguaal gekwalificeerde entiteiten. Kwalificerend is hier de symbolische betekening. En ten tweede omdat men binnen de W.d.W. ten principale niet kan spreken over praehistorische vs. historische culturen, ook niet over praelinguale vs. linguale culturen, hooguit over praescripturele vs. scripturele culturen (zie hierna).  

Voorts cursiveerde ik in het voorgaande opzettelijk ‘lijken’ en ‘zonder uitzondering’, want het is binnen Dooyeweerds conceptie wel degelijk mogelijk, dat een nog primitieve, praescripturele cultuur (d.w.z. een cultuur waarbinnen het schrift (wat iets anders is dan de linguale, symbolische betekening) naar al of niet terecht verondersteld wordt nog niet dan wel niet (meer) bekend is) onder de leiding van een cultuurreligie is komen te staan. In zulke gevallen, bij deze hantering van tweeërlei criterium ter onderscheiding van primitieve van ontsloten culturen, wordt, dankzij het contact met een cultuurreligie, niet (meer) voldaan aan het eerste, pistische criterium om te kunnen spreken over een primitieve cultuur, maar (namelijk in het beginstadium van de ontsluiting) wel aan het tweede criterium. Ook Dooyeweerd heeft oog voor deze situatie, voor deze schijnbare spanning, die optreedt binnen iedere ontsluiting[9], voor dit onvermijdelijke beginstadium ervan[10], namelijk daar waar hij het oude Israël noemt als voorbeeld van zulk een cultuur[11]. Dit wordt naar mijn smaak niet voldoende gehonoreerd door J.D. Dengerink en S. Griffioen. Wel menen zij terecht, dat Dooyeweerd zelf, ondanks voorgaande, in dezen toch een bron van spanning signaleert in zijn ontsluitingstheorie. Laatstgenoemde spreekt alleen over de overgang van een cultuur van de restrictieve naar de expansieve gestalte ten gevolge van de overgang van een natuurreligie naar een cultuurreligie[12]. Maar voor de door Dengerink en Griffioen[13] terecht geopperde mogelijkheid, dat ook een (nog) ongedifferentieerde samenleving wel degelijk onder de leiding van een cultuurreligie kan staan (waardoor er dus geen correlatie bestaat tussen de concrete historische situatie en het geloof van een bepaalde cultuur) zou Dooyeweerds cultuur-ontwikkelingsidee geen bevredigende verklaring leveren. Griffioen schrijft met zoveel woorden, dat Dooyeweerd ‘(…) zijn theorie inzake de onontwikkelde culturen uitdrukkelijk op een historische toestand (betrekt)’[14], onder verwijzing naar de ‘New Critique’[15], waardoor er echter ‘geen rekening wordt gehouden met primitieve samenlevingen waarop het predikaat ‘natuurreligie’ in het geheel niet past. Denken we maar aan vader Abraham; die leefde stellig in een primitieve samenleving – in de zin van ongedifferentieerd -, maar zijn geloof stond in het scherpst mogelijke contrast tot de natuurreligies van de hem omringende wereld!’[16].

Ik denk evenwel, dat Dooyeweerd het hier met Griffioen eens zal zijn, gezien het voormelde, dat Dooyeweerd zelf het oude Israël noemt als voorbeeld van een oude cultuur, die nog wel primitief was en dus aan het historische criterium daarvoor voldeed, maar niet aan het pistische criterium om over een primitieve cultuur te mogen spreken (ik zou hier overigens wel bij op willen merken, dat ik dit voorbeeld niet het sterkst mogelijke vind, aangezien ook in het oude Israël het schrift al zeer vroeg bekend was, evenals monumenten[17], en dat dus de aanwezigheid van historische inscripties en monumenten niet kan gelden om te beweren dat het oude Israël voldeed aan het historische criterium om het als een primitieve cultuur te mogen kenschetsen, die eigenlijk tot het onderzoeksobject van de ethnologie en de sociologie i.p.v. tot dat van de geschiedwetenschap zou behoren. Sterker nog, dit, deze bekendheid van het schrift, geldt voor zeer vele oude culturen). Dooyeweerd vroeg zich alleen af, hoe een nog primitieve cultuur, die religieus in de retrociperende kosmische tijdsrichting gericht is op het ‘natuurwetmatige substraat’, in de transcenderende kosmische tijdsrichting ontsloten kan gaan worden onder leiding van het pistische aspect, omdat voor zoiets reeds een bepaalde mate van ontsluiting van het historische aspect voorondersteld wordt. Door hier met dit probleem te worstelen lijkt hij vreemd genoeg geen rekening te houden met het contact met andere, hogere culturen als oorzaak van cultuurontsluiting, waar hij dat elders in NC II wel doet.    

Hier is het dat ik wil wijzen op de gebeurtenissen in de vroegste geschiedenis der mensheid, waar de voormelde auteurs Noorbergen en meer recentelijk Evenboer op gewezen hebben. Voor de zondeval was er sprake van een direct - zo men wil theocratisch - contact met, van een transcendente leiding door de wil van God in het verkeer met Adam en Eva, waardoor een onvruchtbare afvallige afgodische gerichtheid bij hen (en hun nazaten) op iets schepselmatigs en daardoor een anti-normatieve ontsluiting van de scheppingsmogelijkheden principieel uitgesloten was. Na de subjectieve zondeval kwam er echter de gerichtheid in afvallige richting, op iets schepselmatigs. Dit was geen gerichtheid op het ‘natuurwetmatige substraat’, maar de in omvang groeiende, gevallen mensheid richtte zich op de vergoddelijking harer ‘normatieve cultuuraspecten’. Dit maakte zij zo bont, dat dit leidde tot de zondvloed, nadat de sethietische lijn, waaruit God Zijn kerk en de Christus wilde en zou laten voortkomen, zich verzwagerde met de kaïnitische lijn, waarbij alleen de sethiet Noach met zijn directe gezinsleden (allen sethieten, op de vrouw van Noachs zoon Cham na, zie Evenboers ‘De vloed’) nog als rechtvaardigen resteerden.

Na de zondvloed maakte de mensheid dus een nieuwe start, uitgaande van Noach en zijn zeven gezinsleden. De mensheid had niet veel geleerd van haar fouten, en ging op de oude voet verder. Dit leidde tot de torenbouw van Babel, de Babylonische spraakverwarring en de daarop volgende verspreiding van de mensheid, al of niet per schip, over de gehele aarde (die inmiddels door de gevolgen van de wereldwijde zondvloed, net zoals de mensheid, ook al geen eenheid (Pangeia) meer was zoals de Eerste Wereld, de oude aarde, dat was, maar was verscheurd in van elkander af bewegende continenten, een proces, waarvan we nu nog de gevolgen in de vorm van de continentale drift kunnen waarnemen). Sommige mensheidsgroepen namen deze, andere namen gene kennis die overgebleven was in Noachs gezin uit de antediluviale periode met zich mee, waardoor het vanzelf sprak, dat de verschillende culturen verschillende beschavingsniveaux kenden. Er waren zelfs groepen bij, die maar heel weinig antediluviale kennis meenamen en zo terecht kwamen in de ban van natuurreligies. Zulke nog in bv. het Stenen Tijdperk levende stammen komt men tot op de huidige dag nog tegen. Andere groepen waren zo gelukkig dat ze bij hun trektocht naar diverse uiteinden der aarde beschikten over waardevolle antediluviale kennis, bv. de Chinezen over kennis voor de vervaardiging van buskruit, de Egyptenaren over kennis om pyramides te bouwen en weer andere, nu nog volslagen onbekende groepen over kennis om reusachtige bouwsels neer te zetten op Paaseiland, bij Stonehenge of in het Middenamerikaanse oerwoud. Nogmaals verwijs ik hiervoor naar het boek van Noorbergen.

Het bestaan na de zondvloed van culturen in zulke diverse stadia van ontsluiting levert de oplossing van de spanning die Dooyeweerd in zijn ontsluitingsmechanisme t.a.p. zag. Om ontsloten te kunnen worden hoeft een historisch, door de ban van de natuurreligie waarin zij is komen te verkeren, nog toegesloten cultuur niet zelf eerst een bepaalde mate van ontsluiting te ondergaan onder leiding van het pistische aspect, wat inderdaad niet kan omdat daarvoor gerichtheid op een normatief aspect nodig is, wat echter reeds een bepaalde mate van historische ontsluiting vooronderstelt, maar is contact met een andere, hogere cultuur voldoende. En dat cultuurverkeer heeft natuurlijk plaatsgevonden in de mensheidsgeschiedenis. Dus niet alleen is het poneren van het cultuurhistorische aspect als fundament in de retrociperende kosmische tijdsrichting voor de ontsluiting in de anticiperende kosmische tijdsrichting theoretisch niet te verenigen met de ontsluitingsidee binnen de wijsgerige kosmologie der W.d.W. (zie ook hierna), de empirische noodzaak voor zulk een inpassing is er ook niet, gegeven de historische feiten zoals die m.n. geopenbaard zijn door de Bijbel en zoals die ondersteund worden door het empirische feitenmateriaal. Dooyeweerds worsteling met deze materie werd wellicht hierdoor veroorzaakt dat hij zich, wellicht toch onder de invloed van het evolutionistische dwaallicht, de geschiedenis van de mensheid in haar geheel voorstelde als een opklimming van het primitieve stadium van het Stenen Tijdperk met zijn ‘cave cultures’ en Neanderthalers tot hogere, gedifferentieerde stadia, waarbij hem dan de oorsprong van die hogere culturen, die zorgden voor de ontsluiting van de lagere, primitieve, voor raadselen stelde. Ik vermoed, dat hij bij het hierover nadenken niet altijd het ongelooflijk hoge cultuurpeil van m.n. de antediluviale mensheid, dat er al heel snel na de schepping was, verdisconteerde, en hij de vroegste mensen soms wellicht veeleer allemaal als van oorsprong grotbewoners zag dan als mensen, waarvan sommige groepen na de Babylonische spraakverwarring bij hun verspreiding over de gehele aarde in zulk een primitief stadium terecht zijn gekomen, daartoe zijn gedevolueerd/ gedegenereerd, opvatte. Let wel: ‘niet altijd’: zie hierna.                               

Het ligt, om op Griffioens critiek terug te komen, voorts niet in de lijn der W.d.W. om met betrekking tot culturen de primitieve daaronder niet als voluit menselijke culturen op te vatten, en ik begrijp ook niet dat dit verwijt van macro-evolutionisme door Griffioen[18] jegens Dooyeweerd geuit is. De modale aspecten zijn in zijn kosmologie transcendentale wetstructuren, en als zodanig niet onderhevig aan enige verandering, aan enige macro-evolutie in ruimte en tijd, maar maken juist een micro-evolutie binnen haar kaders aan haar subjectzijde (en een in ruimte en tijd variabele positivering waar het de wetzijde van de normatieve aspecten en een dito formulering waar het de wetzijde van de natuurwettelijke modaliteiten betreft) mogelijk! Dooyeweerd:

‘The subjective (cursivering R.B.) apostasy of man cannot set aside the temporal world-order (cursivering R.B.), in which all the law-spheres have been woven into an indissoluble coherence[19];

‘(…) pistis in its subjective manifestations cannot exceed its modal structure. Also in transcendental apostasy faith remains subject to the structure of its lawsphere, even in its closed, restrictive state. Its normative revelational principle is elevated above any human invention and arbitrariness, and remains valid, even when belief has reached the last stage of apostasy’[20].

De mens als zodanig, zowel de primitieve als de moderne, kan te allen tijde en overal in elke zijnswijze subjectief functioneren[21]. Hij is niet geëvolueerd uit een ‘hogere’ primaat. Dooyeweerd neemt duidelijk afstand van deze, op Darwins evolutieleer gebaseerde, biologistische school van Herbert Spencer c.s.. En hij ziet terecht het simpele feit van het nog steeds bestaan van primitieve stammen als falsificatie van deze naturalisering van de menselijke culturele ontwikkeling, die veroorzaakt is door de verabsolutering van de biotische retrociperende analogieën in de historische zinmodaliteit:

‘It deserves special attention that the biologistic school in sociology has indeed accepted the principal of cultural integration and differentiation as a norm of historical development, though they transformed it into a natural law of higher organical life (…) Herbert Spencer, the founder of the biologistic school (…) seemingly based this principal of cultural development on biotic analogies in het historical process of social life (…) But in fact, the biologistic school, and also Durkheim, based their conception on the evolutionistic theory of Darwin (…) The simple fact that there exist primitive tribes which from times immemorial have remained in an undifferentiated state of culture, suffices to refute any natural scientific view of the principle of historical development’[22].

Dat de geschiedwetenschap moet starten bij primitieve, nog restrictieve culturen voordat deze worden opgenomen in het wijsgerig-kosmologische externe ontsluitingsproces wil nog niet zeggen, dat Dooyeweerd primitieve culturen als het chronologische beginstadium in de tijd, als de oorsprong van gedifferentieerde culturen ziet (ik wees hier reeds op in voorgaande):

‘It may be that the concept of history has to start with the primary, as yet unopened meaning of the historical law-sphere; but this is in no way decisive for the question concerning the original historical conditions’[23];

‘The origin of culture is therefore a meta-historical question, answered for the Christian by the Divine Revelation of creation. And the original historical condition is indissolubly bound up with the origin of mankind’[24].

Dus over die oorsprong valt op basis van louter wetenschappelijk, i.c. historisch empirisch feitenmateriaal alleen niets te zeggen, zoals het darwinisme pretendeert:

‘Darwinistic evolutionism, conceived as a genetic World- and life-view encompassing the origin of human culture and society, is a sheer metaphysics of the Humanistic science-ideal’[25].    

Daarom ook is het – in de geest van Dooyeweerd blijvend – even onterecht om de primitieve mens als praelogisch (cf. Lévy-Brühl), als als praelinguaal of als praehistorisch (wat Dooyeweerd soms lijkt te doen[26]) op te vatten[27]. Dat Dooyeweerd dit laatste lijkt te doen komt misschien ook door de bijzondere wijsgerig-kosmologische aard die hij aan het historische aspect toekent, namelijk als het ‘knooppunt’ of het ‘fundament’ voor de cultuurontsluiting. In de geest van Dooyeweerd menen wij, dat primitieve culturen niet praehistorisch zijn, maar voluit historisch, omdat volgens ons en Dooyeweerd zelf[28] de mens subjectief fungeert in alle modi, maar dan ook in het historische aspect met als kenmerk de beheersende vormgeving naar eigen vrij ontwerp. Terecht spreekt Dooyeweerd dan ook meestal niet over ‘praehistorische culturen’, in onderscheid van ‘historische culturen’, maar enkel (en met tegenzin) over de wetenschap der praehistorie, die eigenlijk de ethnologie is (‘ethnology, the science of the so-called prehistory’[29]), die zich, evenals de sociologie, bezig houdt met ‘the oldest testimonies of human culture’, en over het ‘prehistorical viewpoint’, in onderscheid van de geschiedwetenschap (‘historical science’)[30].

Maar óók verstaat hij onder historische culturen die culturen die, in tegenstelling tot de primitieve culturen[31], haar sporen nalaten in de wereldgeschiedenis, die culturen, die geboekstaafd zijn in kronieken en waarvan ‘historische’ monumenten en inscripties, die ontbreken in primitieve culturen, achtergebleven zijn[32]. Weliswaar kunnen primitieve culturen van belang zijn voor de geschiedwetenschap, maar dan alléén

‘insofar as they are referred to (door middel van symbolische betekening, R.B.) by an opened and deepened form of cultural development (…) Historical science includes these cultures at their primitive stage in its own field of enquiry, because they have been taken up by the stream of development of modern civilization’[33].

Dus zij vormen in principe géén eigenlijk onderzoeksobject der geschiedwetenschap:

‘The science of history is not interested in primitive closed cultures that have not been taken up in the stream of cultural development’[34].

Dit geldt bv. voor de ‘pre-historical cave-cultures, the culture of the Neanderthal-man, etc.’[35].

Dat Dooyeweerds uitgaan van het historische aspect als fundament voor de cultuur-ontwikkeling onzes inziens problematisch is blijke ook uit de moeilijkheden die wij zien ontstaan bij doordenking van de intermodale zinsamenhang van het historische met het linguale aspect. Want:

  1. Enerzijds schrijft Dooyeweerd, dat die zinsamenhang alleen bestaat in de anticiperende kosmische tijdsrichting:Men sla er hierbij acht op, dat Dooyeweerd wijselijk niet spreekt over praehistorie, maar over primitieve geschiedenis (wat ook wel de ‘protohistorie’ wordt genoemd)! Kennelijk gaat het ook volgens Dooyeweerd niet alleen bij ontsloten, maar ook bij primitieve culturen werkelijk om een subjectief historisch functioneren, waarbij er sprake is van een al of niet ontsloten zijn van de historische zinkern van de beheersende vormgeving naar eigen vrij ontwerp. Typisch historisch gekwalificeerd in zulke culturen, waarin het historische aspect volgens Dooyeweerd nog toegesloten is, kunnen in ieder geval niet de historische monumenten, inscripties en kronieken zijn (enkel de typisch menselijke, normatieve activiteit van de beheersende culturele vormgeving naar eigen vrij ontwerp). Want:Maar dat er in de protohistorie geen behoefte aan symbolische betekening zou bestaan betwijfel ik. Kijkend naar de empirische gegevens kan men er niet om heen, dat er in alle culturen wereldwijd altijd al veel louter mondeling overgeleverd is, vooral schokkende, veel indruk makende gebeurtenissen, zoals de wereldwijde zondvloed, die in mythen overal ter wereld voorkomt. Ook in de vorm van bv. rotstekeningen is er veel op praescripturele wijze vastgelegd. Het antwoord op de vraag wat er nu precies typisch historisch gekwalificeerd genoemd moet worden in al dan niet primitieve culturen, welke laatste enkel nog in de retrociperende kosmische tijdsrichting gericht zijn op de natuurreligieuze verering van het fysisch-biotisch-psychische substraat, moet m.i. dus zijn: alles, alle producten en uitingen van cultuur zijn als zodanig (cultuur-) historisch gekwalificeerd. Alle culturen zijn historisch, hetzij proto-historisch (dus niet prae-historisch!), hetzij historisch. Als onderscheid tussen beide zou men het al of niet aanwezig zijn van het schrift kunnen verkiezen, dus het al of niet ontsloten zijn van het linguale aspect. Dat brengt met zich mee, dat hedendaagse culturen die het schrift nog niet (dan wel niet meer!) kennen proto-historisch genoemd moeten worden, en oude culturen die het schrift al wel kenden en die die kennis (bv. ten gevolge van een grote ramp) nooit kwijt zijn geweest historisch. Een andere indelingscriterium, dat het voorgaande doorkruist, is het criterium dat onderscheidt tussen de antediluviale en de postdiluviale wereld. ‘(…) it must be evident that in its closed or restrictive function it (d.w.z. de zinkern van het sociale aspect (‘the modal meaning of social intercourse’), R.B.) is not able to guide the opening-process of history. In this function it is also found in primitive tribal communities. But regular social intercourse is here restricted to the members of the group’[39].‘It should be borne in mind that the modal meaning of social intercourse anticipated in the opened structure of historical development, is itself to be conceived in a disclosed and anticipatory sense’[40].
  2. Onzes inziens is dit het gevolg van het vasthouden aan het historische aspect niet als zodanig, doch als het fundament voor de cultuur-ontsluiting. Deze spanning verdwijnt door niet langer het (cultuur-)historische aspect, maar de natuurwetmatige substraatkringen als het fundament van elke cultuur, of die nu ontsloten is of niet, te kiezen (zie hierna).
  3. Dus net zo min als er van ontsluiting sprake moet zijn om over menselijke cultuurvorming door middel van beheersende vormgeving naar eigen vrij ontwerp te kunnen spreken, is het per se nodig dat er van ontsluiting sprake is om over een sociaal leven in een cultuur te kunnen spreken. Maar ook hier krijgen wij aan de andere kant weer de indruk, dat er slechts in de anticiperende kosmische tijdsrichting, waarbij er binnen Dooyeweerds denken sprake is van ontsluiting van de sociale anticipatie in de historische modaliteit, werkelijk over een sociaal leven gesproken kan worden:
  4. Dat de vraag wat er nu precies historisch gekwalificeerd genoemd moet worden in culturen terecht is moge temeer blijken uit het feit, dat er volgens Dooyeweerd óók in een primitieve samenleving sprake is van sociale omgang, al is die dan, net zoals de beheersende vormgeving naar eigen vrij ontwerp, primitief, want beperkt tot de clanleden:
  5. Aangezien in geval van primitieve culturen het linguale aspect nog (of weer!) toegesloten is, en de voornoemde kronieken e.d. vormen van symbolische betekening zijn, lijkt het ons, óók in de lijn van Dooyeweerds eigen denken, ook goed verdedigbaar, om in het talige aspect het criterium ter onderscheiding van primitieve van gedifferentieerde culturen, voor het onderscheid tussen wat Dooyeweerd historisch en niet-historisch gekwalificeerde gebeurtenissen noemt[38], te zoeken, en wel het al of niet aanwezig zijn van het schrift (wat trouwens al een vigerend onderscheid is tussen ‘praehistorie’ en ‘historie’). Dit betekent dus niet, dat primitieve culturen praelinguaal zouden zijn, enkel – dit bijvoeglijk naamwoord viel reeds - praescriptureel, zij kennen het schrift nog niet, ‘alleen maar’ andere vormen van symbolische betekening, zoals – zoals gezegd - rotstekeningen en de mondelinge overlevering (maar waardoor de primitieve mens wel over een veel beter geheugen beschikte dan de moderne mens van de hedendaagse, ontsloten, gedifferentieerde, dus qua genetische variabiliteit sterk gedegenereerde cultuur (waarbij de degeneratie dezer dagen nog veel verder toeneemt ten gevolge van de digitale revolutie), die ten gevolge van de gedurende het ontsluitingsproces optredende genetische verarming over veel minder genvarianten en daardoor over veel minder micro-evolutionair aanpassingsvermogen beschikt dan de primitieve). Het is dus niet zo, dat Mnemosyne niets interessants te melden had, zoals Dooyeweerd meent. Integendeel, de eerste eeuwen na de schepping was er heel veel (ook schokkends) te vertellen, zoals de zondvloed, maar die proto-historische kennis uit de zgn. ‘voortijd’, over de eerste, antediluviale wereld, werd alleen de eerste tijd (en in sommige primitieve culturen tot op de huidige dag nog steeds) enkel mondeling doorgegeven.      
  6. ‘Its (d.w.z. van de ‘primitive history’, R.B.) relatively uniform course does not yet give Mnemosyne any subject matter worth recording as memorable’[37].
  7. ‘(…) what is of the utmost importance in this connection (bedoeld wordt ‘the transcendental coherence between the meaning of cultural development and that of language’, R.B.) is the insight that this necessary coherence with the modal meaning of language only exists (cursivering R.B.) with regard to the really disclosed anticipatory meaning of cultural development. Primitive history does not have the need of symbolic signification’[36].
  8. Andererzijds merkt Dooyeweerd, in strijd hiermee, op, dat die intermodale zinsamenhang niet alleen blijkt in de anticiperende kosmische tijdsrichting, dus in geval van cultuurontsluiting, maar ook in de retrociperende kosmische tijdsrichting:   Hier ben ik het mee eens. Die intermodale band bestaat in beide kosmische tijdsrichtingen, niet alleen in geval van ontsluiting in de transcendente kosmische tijdsrichting. Die band bestaat óók in de primitieve cultuur, en er is dus – anders dan het onder a) besproken citaat wil – geen ontsluiting nodig om die samenhang te zien. Die band, die terugverwijzing ‘to its historical substratum’ is concreet zichtbaar in het bestaan, tot op de huidige dag, van mondelinge overleveringen en in het bestaan van bv. rotstekeningen. Daaruit blijkt in de primitieve taal (de taal waarin nog niets op schrift wordt gesteld aangezien er geen kronieken e.d. in zijn geschreven) de band met het dan nog toegesloten, restrictieve historische aspect, met het ’historical substratum’ (cursivering R.B.). Dooyeweerd zal immers zeker niet menen, dat de primitieve mens praelinguaal is, om de al eerder genoemde, wijsgerig-kosmologische reden. Onzes inziens kan er al wel degelijk sprake zijn geweest van een historische gebeurtenis, dus van een gebeurtenis die op zichzelf belangwekkend genoeg is voor Mnemosyne, zoals de zondvloed of de schepping, maar die alleen nog niet werd opgetekend, aangezien het schrift nog niet was uitgevonden, of aangezien die kennis van het schrift juist door zulk een wereldwijde catastrofe zoals de zondvloed (of een kernoorlog!, zoals Noorbergen schrijft[42], of ten gevolge van de opsplitsing der mensheid over de gehele aardbodem na de Babylonische spraakverwarring[43]) verloren is gegaan, maar die voor mogelijk lange tijd wel mondeling werd overgeleverd (zie hierna).
  9. ‘(…) the unbreakable inter-modal meaning-coherence between the two modal aspects concerned, revealed in the anticipatory direction of history, on the one hand, and in the retrocipatory structure of language on the other, is indubitable. Just as symbolism in historical consciousness, marking off the significant from the insignificant, anticipates symbolical signification in historical narratives, monuments etc., so the lingual signification of words and sentences refers back to its historical substratum and is not to be conceived apart from the latter’[41]

______________________________

 

 

[1] Cf. NC II: pp. 259-260

[2] N.C. II: pp. 259-260

[3] NC II: p. 296

[4] NC II: p. 315; cf. pp. 316-318

[5] Vanzelfsprekend wel in zijn etnologie en in zijn filosofie.

[6] NC II, p. 285

[7] T.a.p.

[8] Cf. NC II: p. 310; Wellicht ten overvloede zij opgemerkt, dat er weliswaar ook bij primitieve volkeren vergoddelijking van een vermeende goddelijke oorsprong plaatsvindt, maar dan is er geen sprake van ontsluiting die het gevolg is van de bewustwording van de mens dat hij de vrijheid heeft om de hem omringende natuurwerkelijkheid te transcenderen; zie ook NC II: pp. 322-323.

[9] Men denke bv. aan de embryogenese: hoewel een menselijke morula, blastula of gastrula ‘historisch’ net zo primitief oogt als de vergelijkbare allervroegste stadia in het leven van bv. een platworm, staat de ontsluiting van de eerstgenoemde onder de leiding van een kosmisch-tijdelijk later structuurprincipe dan die van de laatstgenoemde, en bevat het menselijke embryo vanaf de conceptie uiteraard zoveel rijkere ontwikkelingspotentie dan het platwormembryo. Alleen is dat nog niet direct, maar pas mettertijd zichtbaar.

Overigens mene men niet, dat primitieve menselijke culturen die nog onder leiding van een natuurreligie staan (of misschien wel zijn komen te staan!) niet evenzeer een rijke ontwikkelingspotentie bezitten. Voor wat dat betreft gaat deze vergelijking niet op: zij bevinden zich, anders dan platworm-embryonen, niet in een obligaat-, maar in een facultatief-restrictieve gestalte. Het gaat er mij met deze vergelijking slechts om, om erop te wijzen dat schijn bedriegt.

Dat deze vergelijking ook volgens Dooyeweerd zelf alleszins geoorloofd is, geeft hij zelf al aan: om niet in de biologistische fout (zie hierna) te vervallen van het op basis van biotische retrocipaties in de historische zijnswijze reduceren van historische ontwikkelingsnormen tot het biotische substraat, is dit beroep van de christen-filosoof op de embryogenese toegestaan, want daarmede ‘he appeals to the Universal order of creation which has to unfold itself within all aspects of the real process of temporal development, in the biotical, as well as in the psychical, and the post-psychical law-spheres’ (p. 262).      

[10] NC II: p. 270: ‘It is quite understandable that the biologistic principle of evolution found adherence especially in pre-history and ethnology (Morgan, Tylor, Frazer and others) (…) For in the course of development of primitive cultures, in which the typically anticipatory process of differentiation and individualization has not yet started, the biotic retrocipations must necessarily come to the fore’.

[11] NC II: p. 307

[12] Zie NC II: pp. 319-323

[13] S. Griffioen: ‘De betekenis van Dooyeweerd’s ontwikkelingsidee’; Phil. Ref. 51 (1986); J.D. Dengerink: ‘De zin van de werkelijkheid; Amsterdam (1986)

[14] S. Griffioen: ‘De betekenis van Dooyeweerd’s ontwikkelingsidee’; Phil. Ref. 51 (1986)

[15] ‘The original historical condition of mankind’, NC II: p. 296 [zie ook Geertsema’s Trancendentale openheid   ?, genoemd in GD]

[16] a.a.: p. 90; in een voetnoot wordt verwezen naar het proefschrift van Dengerink; overigens zou Dooyeweerd het Griffioen niet naspreken om de vader Abraham omringende culturen te kenschetsen als toegesloten culturen die liggen onder het beslag van natuurreligies, getuige NC II, p. 266.

[17] Denk bv. aan de geloftesteen die Jacob bij Pniël oprichtte.

[18] SG, p…

[19] NC II: p. 297

[20] NC II: p. 312 [zie ook mijn filosofiescriptie voor l.c.’s]

[21] [zie LK voor l.c.’s]

[22] NC II: pp. 260-261, zie ook pp. 269-270

[23] NC II: p. 264

[24] T.a.p.

[25] T.a.p.; of hier het hetzelfde oordeel van Dooyeweerd over Fichte’s hypothese van een zeer begaafde oorspronkelijke mensheid als drager van de oercultuur der mensheid (dus als een ‘sheer metaphysics of the Humanistic science-ideal’) wel zo terecht is wagen wij, in het licht van wat hierover in de eerste hoofdstukken van Genesis, en in lijn hiermee door Noorbergen en Evenboer in hun genoemde werken, medegedeeld wordt, te betwijfelen. Wie zegt dat Fichte zich hier niet heeft laten leiden door het Bijbelse getuigenis? Op p. 296 lijkt Dooyeweerd het juist weer eens te zijn met dit religieuze transcendentale apriori van Fichte’s geschiedbeschouwing.      

[26] Zie bv. NC II: p. 264

[27] Omdat het hier slechts om een al of niet in meerdere of mindere mate feitelijk ontsloten zijn van ten principale immer aanwezige, want transcendentale modale structuurfuncties gaat, waarbij de aanwezigheid van de mogelijkheden daartoe door ons principieel voorondersteld wordt, lijkt het ons goed om, ter voorkoming van misverstanden, zeer omzichtig om te gaan met het praefix ‘prae’ waar het subjectfuncties, m.n. van de mens, aangaat. Slechts waar het een actuele subjectief-feitelijke historische ontwikkeling binnen het objectieve wetskader van een bepaalde zinmodaliteit betreft kan zonder veel gevaar over ‘prae’ (en ‘post’) gesproken worden.

[28] Zie voetnoot 24

[29] NC II: p. 265

[30] Zie NC II: pp. 264-265

[31] NC II: p. 266

[32] NC II: p. 285; cf. [H. Dooyeweerd: ‘Vernieuwing en Bezinning’, alwaar hij het verschil tussen een ‘historisch’ en een ‘niet-historisch’ gekwalificeerde gebeurtenis illustreert]

[33] NC II: p. 265

[34] NC II: p. 265; cf. pp. 266-267

[35] NC II: p. 265

[36] NC II: pp. 284-285

[37] NC II: p. 285

[38] VB: pp. 60-61

[39] NC II: p. 286

[40] NC II: p. 285

[41] NC II: p. 285

[42] Noorbergen, p…

[43] Noorbergen, p…, [Evenboer, p…]